Zaterdag 11 september: langs de tip van de laars naar Sicilië

De volgende dag krijg ik weer zo’n bon om om de hoek op het terras van het café een croissant en een cappuccino te bestellen. Aan het tafeltje voor mij zitten drie heren gewichtig te discussiëren in het Calabrese. Ik snap er dus geen snars van. Terwijl ik van mijn cappuccino nip en ik mijn iPad openklap, voel ik dat een van de drie mannen in mijn richting kijkt. Hij zit wat uitgezakt in zijn armstoel en lijkt met dichtgeknepen ogen te zitten spieden. De overige twee zijn perfect uitgedost, heel wat jonger. Ze hebben een zonnebril op, dragen een kraaknet wit hemd en das en zijn  gladgeschoren tot aan de kruin. Met heel zijn zelfvoldane lichaamstaal lijkt de man te willen zeggen dat hij wel weet hoe de vork in de steel zit en hoe hij het probleem moet aanpakken. Kortom hij heeft veel weg van een maffiabaas met twee keurig uitgedoste lijfwachten. Hoogstwaarschijnlijk is dat in werkelijkheid helemaal niet zo. Maar waarom kom ik erbij? Wel, omdat de ‘maffiabaas’ sprekend lijkt op Robert De Niro in Goodfellas of nog beter, in één van zijn allerrecentste maffiarollen, als hij al wat op leeftijd en gezetter is, namelijk in Wise Guys. Wat verbeten lippen, dichtgeknepen ogen en een geveinsd speelse machogrijns,  meestal bij maffiabazen in films de voorbode van een gewelddadige uitbarsting, maar hier gelukkig niet. Alleen, deze man lijkt gewoon met zo’n houding door het leven te gaan, ook al is hij misschien gewoon de uitbater van een pizzabar of van een bouwonderneming. Vertrouwen straalt hij in elk geval niet bepaald uit, zelfvertrouwen in overvloed. Nu ik toch mijn Ipad bij de hand heb, doe ik alsof ik hem even rechtop zet en er doorheen scroll, terwijl ik eigenlijke inzoom om een portretfotootje te nemen van zijn ‘maffiakop’. Zo dat is dan ook weer gebeurd. De man blijft onverstoorbaar van onder zijn oogleden in mijn richting kijken terwijl hij zijn luitenanten aanspreekt. Zo te zien heeft hij niets verdachts opgemerkt. Wellicht is mijn verbeelding weer wat lichtjes op hol geslagen, maar gezien de verwevenheid van de Ndrangheta in het dagelijkse leven van Calabrië, is dat niet eens zo ver gezocht, vrees ik. 

Aspromonte

Ik reken af en breng mijn fiets in gereedheid voor de laatste kilometers op het Italiaanse vasteland. Mijn tocht zet ik verder zuidwaarts langs de Costa Viola, die zijn naam ontleent aan de prachtige tinten paars, rood en oranje die de ondergaande zon hier op het zeeoppervlak tovert. De SS18 leidt verder langs de kust naar Scilla. Op die strook kijk ik links uit op de zee en rechts op de uitlopers van het Aspromonte Gebergte (Aspromonte betekent ruige berg) , de meest zuidelijke keten van de Apennijnen met toppen van tussen de 1200 en 2000 meter. Zoals ongeveer overal in Italië is ook dit bergachtig gebied nu ingericht als een nationaal park, grotendeels bebost met kastanjebomen, beuken, dennen en sparren maar ook met grote oppervlaktes maquis-struikgewas, een ideale habitat voor everzwijnen, reeën, vossen, wilde katten en wolven. Er zijn bergtoppen, ravijnen, spectaculaire rotsformaties te zien en er zijn routes en trails bewegwijzerd voor hikers, die vertrekken vanuit het skioord Gambarie, naar bv de Monte Basilico (1730 m), de watervallen van Maesano of vanaf het Lago Menta, een stuwmeer, naar de watervallen van Amendola of naar de hoogste top van het park, de Monte Alto (1960 meter). Vanaf de westelijke kust kan men de Aspromonte inrijden via Strade Provinziale die vertrekken uit kustplaatsen als  Bagnara, Scilla of San Giovanni tot in Gambarie. Maar het park herbergt ook een uniek levend cultureel patrimonium, namelijk de laatste Griekssprekende dorpjes van Italië. 

Greko in de Aspromonte

In enkele dorpjes in de Aspromonte wordt nog een variant van het oud-Grieks gesproken, het Greko. Het gaat onder meer om de dorpjes Bova en Galliciano. Ook in Roghudi Nuovo en Bova Marina leven er nog Griekse gemeenschappen. In Roghudi Nuovo wonen de bewoners die vanwege overstromingsgevaar gedwongen werden te verhuizen uit het oorspronkelijke Roghudi, dat dieper in de bergen ligt. In het kuststadje Bova Marina wonen heel wat inwoners van Bova, die om economische redenen uit het bergstadje zijn weggetrokken. Helaas leven er vandaag in de Aspromonte nog hooguit enkele honderden, voor het merendeel bejaarde Greko-sprekenden. Wel hebben duizenden Calabrezen Griekse roots

Maar ook in Puglia woont nog een Griekssprekende gemeenschap. Zij spreken het Griko, een andere variant van het oud-Grieks in dorpen als Calimera, Martinano, Zollino en Corigliano d’Otranto. Ze maken deel uit van het zogenaamde ‘Grecia Salentina’, gelegen ten zuiden van Lecce. Grieks was in de tijd van de Byzantijnen tussen de zesde en de 11de eeuw de dominante taal in Zuid-Italië, maar verdween geleidelijk onder invloed van het oprukkende katholicisme en de Latijnse liturgie. Alleen in geïsoleerde streken als de bergen van Aspromonte bleef Greko bewaard. Het werd helemaal marginaal na de eenmaking van Italië, toen de Toscaanse versie van het Italiaans na de eenmaking over het hele nationale grondgebied ijverig werd gepromoot.  Toen er na WO II steeds meer scholen operationeel werden in de bergen van Calabrië, waar in het Italiaans werd onderwezen, werd geleidelijk aan alleen nog thuis Greko gepraat, zodat de taal met de opeenvolgende generaties verdween. 

-----------------------------------

1860: na Sicilië verovert Garibaldi Calabrië    

Hier ergens tussen Bagnara en Scilla landde op 23 augustus 1860 een bescheiden troepenmacht van 1500 republikeinen op het vasteland onder leiding van Garibaldi’s vertrouweling Enrico Cosenz. Maar eerst even een mythe de wereld uit helpen. Garibaldi was niet zomaar een avontuurlijke guerillero die met zijn duizend slecht bewapende roodhemden in een oogwenk het koninkrijk Napels wist te veroveren. Hij was een uitgekookte strateeg en wist handig de onvrede over het gebrek aan autonoom bestuur en de misnoegdheid bij de massa landarbeiders over hun onrechtvaardige behandeling in zijn voordeel te keren.  Toen hij met zijn roodhemden landde in Marsala op Sicilië stond hij tegenover een overmacht van 20.000 Napolitaanse soldaten van het koninkrijk. Maar hij had al maanden op voorhand contacten gelegd met de smeulende haarden van rebellie op het eiland. Met zijn inval sloeg die om in een ware revolte tegen het koninklijk gezag. In enkele weken kon hij meer dan 10.000 Sicilianen ervan overtuigen om zijn kant te kiezen en veroverde hij Palermo bliksemsnel.  Een maand later na de slag van Milazzo controleerde hij heel Sicilië en installeerde een militair bewind in de naam van de koning van het Italië-in-wording,  Victor Emmanuel II, die in Turijn zijn hoofdstad had.

Ook in Calabrië vergewiste hij zich eerst van de steun van bestaande verzetshaarden voor hij de oversteek waagde. Hij verzamelde de Calabrezen onder zijn roodhemden en zond die in het geheim de Aspromontebergen in om wat scoutingwerk te verrichten. Eerst moesten ze uitvissen waar ze actieve steun bij de lokale bevolking konden vinden en peilen naar de houding van de bevolking tegenover de Bourbon monarchie en naar het moreel en de slagkracht van haar zowat 100.000 soldaten. Zijn spionnen meldden dat er verzetsleiders in de bergen waren die hem wilden steunen, waarop hij een commando van 200 man de bergen instuurde om het verzet te organiseren. 

 Zelf beschikte hij  intussen over 3500 roodhemden uit Piëmonte en nog eens 2500 Siciliaanse vrijwilligers die wilden deelnemen aan de invasie. Daarmee moest hij het doen. Er waren intussen wel meer reguliere troepen uit Piëmonte geland op Sicilië, maar die dienden om er plaatselijk de orde te handhaven. De nacht van 18 augustus landde Garibaldi in Melito, de zuidelijke tip van de teen van Calabrië en trok op naar de grootste stad, Reggio di Calabria. Een garnizoen van de Napolitaanse troepen onder leiding van generaal Galloti verdedigde de stad, maar de Nationale Garde die de toegang tot de stad bewaakte, bleek Republikeins gezind en liet Garibaldi met zijn troepen gewoon passeren.  Het kwam tot een treffen op  de Piazza del Duomo in volle stadscentrum en de troepen van Gallotti trokken zich terug in het plaatselijke fort. Een tweede garnizoen onder leiding van generaal Briganti kwam naar Reggio met versterking, maar Garibaldi wist hen buiten de stadsmuren terug te slaan. Op 23 augustus landde een tweede troepenmacht van 1500 Republikeinen onder leiding van Enrico Cosenz op de kust tussen Bagnara en Scilla, zodat de Napolitaanse troepen tussen Villa San Giovanni (de huidige ferryhaven van waaruit de veerboten vertrekken naar Messina) en Scilla volkomen ingesloten waren door de troepen van Garibaldi en zijn luitenant Brixo in het oosten en die van zijn andere luitenant Cosenz in het westen. De versterkte forten van Scilla, Punta-di-Pezzo en Torre del Cavallo gaven zich over en de Bourbongeneraals capituleerden. Garibaldi liet de soldaten van de koninklijke troepen naar huis terugkeren of zich aansluiten bij zijn troepen. Heel Zuid-Calabrië was op vijf dagen in handen gevallen van Garibaldi. Het moreel van de koninklijke troepen zakte onder nul. Hele regimenten deserteerden, zelfs tot in Napels zelf, schrijft Friedrich Engels (jawel, die van het Communistisch Manifest) in een artikel dat op 24 september in de New York Daily Tribune verscheen en Garibaldi kon ongehinderd aan zijn veertiendaagse mars op Napels beginnen.

Garibaldi's triomfantelijke intocht in Napels, Museo Civico Castel Nuovo, Napoli

Na nauwelijks een half uurtje fietsen kom ik in Scilla aan.  Op een landtong in de zee, hoog op een klif, staat het imposante Castello Ruffo di Scilla, een ideale uitkijkpost om gevaar van over zee snel in het vizier te krijgen.  Op een terras tussen het Castello en de zee staat een vuurtoren als een baken tussen de zeeëngte van Messina en de open zee. 

Castello Ruffo di Scilla

In Magna Graecia was het Castello al een vesting tegen piraten. In de tiende eeuw gebruikten de Byzantijnen het als fort tegen invallen van Saracenen die inmiddels Sicilië hadden veroverd. Zo kwam Reggio di Calabria enkele keren in handen van de emirs, maar lang konden ze Calabrië nooit bezet houden. In de 11de eeuw veroverden de Normandiërs de burcht. Daarna werd het een kasteel van de koningen van Napels, eerst onder het Franse huis van Anjou en vanaf 1442 onder het Spaanse huis van Trastamara, de koningen van Aragon. Van 1533 tot in het begin van de 18de eeuw was het de residentie van de adellijke familie Ruffo, de hertogen van Calabrië. En het lot van zowat alle eeuwenoude gebouwen in deze regio onderging ook de trotse burcht. Eerst was er de aardbeving van 1783 en daarna die van 1908, die nog eens gepaard ging met een tsunami. Vandaag is het fort grotendeels gerestaureerd en doet het dienst als een regionaal museum.

------------------------------------

Het zeemonster Scylla

De naam ontleent het stadje aan het zeemonster Scylla dat zijn grot had in de klif waarop het kasteel is gebouwd. In de Griekse mythologie was Scylla aanvankelijk een jonge zeenimf die door de tovenares Circe in een bloeddorstig monster met zes hondenkoppen werd omgetoverd. Circe werd jaloers op de zeenimf, omdat de zeegod Glaucus op haar verliefd was. Toen hij Circe om raad vroeg hoe hij Scylla kon veroveren, werd Circe echter zelf verliefd op Glaucus en veranderde haar daarom in een monster, dat elk schip aanviel dat door de zeestraat van Messina probeerde te komen. Dat was het lot van Odysseus op zijn lange omzwervingen na de val van Troje. Wie door de zeestraat vaarde, stond voor een dilemma. Zeus had immers aan de andere kant van de zeestraat Charybdis geposteerd, een draaikolk die alle schepen de dieperik in zoog. Ook zij was een zeenimf, de dochter van de zeegod Posseidon en Gaea, die gestraft werd omdat ze het rijk van Zeus onder water had gezet. Haar straf was de gedaanteverwisseling in een draaikolk. Circe adviseerde Odysseus om voor Scylla te kiezen. Die kon hoogstens 6 manschappen van het dek meegraaien, terwijl Charybdis het hele schip kon  vernietigen.  

Ik rijd in een wijde boog om het kasteel heen langs de zee tot aan een pier en een vissershaventje, waar een belvedere uitkijkt over de straat van Messina bovenop de Scoglio d’Ullise, de klip van Odysseus. Daarna gaat het weer 10 km oostwaarts langs de Marina di Scilla, het toeristische strand met zijn parasolletjes en ligzetels mooi in het gelid voor de toeristen die vandaag 11 september maar met mondjesmaat zijn komen opdagen.  Enkele kilometers rotskust op en neer fiets ik verder tot in Villa San Giovanni, het haventje waar dagelijks overzetboten van en naar Messina aanmeren. Hier op het Punto Pezzo is de afstand over de stretto di Messina ongeveer 4 km. De overtocht duurt nauwelijks 20 minuten en er zijn maar liefst 70 vaarten per dag. Een brug tussen het vasteland en Sicilië is er nog altijd niet, maar als we de regering Meloni mogen geloven, komt die er wel.

 

De legendarische brug over de straat van Messina: een twistappel van 6,1 miljard euro

De Italiaanse regering heeft de bouw van een brug over de straat van Messina goedgekeurd.  President Pietro Materella gaf al zijn fiat. Het zou een ophangbrug worden tusen Torre Faro, de uiterste noordoostelijke punt van Sicilië en een landingspunt op het grondgebied van Villa San Giovanni, waar de zeestraat nog slechts iets meer dan 3 km breed is. Ze zou zes rijstroken tellen, twee spoorlijnen en twee voetpaden. Ik vermoed dat die laatste ook door fietsers kunnen worden gebruikt, of zouden ze die weer vergeten zijn in hun ontwerp? Met haar 3300 meter zou ze meteen de langste hangbrug ter wereld worden. Er is een planning in fasen opgesteld en de voorbereiding en gedetailleerde ontwerpen zouden in 2026 starten. De bouw zelf volgt later. Als alles verloopt zoals gepland zou de opening rond 2032-33 plaats vinden, aldus de huidige minister van Infrastructuur Matteo Salvini.  

Zo’n brug, is altijd al de motivatie geweest, moet het gevoel van isolement bij de Sicilianen wegnemen en de economie op het eiland aanzwengelen, zeggen de voorstanders, die vooral in zakenkringen te vinden zijn. Bovendien zou het project nu kunnen rekenen op Europese steun voor de economische ontwikkeling van Zuid-Italië en deel uitmaken van een groter infrastructuurpakket.

Maar het idee wordt fel gecontesteerd. Tegenstanders vinden dat er belangrijkere prioriteiten zijn voor de economische ontwikkeling van Sicilië. Wat heeft een brug voor zin als het wegennet en het spoornet op het eiland zelf onvoldoende zijn uitgebouwd, argumenteren ze, en ze doen het af als een ‘symbolisch prestigeproject’. Ze pleiten daarom voor meer investeringen in wegen, het spoor en in havens. Veel economen vrezen dat de baten nooit tegen de kosten op kunnen, alleen al omdat het volume verkeer nooit de geschatte kost van 6,1 miljard euro kan terugverdienen.

 

 Overigens is het plan ecologisch een miskleun, zeggen milieubewegingen, nu steeds meer stemmen opgaan om vrachtvervoer meer via binnenwateren en kustscheepvaart te laten gebeuren om het vervuilende wegtransport in te perken. 

 Maar wat Italianen nog sceptischer maakt, is de wetenschap dat er al sinds de jaren zestig concrete plannen voor een dergelijke brug geweest zijn, die telkens vanwege kosten, risico’s en technische of milieubezwaren werden ingetrokken. Vooral Silvio Berlusconi was een grote pleitbezorger van de brug. Maar zijn eerste plan werd door de linkse regering Prodi in 2006 opgeborgen wegens te kostelijk en de vrees dat het privé-luik en zijn onderaannemingen vooral in handen zou komen van de Siciliaanse maffia en de Ndrangheta. Toen Berlusconi wat later opnieuw aan de macht kwam, diepte hij opnieuw zijn plannen op, ditmaal voor een soort publiek-private samenwerking, waarbij de staat met 1,3 miljard zou bijspringen in de totaal geschatte kost van 6,1 miljard euro. Maar die werden opnieuw opgeborgen door de regering Monti (2011-2013), die na de financiële crisis van 2008 besparingen bovenaan de agenda plaatste en de brug als een luxeproject afdeed. De Italiaanse staat dreigde haar enorme schuldenberg niet meer de baas te kunnen en stevende heel even af op een wanbetaling, wat een storm op de financiële markten in Europa veroorzaakte. Een drastische ingreep in de staatsfinanciën was onontkoombaar, ook al omdat Europa Italië onder zware druk zette

En misschien wel het sterkste argument tegen een dergelijke brug wordt door geologen opgeworpen: ze ligt in het seismologisch meest actieve gebied van de Middellandse Zee. De kans dat een aardbeving ze verwoest is niet denkbeeldig. Messina werd in 1908 volledig van de kaart geveegd door een aardschok van 7.1 op de schaal van Richter met het epicentrum midden in de straat van Messina, die een tsunami veroorzaakte en die aan meer dan 80.000 mensen het leven kostte.  

Maar de kernvraag blijft of zo’n langetermijnproject politiek en juridisch overeind kan blijven in een land als Italië waar consensus over alle regeringen heen aartsmoeilijk blijkt. Nu al heeft het Corte dei Conti (Rekeningenhof) eind 2025 bezwaren geuit tegen de onrechtmatige toekenning van contracten en het negeren van natuurwetgeving.

Zo zou de 3,3 km lange brug over de straat van Messina er uitzien

Na mijn ticket voor de ferry aan het loket in Villa San Giovanni zet ik nauwelijks een half uur later voet aan wal in Messina.

Messina

Ik ga meteen op zoek naar een snack in de omgeving van de kathedraal. Door de aardbeving en nog eens een bombardement in 1943 is eigenlijk alleen het 12de-eeuws portaal van de kathedraal bewaard gebleven. Messina en zijn inwoners kregen het in de loop van de geschiedenis hard te verduren. In de tweede Wereldoorlog gooiden Amerikaanse en Britse bommenwerpers  

Maar het meest imposante gebouw dat de hele stad domineert omdat het zo’n 60 meter hoog in de heuvels ligt, is het Sacrario di Cristo Re met zijn imposante koepel dat werd gebouwd als aandenken aan de gesneuvelden in de wereldoorlogen. Het is min of meer een kopie van de 18de-eeuwse barokke Basilica di Superga bij Turijn. Bij het Sacrario heb je een panoramisch uitzicht over de stad, zijn haven en de hele zeeëngte. 

Messina en zijn inwoners kregen het in de loop van de geschiedenis hard te verduren. In de tweede Wereldoorlog mikten Amerikaanse en Britse bommenwerpers  op de haven-, spoorweg- en communicatieinfrastructuur van de Duitsers en Italianen  tijdens en na de grote geallieerde landing op Sicilië, de zogenaamde 'Operation Husky'. Bovendien organiseerden de Duitsers de evacuatie van hun troepen naar het vasteland vanuit Messina, een reden te meer voor de zware luchtaanvallen. De bombardementen vernielden vele woonwijken en kosten het leven aan duizenden burgers. Nauwelijks 35 jaar eerder, in 1908, trof een verwoestende aardbeving en een tsunami de stad, die hem volledig in puin legde. Meer dan de helft van de bevolking verloor hierbij het leven. Maar ook in 1783 voelden ze in Messina de aardbeving die toen Calabrië trof. Goethe, die drie jaar later in Messina aankwam beschreef de erbarmelijke omstandigheden in zijn Italienische Reise :'Na de enorme ramp, waarin twaalfduizend mensen het leven lieten, waren er voor de dertigduizend overlevenden geen huizen meer. De meeste waren ingestort..dus werd er een tijdelijke stad van barakken opgetrokken in het weiland ten noorden van de stad'. In 1693 was er ook al zware aardbeving maar met een epicerntrum dat zuidelijker lag, rond Catanië. Kortom, met een tussenspanne van telkens 100 à 120 jaar heeft in dat oostelijke deel van Sicilië een zware aardbeving plaats. De laatste was in 1908, begrijpelijk toch dat niet alleen seismologen zich ongerust maken.

Sacrario di Cristo Re, Messina, foto: Effem

Mijn eindbestemming op Sicilië is Palermo, waar ik de boot wil nemen naar Sardinië. Ik kan nu twee richtingen uit: de Strade Provinziale of Statale door het bergachtige binnenland naar de noordkust nemen, dat is 500 hoogtemeters klimmen, maar de kortste weg. Maar ik kan ook de kustweg nemen, de SS 113dir, weliswaar dubbel zo lang, maar minder lastig. Het weer geeft de doorslag. Het is heet en het vooruitzicht van een constante zeebries lijkt me aanlokkelijker. Ik kies de kustweg, de via Consolare Pompea die even tussen een lagune, het Lago di Ganziri en de zee in loopt en kom uiteindelijk in Torre Faro aan, vlakbij Capo Peloro, de meest noordoostelijke kaap van Sicilië.

Torre Faro

Even voorbij Torre Faro staat een merkwaardige constructie: een hoogspanningsmast van maar liefst 235 meter op een betonnen voet van 8 meter hoog. Tot in 1985 liepen hier vier hoogspanningskabels over de straat van Messina naar een gelijkaardige pyloon op het vasteland in Villa San Giovanni. Met hun 3,6 km lengte over spanden ze de grootste afstand tussen 2 pylonen ter wereld, hun laagste punt bevond zich op 70 meter hoogte, zodat grote zeeschepen er onderdoor konden varen. In 1985 werd de hoogspanningslijn buiten gebruik gen omdat haar transmissiecapaciteit van 300 Mw niet langer volstond. Ze werd vervangen door een onderzeese kabel op de bodem van de Straat van Messina met een transmissiecapaciteit van 1000 MW. De pylonen bleven staan als afgedankte getuigen van een tijdperk met minder energieverbruik en als een bizarre attractie voor de toeristen van bijvoorbeeld de gigantische cruiseboten die hier voorbij varen en aanmeren in Messina.   

Ik werp nog een laatste blik op  de vaalgroene rotskust van Calabrië aan de overkant en de bijna paarse Aspromontebergen op de achtergrond. Dan rij ik in een wijde bocht rond  een tweede lagune,  het Lago di Torre Faro, en kom uiteindelijk op de SS113dir terecht, de lange kustweg die langs de noordkust tot in Palermo loopt. Ook al is ze niet altijd zichtbaar, de zee is hier nooit ver weg. 

Bloemenweelde

Voor de late zomer is het hier nog opvallend groen. Dat wijst op voldoende neerslag.  De bloemenweelde in de tuinen springt in het oog. Paarse, violette, witte, oranje en rode trossen Bougainvillea kleuren de muren en omheiningen. Dichte struiken veelkleurige oleanders, staan als ondoordringbare beschutting rond de tuinen naast witgele frangipani en kappertjesbloemen waarvan de bloemknop gepekeld wordt en op de pizza en in visgerechten terechtkomt. De subtropische tuinen van de villa’s en huizen zijn daarom op zichzelf een attractie langs de Siciliaanse noordkust. Her en der staan dwergpalmen met hun waaiervormige bladeren op lange stelen als schildwachten rond de huizen. Hun stevige bladeren worden al eeuwenlang gebruikt om er manden van te vlechten. Ook  citroen-, appelsien- en mandarijnboompjes vind je hier bij de vleet.  Casa biancha (Casablanca), Sparta, Mezzana, Acqualadroni, Calamona zijn hier in het noordoosten de kustplaatsjes. Even verderop in San Saba  daal ik af naar de Via Lungomare op, een strook weg van 5 km, die langs het strand loopt tot in Rodia.

 

Argentijnen in Sicilië

Tijd voor een pauze  bij een strandbarretje met gelateria. In de koeltoog liggen allerlei lekkere belegde broodjes en tramezzini. Ik koop een literfles spuitwater, bestel me twee broodjes en ga mijn ‘vieruurtje’ op de dijk verorberen. Her en der liggen visserssloepjes op het strand verspreid. Zo te zien gebeurt visvangst hier ook nog kleinschalig. Een stel luidruchtige Argentijnen, die geen woord Italiaans spreken, willen een ijsje, een helado con  almendras y chocolate, con vanilla, con pistacho, con frutillas, dat zijn aardbeien, zo blijkt, con limón enz. Niet zo moeilijk te begrijpen toch voor Italianen. Dat het Argentijnen zijn, verneem ik van het barmeisje. Ze praten almaar door over voetbal. Argentijnen op Sicilië?  Wat moeten die hier? Voetbalsupporters misschien of gewoon Italo-Argentijnen op bezoek bij familie? Honderdduizenden Italianen vertrokken in het begin van vorige eeuw immers naar Argentinië. Misschien zijn dit inderdaad achterkleinkinderen van Italiaanse immigranten. Of misschien waren het hun grootouders die waren geëmigreerd. Misschien zijn ze de kleinkinderen van de vele Italiaanse fascisten die net als Vittorio Mussolini, zoon van, met of zonder vals paspoort in Buenos Aires een veilig onderkomen vonden na de oorlog. Of misschien waren hun grootouders gewoon Italianen die de economische puinhoop ontvluchtten waarin de oorlog hun land had herschapen.

Argentinië, het beloofde land voor Zuid-Italiaanse emigranten

In 1916 waren 7 op de 10 Argentijnen immigranten, vooral uit Italië en Spanje. Italianen emigreerden toen naar Argentinië om de toen gebruikelijke redenen: armoede, hongersnood, werkloosheid en de droom om zich ginder een eigen stuk landbouwgrond te kunnen toeëigenen en bewerken. Na de Tweede Wereldoorlog volgde een tweede immigratiegolf van Italianen die vluchtten voor de armoede in hun verwoeste land of voor de rechtbank, omdat ze een actieve rol hadden gespeeld in het fascisme. Kortom, door de opeenvolgende immigratiegolven vanuit Italië beweren vandaag 30 miljoen Argentijnen tenminste één Italiaanse voorouder te hebben. 

In 1946 werd Juan Peron in 1946 president van Argentinië. Hij was een generaal die voor de oorlog op diplomatieke missie werd gestuurd naar Rome en Berlijn en hij bewonderde het Italiaanse fascisme. Dat was bij zijn aantreden in 1946 niet veranderd. Voormalige fascisten en oorlogsmisdadigers als de Kroaat Ante Pavelic, de nazibeulen Adolf Eichmann en Jozef Mengele liepen in zijn land nauwelijks gevaar om opgepakt te worden. Hoewel hij sommige aspecten van het fascisme overnam zoals de autoritaire leidersstijl en het antiliberalisme, was Peron geen fascist en lang niet voor één gat te vangen. Hij liet bijvoorbeeld ook massaal Joden immigreren en volgde in zijn buitenlandse politiek een derde weg waarin hij zowel de VS als de Sovjet-Unie te vriend probeerde te houden. Zijn sociaal beleid was vooruitstrevend met veel aandacht voor werkgelegenheid en hij voerde het sociale zekerheidsstelsel in.  Hij kwam aan de  macht met de steun van zijn vrouw, Evita Peron, die zich inzette voor de armen, voor vrouwenstemrecht, scholen en ziekenhuizen, waardoor er rond de Perons een ware personencultus ontstond. Veel democratie was dan weer niet aan Peron besteed, want hij snoerde de media en de oppositie de mond, ontsloeg honderden professoren, liet kranten sluiten en gooide oppositieleiders  de gevangenis in. 

Bottleneck langs kustweg

 Ik heb nog steeds geen b&b of hotel geboekt, omdat ik eigenlijk nog niet weet waar ik vanavond ga landen. De rit verliep totnogtoe vlot en het verkeer was rustig langs de SS113 dir. Maar daar komt plots verandering in als ik in Villafranca Tirrena arriveer. Hier komt het verkeer dat vanuit Messina over de snelweg E90 de shortcut door het binnenland heeft genomen op de kustweg terecht die door de dorps- en stadscentra met verkeerslichten loopt en zo een bottleneck vormt voor de verkeersstroom die een kilometerslange file veroorzaakt. Ook geen fietsstrook te bespeuren hier. Het wordt dus millimeterwerk om rechts van de nauwelijks stapvoets voortbewegende autokolonne vooruit te komen. Als er echt geen doorkomen meer aan is, waag ik mij dan maar op het voetpad en zo gaat het badplaats na badplaats aan een stuk door: Saponara, Rometta Marea, Spadafora, Venetico Marina, Fondachello. Het is bovendien zaterdagavond en de Sicilianen zijngaan shoppen of begeven zich al naar hun restaurant of naar de mis, weet ik veel. Ik verlies veel tijd. Het wordt eindelijk wat rustiger als ik in het industriegebied van de havenstad Milazzo terechtkom, met zijn reusachtige opslagtanken. Ook geen pretje, maar ik schiet hier tenminste wat op. Het is inmiddels beginnen schemeren, maar nu het weer vlot, profiteer ik ervan om nog wat kilometers te maken. Ik blijf hier overigens in dichtbebouwd gebied, ook ten westen van Milazzo.

Barcellona met dubbele ll

Tot ik in Barcellona arriveer. Na Casabianca, Sparta nu dus ook Barcellona, met tweemaal ‘l’ wel te verstaan. Het hele Midellandsezeegebied ligt hier op de Siciliaanse kust. Ik haal er mijn Ipad bij om een b&b in de omgeving te zoeken en al snel meen ik er een te hebben gevonden bij booking.com in Caldera, een stadje dat hier gewoon enkele kilometers verder bij de kust ligt. Mooi zo, er is nog een single room, effe checken, vrij laag geprijsd zelfs en dat voor en b&b aan de zee. Vreemd toch, nog even checken voor  de zekerheid. Ho maar, Caldera ligt aan de zee, dat wel, maar dan wel in….Chili aan de Pacific in het zuiden van de Atacamawoestijn. Ik was een klik verwijderd van een kamer in Chili, mmm. Haastwerk op de Ipad in het schemerdonker langs een drukke invalsweg, geen goed idee. 

Uiteindelijk vind ik toch een hotel in Barcellona zelf, met relatief goedkope kamers, maar wat meer in het binnenland. Het is nu pikdonker, de straatnaambordjes zijn nog nauwelijks leesbaar en Barcellona is een druk stadje met een wirwar van straatjes. Het duurt een tijdje voor ik mijn hotel heb gevonden. Als ik er uiteindelijk aankom, heb ik meer dan 100 km op de dagteller. Mijn kamer is basic en ligt in een rij identieke vertrekjes die wat lijken op omgebouwde paardenstallen. Misschien waren ze dat ooit wel. Alle hebben ze een terrasje onder een afdakje met houten hekwerk ervoor. Naast het bed dat meer dan de helft van de kamer beslaat, is er een douche en een wc. Ik sleur mijn fietstassen binnen, zet mijn fiets op slot en geen haar op mijn hoofd dat eraan denkt om me nog in het stadje te wagen, ook al is het zaterdagavond. Ik neem een douche, gooi me uitgeput op het lekker harde bed en val als een blok in slaap.