Vrijdag 17 september: Palermo, La Kalsa

Ik maak mijn verdere verkenning van de stad te voet en richt vandaag mijn vizier op La Kalsa, de oude Arabische stad die grosso modo ligt tussen de Via Maqueda, de  Via Vittorio Emmanuele , het Foro Italico langs de zee en het grootste park van de stad, de Villa Giulia of de Orto Botanico.

Niets brengt meer verheldering om de gebouwen in de tijd te situeren dan een historische schets. Het Palermo van de hoogdagen onder de Hautevilles en de Hohenstaufen is niet meer. Napels verdringt Palermo als standplaats van de heersende macht. En terwijl Midden- en Noord-Italië in het quatrocento van de renaissance (het rinascimento) culturele en intellectuele hoogdagen beleefden, gingen die grotendeels aan Sicilië voorbij, maar bijvoorbeeld niet aan Rome en Napels. Al zijn kunsthistorici het er over eens dat heel wat van de renaissance erfenis in de architectuur verloren is gegaan in de vier gigantische aardbevingen die vooral Messina en omgeving troffen. In Palermo is het meest opvallende renaissancistische bouwwerk de Fontana Pretoria, die ik op woensdag bezocht, maar de fontein met de vele beelden werd in Firenze gebouwd en met het schip overgebracht. Verder is er het Palazzo Abatellis in de Via Alloro, gebouwd door de architect en 'Magister Fabricator' Matteo Carnilivari, in opdracht van Francesco Abatellis, een vijftiende-eeuwse havenmeester van Palermo.

Palazzo Abatellis

Renaissance: Palazzi Abatellis en Aiutamichristo

Het Palazzo Abatellis een vierhoekig gebouw met een prachtige binnenkoer met aan de linkerkant sierlijke portico’s met loggia’s  dat werd gerestaureerd na de tweede wereldoorlog, waarin het zwaar werd beschadigd. De ingangspoort is bijzonder met zijn concentrische scepters en zijn met koorden omwonden zuilen en de wapenschilden van de familie van Francesco Abatellis en die van zijn vrouw, Soler.

Het palazzo zelf heeft een sterke Catalaans-gotische inslag. Niet verwonderlijk want er werkten Spaanse beeldhouwers mee aan de bouw ervan.  

Het palazzo herbergt de Galleria Regionale della Sicilia dat werken van de belangrijkste Siciliaanse schilders uit de Middeleeuwen, de Renaissance en de Barok herbergt. Hier hangt het schitterende l’Annunziata van Antonello da Messina, de belangrijkste Siciliaanse schilder uit het quattrocento. De schilder geeft in een portret de subtiele gelaatsuitdrukking weer van Maria, die van de onzichtbare Engel Gabriël verneemt dat ze de moeder van de zoon van God zal worden. Het andere bekende werk ‘Portret van een Man’, waarschijnlijk een zelfportret, hangt in het Museo Mandralisca in Cefalù.  Antonello kreeg zijn opleiding in Napels en moet daar in contact gekomen zijn met de schilderkunst van de Vlaamse Primitieven, zoals Van Eyck en Van Der Weyden, waardoor hij als een van de eerste Italiaanse schilders met olieverf begon te schilderen. Ook zijn portretten tegen een zwarte achtergrond vertonen sterke gelijkenis met die van Van Eyck. Zowel de Nederlanden als Napels vielen toen onder het bewind van Alfonso V van Aragon. Door zijn verblijf in Venetië zou hij daar de schilderkunst hebben beïnvloed.  

 

Palazzo Abatellis

L'Annunciata, Antonello da Messina, Galleria Regionale della Sicilia

Een tweede renaissance palazzo in Palermo is het Palazzo Aiutamichristo in de Via Garibaldi. Het was het huis van de bankier uit Pisa, Guglielmo Aiutamicristo, die voor de bouw ervan eveneens een beroep deed op Carnilivari. Dat is goed te zien aan de porticos en loggias van de binnenplaats die sterke gelijkenis vertonen met die van het Palazzo Abatellis. Ook in de mooie 15de-eeuwse kerk Santa Maria della Catena valt de loggia met drie arcades op aan de westelijke voorgevel en ook hier weer is de architect Carnilivari en  zien kenners er kenmerken in van Catalaanse laatgotiek. De kerk staat vlakbij de zee en de catena verwijst naar de ketting die vroeger de haven afsloot.  Deze drie gebouwen staan aan de rand van de Kalsawijk. 

Santa Maria della Catena

De poort die in het Westen langs de zee toegang verschafte tot de piazza di Kalsa is de 16de eeuwse Porta dei Greci, eveneens gebouwd in de renaissance. Ze kijkt uit op de zee en heeft haar naam te danken aan de Griekse kooplui die indertijd op het plein woonden. 

Porta dei Greci, Palermo

Sicilië onder de Spaanse katholieke hardliners en de inquisitie

Met de troonsbestijging van Fernando El Catolico in  Aragon in 1479 zou een definitieve fase aanbreken in de eenmaking van Spanje. Fernando II huwde namelijk met Isabella van Castilië. Samen waren ze de Reyes Católicos, de eenmakers van Spanje en de verdrijvers van de Moren. Fernando werd Fernando V in Castilië en Léon en in Napels Fernando III, terwijl hij ook nog eens heerste over Sicilië, Sardinië, Majorca, Valencia, Aragon en Catalonië. Samen voltooiden ze de Reconquista in 1492 door de verovering van het Moorse Emiraat van Granada, het resterende moslimgedeelte van El Andaluz, het Morengebied in Spanje. In het emiraat regeerden de Nasriden, die het wereldberoemde Alhambra in Granada als paleis hadden. Datzelfde jaar 1492 stuurden de Reyes de Italiaan Christoffel Columbus naar het westen, die Amerika zou ontdekken en van Spanje de eerste koloniale grootmacht zou maken. Kortom, Fernando en Isabella zouden de basis leggen voor het wereldrijk van hun kleinzoon Karel V, die de machtigste man van Europa werd in de eerste helft van de zestiende eeuw.

De zeer gelovige Fernando en Isabella namen echter geen vrede met de voltooiing van de Reconquista. Spanje moest een uniform christelijk land worden en had de missie om het ware geloof uit te dragen en te beschermen, desnoods met het zwaard of de brandstapel. De minderheden zouden het geweten hebben.  Vooral de Joden, die in Juderias, een soort eigen wijken leefden, werden geviseerd. Ze waren al het doelwit van progroms geweest in Sevilla, Valencia en Barcelona aan het eind van de veertiende eeuw. In 1492 vaardigden Fernando en Isabella echter  een edict uit dat de Joden nu definitief voor de keuze plaatste: zich laten dopen en zich bekeren tot het christendom ofwel het grondgebied verlaten. Mudejar moslims die in het voormalige emiraat leefden, kregen nog wat respijt. Ze konden nog een tijdje genieten van een beschermde status, maar werden vanaf 1502 in Castilië en vanaf 1525 in Aragon voor dezelfde keuze gesteld. Joden en moslims die zich hadden bekeerd, de zogenaamde Judeoconversos en Moriscos, werden echter gewantrouwd, omdat men hen ervan verdacht in het geheim hun geloof niet te zijn afgevallen. Daarom stelden Fernando en Isabella de kerkelijke inquisitierechtbanken in die moesten natrekken of de bekering werkelijk werd beleefd of indien het hier ging om ‘cryptojoden’ of ketters. Tussen 1472 en 1530 werden onder leiding van de grootinquisiteur Tomas de Torquemada, een Dominicaan en de biechtvader van Isabella, duizenden processen gevoerd en stierven talloos veel Joden en moslims op de brandstapel die weigerden zich te bekeren of hun geloof in het geheim bleven belijden als ketters. Daarmee kwam een eind aan de relatieve vreedzame coëxistentie van christenen, joden en moslims in Spanje. Spaanse Joden die zich niet wensten te bekeren, vluchtten naar Marokko, Portugal en de Verenigde Provinciën. Toen ook in Portugal de inquisitie werd ingevoerd, moesten er heel wat verhuisde Spaanse Joden opnieuw emigreren. 

In het Sicilië onder Aragonees bewind was het voor Joden evenmin nog langer leefbaar. Ook daar stelde Torquemada ze voor de keuze: Sicilië verlaten of zich bekeren. De Dominikaner monniken ontpopten zich tot ijverige inquisitiejagers. Wie weigerde kwam voor een inquisitierechtbank en eindigde in veel gevallen op de brandstapel. Het vertrek van de Joden, die een belangrijke rol speelde in de bedrijvigheid en de handel op het eiland, versnelde de economische neergang alleen maar.

Fernando en Isabella, de Reyes Catolicos

Een tocht langs de barokkerken van Palermo

Het meest in het oog springende gebouw op de Piazza di Kalsa, recht tegenover de Porta dei Greci is, hoe kan het ook anders, een barokkerk, namelijk die van de Santa Teresa alle Kalsa die eind de 17de eeuw werd gebouw door de bekende barokarchitect Giacomo Amato. De gevel heeft korintische halfzuilen op twee verdiepingen, een fronton met voluten en een ballustrade boven de kroonlijst van de benedenverdieping en zes nissen met marmeren beelden.  Binnenin hangt in de apsis het schilderij van Willem (Guglielmo) Borremans, 'De transverberatie van de Heilige Teresa'. Een transverberatie is een extatische mystieke ervaring waarbij haar hart met een pijl van liefde door engelen wordt doorboord. Geslaagder maar van dezelfde architect Amato is de Santa Maria della Pietà, eveneens met schilderijen van Borremans, stucwerk van Giacomo Serpotta en plafondschilderingen van Antonio Grano binnenin.

Santa Maria della Pietà, Palermo

Mijn tocht langs de barokkerken loopt nu naar de overkant van de Maqueda bij de meest indrukwekkende barokkerk, althans wat het interieur betreft, de enorme Jezuïtenkerk, de Chiesa del Gesu. De Jezuïeten zetten voet aan wal in Palermo in 1549. Zij droegen vooral de contrareformatie uit door hun inzet in onderwijs en in het missioneringswerk. De façade is typisch Jezuïet met beelden van de Heilige Ignacius van Loyala, de Baskische stichter van de orde, en Franciscus Xaverius, de medestichter die aan de lopende band bekeringswerk in Azië deed,  in nissen boven de zijportalen en de Madonna boven het hoofdportaal. De bekroning van de façade bestaat uit een kroonlijst, een fronton en een timpaan met het Jezuitenembleem IHS. De kerk heeft ook een koepel, maar helaas werd hij vernietigd in een bombardement in WO II en moest hij heropgebouwd worden. Binnenin zijn alle muren bedekt met  polychroom marmer, met marmeren inlegwerk, beelden en basreliëfs, met stucwerk, en fresco’s. Samen met de plafondschilderingen vormen ze een visuele orgie, waaraan de gebroeders Serpotta, Antonino Grano, Paolo Amato en vele andere kunstenaars decennialang hun bijdrage hebben geleverd.

De Jezuïtenkerk, La Chiesa del Gesu, Palermo

Ik zet mijn barokwandeling verder naar het Oratorium of de gebedskapel van San Lorenzo. De meester van het stucwerk, Giacomo Serpotta heeft hier in het begin van de 18de eeuw taferelen uit de levens van de Heilige Franciscus en van de heilige Laurens in stucwerk gegoten, terwijl gevleugelde puti nieuwsgierig naar de taferelen kijken. Niemand minder dan Caravaggio heeft het altaarstuk, ‘De geboorte met San Lorenzo en San Francesco’, geschilderd. Maar wat de toeschouwer hier te zien krijgt is een replica, want het originele doek werd gestolen in 1969, in opdracht van de Siciliaanse maffia, de Cosa Nostra, zo wordt gefluisterd.

Oratorio di San Lorenzo met altaarstuk van Caravaggio, Palermo

 Een eind daarvan verwijderd, voorbij de haven is er een tweede indrukwekkende gebedskapel, die van de Rosario di San Domenico. Voor deze sociëteit schilderde de Antwerpse barokschilder Anton  Van Dyck het altaarstuk, 'Maria van de Rozenkrans' waarin de Heilige Domenicus en de schutsheiligen van Palermo figureren. Daarnaast schilderden Willem Borremans, Pietro Novelli en Luca Giordano  op 14 schilderijen taferelen uit de Blijde, Droeve en Glorierijke Mysteries waarbij telkens een vast aantal gebeden moesten worden opgezegd. De schilderijen worden afgewisseld met beelden van vrouwelijke heiligen die de deugden uitbeelden. Daarboven bracht Serpotta opnieuw zijn stucwerken aan met opnieuw heel veel puti en zoals gebruikelijk tekent hij zijn werk met een hagedis, die omhoog kruipt langs de zuil waarop dame Fortuna leunt. Serpotta (Sirpuzza in het Siciliaans) betekent hagedis of klein reptiel.  De plafondschildering die de kroning van Maria afbeeldt is van Novelli. 

Oratorio di San Domenico met altaarstuk van Anton Van Dyck, Palermo

Op de Piazza San Domenico vlakbij staat de gelijknamige barokkerk met een beeld van Maria op een enorme zuil. Hier liggen zowat alle groten uit de geschiedenis van Palermo begraven: de schilder Pietro Novelli, de mecenas Vincenzio Florio, de Italiaanse eersteminister Francesco Crispi en zelfs de door de maffia vermoorde onderzoeksrechter Giovanni Falcone.

Piazza San Domenico met zuil van Maria

In de derde bidkapel die van het Rosario di Santa Cita in de via Valverde kon Giacomo Serpotta voluit gaan, niet gestoord door schilderijen (behalve het altaarstuk) en beeldt hij in Teatrini, ingekaderde taferelen uit de mysteriën van de rozenkrans uit. De bidkapel werd gebouwd om de Slag bij Lepanto te gedenken in 1571, toen de Christelijke vloot de Ottomanen een beslissende nederlaag toebracht. Serpotta goot die beroemde slag in een bas relief in stucwerk op de de achtermuur. 

Oratorio del Rosario di Santa Cita, Palermo

Tussen de schitterende Piazza Bellini bij de Maqueda en de Piazza di Kalsa liggen nog tal van gezellige piazza’s zoals de Piazza Marina, waar de Chiesa di Maria della Catena zich bevindt en het Palazzo Chiaramonte, een paleis dat in de veertiende eeuw werd gebouwd onder de Aragonese koningen en dat veeleer gotisch is van bouwstijl. De prachtige gevel heeft twee rijen driedelige, met inlegwerk versierde vensters. Het gebouw biedt tegenwoordig onderdak aan het Museo dell’Inquisizione en wel omdat de inquisitie van Palermo hier haar hoofdzetel had en uitkeek op het plein  waar de ketters op de brandstapel werden gegooid.

Palazzo Chiaramonte, Palermo

Tegenwoordig bevindt zich hier een parkje met wellicht de meest impressionante Ficus Macrophylla van de stad. Hij zou in 1859 zijn aangeplant en heeft dus de eenmaking van Italië meegemaakt. Vandaar dat hij de Arbello dell’Italia Unita werd gedoopt. Hij heeft aan de basis een omtrek van 21 meter, is meer dan 30 meter hoog, heeft een kruinomtrek van 50 meter en heeft tal van luchtwortels die op zichzelf al boomstammen lijken. 

Arbello dell'Italia Unita, Palermo

Wie van de sfeer van de diepe middeleeuwen onder de Hautevilles houdt en van de sobere Romaanse kerken uit die tijd kan even een kijkje nemen bij de twaalfde-eeuwse basilica La Magione met zijn gevel van drie lagen Arcaden. De toegang tot de tuin en de basilica loopt door een barokke poort en het is er heerlijk en rustig toeven met een boek en gregoriaanse muziek op de telefoon.

Basilica la Magione, Palermo

Minder rustig, maar even stemmig is de Piazza Sant’Anna met uitzicht op de fascinerende golvende barokgevel van de Chiesa di Sant’Anna la Misericordia, die in de loop der tijden meermalen werd geteisterd door aardbevingen en weer heropgebouwd.

Chiesa di Sant'Anna la Misericordia, Palermo

Sicilië onder Keizer Karel V

In 1516 stierf Fernando II El Cattolico en wees zijn kleinzoon, de zestienjarige Karel als zijn opvolger in Sicilië, Napels en Aragon aan. Karel was de zoon van de Bourgondiër Filips de Schone en van Ferdinands dochter, Johanna de Waanzinnige en werd in 1500 geboren in het Prinsenhof in Gent. Van Filips de Schone erfde hij op zesjarige leeftijd de Bourgondische Nederlanden en van zijn moeder de koningskroon van Castilië. Via zijn grootvader aan vaderskant, de Habsburger Keizer Maximiliaan erfde Karel op zijn negentiende het Heilig Roomse Rijk. Omdat Karel in zijn immense rijk de uithoek Sicilië moeilijk zelf kon besturen, liet hij het bestuur over aan een onderkoning. 

Keizer Karel V door Anton Van Dyck

 In de halve eeuw voor de geboorte van Keizer Karel was er heel wat veranderd in de toenmalige regio rond de Middellandse Zee. De Moren waren uit Spanje verdreven door Ferdinand en Isabella tijdens de laatste fase van de Reconquista, maar in het Oosten waren de Ottomanen bezig aan een indrukwekkende opmars. Ze verenigden de vele kleine prinsdommen in het Turkse Anatolië tot een sultanaat, staken al in de veertiende eeuw de Bosporus over en veroverden een groot deel van de Balkan dat versnipperd was in kleine staatjes zoals Servië, Walachije, Bulgarije en Albanië. De Hongaren van koning Sigusmund I en de Byzantijnen, samen met de Venetianen en Genovezen, die vele handelsposten in Oost-Europa hadden, riepen de christelijke wereld op om gezamenlijk met een leger in een soort nieuwe kruistocht de Ottomaanse opmars een halt toe te roepen. Maar die poging faalde jammerlijk. Het christelijke leger werd in 1396 verslagen door de Ottomanen van Bayezid I in Nicopolis. In 1453 viel ten slotte ook Constantinopel en het Byzantijnse rijk. En ook in de moslimwereld werden de Ottomanen heer en meester. In 1516 en 1517 versloeg Sultan Selim I de Mamelukken die heersten over Egypte en Syrië en maakte zo de weg vrij voor de verdere verovering van Noord-Afrika tot in Algiers. De Ottomaanse sultans werden daardoor de onbetwiste heersers in de moslimwereld  van de Balkan tot Algiers en omdat ze ook de heilige steden Mekka en Medina op het Arabische schiereiland hadden veroverd werd de volgende sultan, Süleyman I de nieuwe kalief, de opperste religieuze leider en opvolger van de profeet, in plaats van de kalief van Caïro, waardoor het religieuze gezag van Caïro naar Constantinopel verhuisde. Op het toppunt van zijn macht stond sultan Süleyman I in 1529 zelfs voor de poorten van Wenen.  Maar hoewel de Oostenrijkers qua getalsterkte in de minderheid waren,  wisten ze het beleg in een uitputtingsslag te doorstaan dankzij hun betere artillerie en het gebruik van haakbussen kon Ferdinand I, broer van Keizer Karel, de stad redden. Maar in 1541 veroverden de Ottomanen wel Boedapest en een deel van Hongarije, dat 150 jaar onder Ottomaanse heerschappij zou blijven. De Europese vorsten waren niet meteen geneigd om gezamenlijk een vuist te maken tegen de ‘invasie van de Moslims’ , aangezien ze onder elkaar oorlog voerden.

Kalief Süleyman I van het Ottomaanse Rijk

Karel V en François I (Frans I) van Frankrijk waren en bleven gezworen vijanden tot op het einde van hun leven. Toen Frans I aanspraak maakte op Milaan, trok Karel tegen hem ten oorlog en versloeg de Fransen in 1525 in Pavia en nam Frans I gevangen. Paus Clemens VII bouwde een alliantie (Frankrijk, Milaan, Venetië en Florence) tegen de keizer omdat hij vond dat diens greep op Italië te sterk werd, maar die was militair geen partij voor de keizer en moest toezien hoe de troepen van Karel V in 1527 in Rome aan het plunderen sloegenFrançois I sloot in 1542  zelfs een verbond met sultan Süleyman I om Karel V in het nauw te drijven. De samenwerking met de Ottomanen ging zelfs zover dat Frans I in zijn oorlog tegen Genua, bondgenoot van Karel V, de Turkse vloot inzette die voor anker lag in Marseille. 

Na de val van Constantinopel in 1453 verloor  Genua gaandeweg zijn hele handel in de Oostelijke Middellandse Zee. Daarom ging het zich toeleggen op handel met Spaanse en Portugese havens en Noord-Afrikaanse handelsposten. De Habsburgers werden de nieuwe bondgenoten en de rijke Genovese bankiers leenden hen het geld voor hun dure oorlogen, terwijl de steden in Spanje, Duitsland en de Nederlanden de belastingen moesten innen om die leningen terug te betalen. Onnodig te zeggen dat dit systeem vaak tot opstanden leidde. Het Spanje van de Habsburgers was sinds de ontdekking van Amerika door Christoffel Colombus veel meer geïnteresseerd in handel met zijn nieuwe koloniën aan de overkant van de Atlantische Oceaan dan in de strijd tegen de Ottomanen. De plundering van het Aztekenrijk en Incarijk door Conquistadores zoals Hernan Cortez en Francisco Pizzaro moest de aanvoer van goud en zilver verzekeren om de dure oorlogen te betalen die Karel V voerde.

Ook Venetië leed onder de groeiende macht van de Ottomanen. In de 15de eeuw was de Venetiaanse Republiek nog de grootste zeemogendheid van de Middellandse Zee. Het had handelsposten en nederzettingen langs de kusten van de Adriatische Zee, op de Italiaanse kust in Puglia, aan de overkant in Dalmatië en Albanië en verder op de Griekse kusten, op Kreta  en in de Egeïsche Zee. En via de zeeëngte van de Bosporus kon het naar zijn handelsposten langs de Zwarte Zee. Maar in gewapende confrontaties tegen de Ottomanen ging de ene nederzetting na de andere verloren. Eerst was het de beurt aan Thessaloniki, daarna de Albanese en Griekse nederzettingen.

 

De Moorse piraten Oruç en Haireddin Barbarossa

Moorse piraterij bedreigt Italiaanse kusten

Karel V had de handen vol met zijn strijd tegen Frankrijk in Noord-Italië en vertoonde zich nauwelijks op Sicilië. Bovendien was het eiland al een tijd zijn rol kwijt als ankerplaats van de handel op de Middellandse Zee. Op Sicilië was alleen Messina nog een tussenstop op de handelsroutes van de Venetianen en de Genovezen. Maar schepen die de haven verlieten moesten op hun hoede zijn, want de piratenschepen waren overal. Zelfs overvallen op kuststeden waren niet ongewoon. Dan werden de bewoners meegenomen en als slaaf verkocht. De meest beruchte piraten van de 16de eeuw in de westelijke Middellandse Zee waren de broers  Oruç en Hayreddin Barbarossa die opereerden vanuit Tunis  en het eiland Djerba voor de Tunesische kust. Zij terroriseerden niet alleen de Siciliaanse en Italiaanse kusten met raids op Reggio Calabria en Capo Passero, maar kaapten ook Genovese galleien voor de Ligurische kust. De buit die zij verzamelden trok allerlei gelukszoekers uit Europa aan: uit Spanje verbannen Joden en Moslims en christenen uit Constantinopel die niet onder het sultanaat wilden leven.  Toen de emir van Algiers Oruç om hulp vroeg bij een belegering door Spanjaarden, doodde deze de emir, die hij verdacht van samenzwering met de Spanjaarden. Hij riep zichzelf tot sultan van Algiers uit, maar zou later Algiers overdragen aan de sultan van Constantinopel in ruil voor diens bescherming tegen de aanvallen van de Spaanse marine. Een poging van de Spanjaarden om in 1516 de broers uit Algiers te verdrijven mislukte jammerlijk. Tijdens het beleg van Tlemçen sneuvelde Oruç echter en nam zijn broer Hayreddin het roer over. Tussen 1520 en 1530 voerde Hayreddin  voortdurend raids uit op de Italiaanse en Spaanse kusten, bombardeerde hij Napels en nam er meer dan 7000 mannen gevangen. Hij plunderde Capri en Procida, landde zelfs bij de monding van de Tiber in de omgeving van Rome en plunderde Fondi en Sperlonga. Het hield maar niet op. Het antwoord van Karel V liet niet lang op zich wachten. Hij ondernam een succesvolle militaire expeditie naar Tunis in 1535, maar Barbarossa was inmiddels al uitgeweken naar Algiers. Hij liet ook op de Siciliaanse kust forten bouwen met uitkijkposten. 

De blijde intrede van Karel V in Palermo

Op de terugweg van Tunis landde de keizer in Trapani en bezocht enkele dagen later Palermo, waar hij onder de Porta Nuova zijn blijde intrede deed. Hij bleef er een maand, nam deel aan een zitting van het parlement en woonde missen bij in de kathedraal en luisterde met zijn aanwezigheid enkele festiviteiten op, hetgeen zijn populariteit ten goede kwam. 

Maar het is tekenend dat hij op de terugweg niet langs de kustweg naar Messina reisde, maar door het bergachtige binnenland. Het kustgebied was immers te onveilig. De piraten waren immers allesbehalve verslagen.  In 1538 versloeg Barbarossa met zijn Ottomaanse vloot in Preveza de ‘Heilige Liga’, een vloot onder leiding van de Genovees Adrea Doria die bestond uit Habsburgse, Genovese, Venetiaanse, Maltese en Pauselijke schepen.

Het Ottomaanse overwicht op de Middellandse Zee zou pas een ernstige klap krijgen bij de Slag van Lepanto, 32 jaar later in 1570, toen een vloot van diezelfde Heilige Alliantie met een overwicht aan Venetiaanse galeien vertrok uit Messina onder leiding van Johan van Oostenrijk, halfbroer van de toenmalige koning van Spanje, Napels en Sicilië, Filips II.  De confrontatie had plaats in de Golf van Korinthe, die het Griekse vasteland van de Peloponnesos scheidt. De christenen waren in het voordeel doordat ze over meer kanonnen beschikten en over betere vuurwapens. Ze vernietigden de Ottomaanse vloot. Maar die slag was geen keerpunt, veeleer een afbakening van invloedzones. De Ottomanen controleerden de oostelijke Middellandse Zee, de Spanjaarden en Italianen de westelijke Middellandse Zee. De Venetianen hadden geen andere keus dan te onderhandelen met de Ottomanen om hun handelsposten  oostwaarts te handhaven.

Paolo Veronese, de Slag bij Lepanto, 1572

Quattro Canti

Wie op het stadsplan van Palermo een middelpunt zoekt als vertrekpunt om zich te oriënteren kan het best op zoek gaan naar de Quattro Canti, de piazza waar ik nu voorbij kom en waar de via Maqueda en de Corso Vittorio Emmanuele elkaar kruisen.  Hier kijken vier palazzi op de vier straathoeken van het kruispunt op elkaar uit. De gevels vande palazzi zijn concaaf en zijn bijna elkaars spiegelbeeld De vier fonteinen onderaan stellen de vier rivieren van de oude stad voor: de Oreto, de Kemonia, de Papireto en de Pannaria. De allegorische beelden boven de fonteinen stellen de vier seizoenen voor. In de nissen op de eerste verdieping  staan vier Spaanse koningen afgebeeld: Keizer Karel V en Filips II, III en IV. En helemaal bovenaan staan de vier heiligen van Palermo afgebeeld: Santa Agatha, Santa Ninfa, Santa Oliva en Santa Cristina, met boven de kroonlijst een wapenschild. De beelden staan tussen twee zuilen die ook nog eens van stijl veranderen per verdiep: van Dorisch over Ionisch tot Korinthisch.  De Quattro Canti was ook het punt waar de vier oude stadsdistricten elkaar raakten: de Kalsa, de Seralcadio, de Loggia en de Albergheria. De architect van deze palazzi was een Florentijn, namelijk Giulio Lasso. 

De vier koningen die op de Canti staan afgebeeld zijn de eerste Habsburgse heersers over Sicilië. Keizer Karel erfde het eiland van Ferdinand II, die meer begaan was met de eenmaking van Spanje dan met zijn regeerwerk in Sicilië. Onder Karel verbeterde de verwaarlozing van het eiland er niet op. De keizer zelf kwam pas 20 jaar na zijn kroning een eerste bezoek brengen aan Sicilië. Begrijpelijk want in zijn rijk 'ging de zon nooit onder'. Het omvatte het Heilig Roomse Rijk tot in Polen en Oostenrijk, De lage landen, grote delen van Italië, Spanje en de Nieuwe Wereld. Keizer Karels nalatenschap aan Sicilië bestond hoofdzakelijk uit een aantal versterkte vestingen, die hij liet bouwen tegen mogelijke invallen van Ottomanen en piraten. Hij liet bij zijn dood zijn bezittingen in Spanje, de lage landen, Bourgondië en Italië over aan zijn zoon Filips II, terwijl diens broer Ferdinand de keizerskroon en de Oostenrijkse bezittingen kreeg. Van de Habsburgers die Karel opvolgden zette er niet één een voet op Siciliaanse bodem.   

Onderkoningen en baronnen

Keizer Karel en zijn opvolgers lieten Sicilië besturen door onderkoningen (Virreys). Een van hen was Juan Fernandez Pacheco de Villena. Hij liet de piazza van de Quattro Canti aanleggen, die in 1620 klaar was. De zestiende en zeventiende eeuw waren eeuwen van economisch verval, sociale spanningen, rebellie en daar deden de Habsburgers weinig aan. Niet alleen legde de zeeroverij de activiteit in de havens stil, ook de landbouw leed onder verouderde productiewijzen, te extensieve monocultuur van graan en feodale verhoudingen, die de armste boeren in een armzalig bestaan stortten en bij tegenvallende oogsten zelfs honger leden. In het parlement in Palermo waren weliswaar de steden en de clerus vertegenwoordigd, maar had de landadel de meerderheid omdat ze soms tienvoudig tot twintigvoudig stemrecht hadden naargelang het aantal fiefs of lenen dat ze bezaten. In dat  parlement waren ze er vooral op uit om hun privileges te behouden en hun landeigendom uit te breiden en op hun territorium waren ze heer en meester, organiseerden lokale rechtspraak en stelden de eigen ambtenaren aan.  Daarnaast deelden de vreemde Spaanse heersers vaak ook nog eens land uit om tijdelijk gemor bij de baronnen te sussen.  

Een gevel van de Quattro Canti,gebouwd ter ere van vier Habsburgse heersers over Sicilië (1620)

Na Philips III en  IV zou er nog 1 Habsburger regeren: Karel II, die in 1700 kinderloos stierf en Philippe V, hertog van Anjou en tevens kleinzoon van de Franse zonnekoning Louis XIV aanwees als erfgenaam in Spanje, Sicilië en Napels. De feitelijke macht over Spanje en het voormalige Spaans-Habsburgse Rijk lag daardoor bij Lodewijk XIV, een Bourbon.

De Oostenrijkse Habsburger en Keizer van het Heilig Roomse Rijk, Leopold I, die erin geslaagd was om de Ottomanen uit Hongarije te verdrijven, besefte dat de Zonnekoning teveel macht naar zich aan het toe trekken was in Europa en smeedde een verbond met Engeland, De Nederlandse Republiek en Pruisen om de Spaanse kroon op te eisen. Hij schoof aartshertog Karel, de latere Karel VI van Oostenrijk naar voren als kandidaat voor de Spaanse kroon. De Spaanse successieoorlog brak uit. Beide kampen raakten verschillende keren slaags in de Zuidelijke Nederlanden, onder andere in Wijnendale en Oudenaarde, in de Canadese koloniën en in het Italiaanse Piëmonte. Met de Vrede van Utrecht in 1713 werd na ruim een decennium oorlog eindelijk een vergelijk gevonden. Philippe V mocht Spanje behouden, maar moest verzaken aan de Franse troon. Karel VI van Oostenrijk, de  jongste zoon van Leopold I en troonopvolger na de dood van zijn broer Jozef I, kreeg als compensatie de Zuidelijke Nederlanden. Groot-Brittannië kreeg grote delen van de Franse koloniale gebieden in Canada en Gibraltar en het koninkrijk Sicilië werd toegewezen aan de hertog van Savoie, Victor Amadeus II,  die de kant van de Grote Alliantie had gekozen tegen Lodewijk XIV, maar daarna van kamp had gewisseld. Filips V van Spanje aanvaardde het verlies van Sardinië niet, maar Savoie kon met de militaire hulp van de Oostenrijkers Sicilië behouden.  Met het Verdrag van Den Haag (1720) moest hertog Victor Amadeus II Sicilië wel ruilen voor het koninkrijk Sardinië en kwam Sicilië in bezit van de Oostenrijkse Habsburgers. Het koninkrijk Sardinië werd koninkrijk Piëmont-Sardinië genoemd en het bestond uit Savoie, Piëmont, het Aostadal, Nice en Sardinië. Uiteindelijk zou Karel V, zoon van Philippe V van Bourbon na verschillende machtswissels zowel Napels als Sicilië weer in één koninkrijk verenigen. Karel V verbleef in Napels, liet vlakbij in Caserta het koninklijk paleis bouwen, dat geïnspireerd was op Versailles en hij stimuleerde de handel.

Philippe V van Anjou, de eerste Bourbon die regeert over Napels en Sicilië

Na het bezoek van Karel V aan Sicilië in 1535 tot de dood van de laatste Spaanse Habsburger in 1700, vertoonde geen enkele Spaanse koning zich nog op Sicilië.

De economie op het eiland ging bergaf. Niet alleen legde de zeeroverij de activiteit in de havens stil, ook de landbouw leed onder verouderde productiewijzen, te extensieve monocultuur van graan en feodale verhoudingen, die de armste boeren in een armzalig bestaan stortten, bij tegenvallende oogsten zelfs honger leden. In dat parlement waren ook de steden vertegenwoordigd en de clerus, maar had de landadel de meerderheid omdat ze soms tienvoudig tot twintigvoudig stemrecht hadden naargelang het aantal fiefs of lenen dat ze bezaten. In dat  parlement waren ze er vooral op uit om hun privileges te behouden en hun landeigendom uit te breiden en op hun territorium waren ze heer en meester, organiseerden lokale rechtspraak en stelden de eigen ambtenaren aan.  Daarnaast deelden de vreemde Spaanse heersers vaak ook nog eens land uit om tijdelijk gemor bij de baronnen te sussen.  Het beheer over hun domeinen en landerijen lieten deze landeigenaars over aan de zogenaam

Een vrijdagavond rond de Maqueda

Maar eerst de drukke vrijdagavond nog doorkomen. Het weekend begint en de stad tussen de Maqueda en de Via Roma bruist met stromen voetgangers die laveren tussen terrassen en de toeristen in open paardenkoetsen. Het ritmisch gekletter van de hoeven op de plaveien weergalmt boven het vocale geroezemoes. Ik laat me meevoeren in de dichte drommen doorheen de Maqueda en sla dan rechtsaf, richting zee, langs de Via Venezia tot aan de Via Roma, een brede laan met autoverkeer en verkeerslichten op elke straathoek. Aan de overkant van de Via Roma staat op een verhoogd platform de mooie dertiende-eeuwse Chiesa di Sant’ Antonio Abate met de standbeelden van Petrus en Paulus naast de hoofdingang, gotische spitsbogen boven de vensters en zijportalen op de voorgevel en rechts, ervan afgescheiden, een verweerde klokkentoren. 

Chiesa di Sant'Antonio Abate

Een bonkend, aanzwellend lawijt maakt me nieuwsgierig. Links van het kerkje leidt een trap neerwaarts naar het labyrinth van steegjes rond de Mercato della Vichurria, een openluchtmarkt die kan wedijveren met de Mercato del Capo. Midden op het plein staat een immense dj-set met draaitafels oorverdovende techno de stad in te pompen. Een biertje of een wijntje bestellen is vanwege het geluidsvolume onmogelijk, laat staan een gesprek voeren. De dreun van de bassen voel ik in mijn ingewanden. En toch stikt het hier van het volk en wie in deze dichtbevolkte woonwijk wat vroeg wou gaan slapen, was eraan voor de moeite. De Gentse feesten op zijn Palermitaans, maar dan veel luider?

Een eindje verderop slenterend, richting zee, vind ik de rust terug in straatjes waar weinig toeristen komen, waar de piazza’s verlaten zijn en vol auto’s staan. Hier en daar een trattoria van de woonwijk of een muziekcafé voor het hippe volkje dat de drukte rond de Maqueda evenzeer mijdt als ikzelf. In één zo’n muziekcafé annex snackbar bestel ik me een bord gnocchi en een salade en sla een praatje met een oude, wat verlopen Siciliaan, die naar eigen zeggen gepensioneerd was. Hij begon als visser en eindigde als ‘mechanico’ op een cruiser, betaalt 350 euro voor een studio op het gelijkvloers in een woonblok en trekt een pensioen van 850 euro. Blijft over 500 euro om van te leven per maand. Dat lukt net, vertelt hij me, maar hopelijke word ik niet ziek. Familie heeft hij wel, maar die leeft in Catania. Hij is een Europese burger, net als ikzelf en werkte een flink stuk van zijn leven en toch is het inkomensverschil immens. Mijn schuldgevoel knaagt en ik betaal hem een biertje, voor ik vertrek. Hij bedankt me.