Dinsdag 21 september: Villamar-Ghilarza

Het is dinsdag en de volgende twee dagen heb ik lange ritten gepland, 90 km gemiddeld. Het oorspronkelijke plan was immers: op vier dagen van Zuid- naar Noord-Sardinië, waar ik  in Olbia de veerboot naar het Italiaanse vasteland wil nemen. Eenvoudig wordt dat niet, want verder noordwaarts kom ik in een bergachtig gebied terecht met grotere niveauverschillen en meer hoogtemeters.

De prehistorische Nuraghe-cultuur

Villamar ligt middenin een streek waar tientallen Nuraghe in het landschap verrijzen. Nuraghe zijn torens van opeengestapelde stenen die dateren uit het bronzen tijdperk. Ze werden gebouwd door een volk dat hier al leefde lang voor de Feniciërs nederzettingen begonnen op te trekken op het eiland. Archeologen spreken bijgevolg van een Nuraghe-tijdperk dat dateert van de 18de eeuw voor Christus tot 200 voor Christus. Algemeen wordt aangenomen dat met de invallen van de Feniciërs het Nuraghevolk van de kust naar het binnenland trok en de cultuur onder de Feniciërs en de Romeinen hier bleef overleven. Sommige van deze Nuraghe zijn twintig meter hoog en bevatten gewelfde kamers die als een soort erker tegen de toren zijn aangebouwd. Rond sommige Nuraghe zijn zelfs volledige dorpen opgetrokken. Nergens is dat beter zichtbaar dan in de Su Nuraxi di Barumini, die in de jaren 1950 werd blootgelegd door de Sardische archeoloog Giovanni Lilliu en inmiddels Unesco World Heritage is. Barumini ligt 12 kilometers ten noordwesten van Villamar en ik moet maar een kleine omweg maken om daarna terug op mijn uitgestippelde route noordwaarts uit te komen langs de SP35. Su Nuraxi werd rond 1350 voor Christus gebouwd en zou tot de derde eeuw voor Christus bewoond gebleven zijn. De Nuraghe stond in voor de verdediging van zijn bewoners. Hij was oorspronkelijk 18,6 meter hoog en heeft een kegelvormig dak, de zogenaamde tholostoren. In het hoogste gedeelte van het bouwwerk zijn de gestapelde basaltstenen kleiner. De toren is gebouwd over een binnenplaats met een waterput en bevat drie boven elkaar liggende kamers die onderling verbonden zijn door een trap. Errond werden in een latere fase vier torens met schietgaten gebouwd die onderling verbonden zijn door een muur. In de Late Bronstijd 1100-800 voor Chr. werden de huizen van het dorp gebouwd, waarvan alleen de cirkelvormige funderingen zijn overgebleven. Er is ook een centraal raadhuis zichtbaar met een cirkelvormige stenen bank, waar religieuze rituelen plaatsvonden.  Contact met de Fenicische cultuur had plaats in de 5de eeuw voor Christus, al een eind in de IJzertijd.

 

Su Nuraxi di Barumini, 'Raadhuis', Sardinië

Over heel Sardinië liggen niet minder dan 7000 van deze Nuraghe verspreid. Om de haverklap kom je bordjes met verwijzingen naar Nuraghe tegen langs de wegen van centraal Sardinië.  Ik breng een blitzbezoek aan  Su Nuraxi en ik blijf zitten met hetzelfde gevoel als in Mykene op de Griekse Pelopponesos, dat rond dezelfde tijd is gebouwd: stenen muren, gangen, fundamenten, kleine tunneltjes: hier heeft een bezoeker heel veel verbeelding nodig om zich een voorstelling te maken van hoe deze prehistorische gemeenschap leefde. Op Sardinië waren heel veel mineralen voorhanden en het Nuraghevolk telde vele bedreven ambachtslui. Er werden meer dan 500 bronzen beeldjes van krijgers en stamhoofden gevonden op de sites, die getuigen van hun vakmanschap.  

Parco della Giara

Veel langer op de site blijven kan ik niet, want de rit van vandaag is lang. Ik rijd nu westwaarts op de SP5 naar Tuili. Bij dit dorpje bevindt zich een ingang en een bezoekerscentrum van het Parco della Giara. Het park ligt ten noorden van het dorp op een ruig basaltplateau,  waar in en rond de moerassen en ‘Pauli’, natuurlijke drinkpoelen, unieke flora als orchideeën, bloemsoorten en wilde kruiden groeien. Dit gebied is het territorium van de unieke Giara-paarden, de zogenaamde Cavallini della Giara, die hier in het wild leven en goed herkenbaar zijn aan hun lange manen. Met de vele Nuraghe waardoor het is omgeven heeft het een aura van oeroude ongereptheid.

 

Parco della Giara, Cavallini

Aangekomen op de SP46 rammelt mijn maag alweer. Daarom sla ik linksaf naar Ussuramanna, dat zo’n 500 meter zuidwaarts ligt en hoop dat ik voedsel vind.  Daar aangekomen trekken enkele muurschilderingen mijn aandacht.

 

Muurschilderingen, volkskunst in de dorpen

 In één ervan staat op een enorme witte muur een landelijk tafereel geschilderd van een ossenspan dat het land omploegt, van een boer die het koren dorst met een dorsvlegel en van een jongen die turf in plakken snijdt. Het lijkt bijna sociaal realisme uit het communistisch tijdperk. Even verderop kijkt een oud vrouwtje me toe terwijl haar armen leunen op een raamkozijn, maar dat is natuurlijk optische illusie. Er is helemaal geen raam, alleen een muurschilderij. In een heel andere stijl staat de heilige maagd afgebeeld met geharnaste ridders en wapenschilden aan haar voeten. Alle stijlen lopen hier door elkaar, maar centraal lijkt toch het thema van hoe de voorouderlijke plattelandsgemeenschap in haar levensonderhoud voorzag. Ik had al muurschilderingen gezien in Villamar, Pimentel en Samantzai, maar nu wordt me steeds duidelijker dat het een zeer verspreid fenomeen is in Sardinië. Het heeft zijn oorsprong in de jaren zestig van de vorige eeuw, toen Dioniso, een anarchistisch collectief aan de slag ging met muurschilderingen in Orgoloso, nu een vrij bekend dorp in Barbagia, Na Dionisos kwamen andere kunstenaarscollectieven zich uitleven in Orgoloso en werd het een toeristische pleisterplaats. Momenteel telt het dorp een honderdvijftigtal muurschilderingen, niet alleen op blinde muren, maar ook op de voorgevels van huizen.

Het politieke activisme van de jaren zeventig gaf de voorkeur aan de uitbeelding van sociaal protest, aan de klassenstrijd van de arme boeren voor een menselijker bestaan, aan het harde leven van herders enz. In San Sperate meer naar het zuiden gebeurde rond die tijd iets gelijkaardigs. Daar begon Pinuccio Sciola met muurschilderingen en toverde het Zuid-Sardische dorp om in een openluchtmuseum.

Het is niet altijd grote kunst, maar de muurschilderingen zijn wel een uiting van een soort collectief plattelandsgeheugen, dat geworteld is in authentieke tradities, maar ook in sociale strijd. Puur Sardisch is dat niet, want de eerste muurschilderingen zijn ook de uitdrukking van de tijdsgeest in de jaren zeventig, van bevrijding uit de onderdrukking, van strijd en solidariteit over de grenzen heen. De jaren zeventig waren de tijd van de bevrijding uit de dictaturen van Franco in Spanje, die van Salazar in Portugal (de anjerrevolutie) in 1974 en het einde van het Kolonelsregime in Griekenland in datzelfde jaar en die tijdsgeest zit in de schilderijen ingebakken. Enkele decennia later begon Giorgio Casu in San Gavino Monreale, ook in de zuiwestelijke Campidano-regio, in zijn eigen unieke stijl ook de muren te beschilderen. Vandaag telt het dorp er 41. 

Tegenwoordig zijn de thema’s en de stijlen waarin wordt geschilderd heel divers van comic tot poster stijl (pop art), graffiti art (banksys) tot hyperrealisme, naïef primitivisme en expressionisme. En dat blijkt hier ook in Ussuramanna.

 

Bier

Ik maak van de gelegenheid gebruik om de enige plaatselijke bar te bezoeken voor een koffie en een broodje en ook hier weer valt het me op: de Sarden drinken bier en veel bier. Het is 13 uur en het geluidsvolume van de conversaties verraadt dat hier al wat alcohol heeft gevloeid. In Italiaanse bars is dat op dit uur toch niet denkbaar, overvalt me de gedachte. Drinken Sarden dan zoveel meer bier dan de Italianen van het vasteland? Jazeker. Gemiddeld drinken ze 60 liter bier per persoon per jaar, dat is het dubbele van de Italianen. En niet zomaar om het even welk bier.  Ichnazu is het lokaal gebrouwen bier en is er razend populair.

 

Noordwaarts

Na een copieus belegd broodje en nadat ik mijn drinkfles heb gevuld, vervolg ik mijn weg naar Gonnosno, Albagiara en Escovedu en neem me voor om de verloren tijd in te halen. In een trek rij ik langs de hoogvlakte van de Giara Gesturi en het Parco della Giara door naar Escovedu langs de SP 35. 

Er staat een sterke noordwestenwind, de mistral, en die maakt het fietsen knap lastig op mijn route noordwaarts. Vanaf Escovedu neem ik de SS442 naar het oosten en sla dan terug linksaf naar de SP36 en 37 naar Ruinas. Vanaf Villa Sant Antonio gaat het ook nog eens afwisselend bergop/bergaf.  Borden met aanwijzingen naar Nuraghes vind je hier overal: Nughare Sadurru, Maghia Sattaina, Candeli, Mandara, Su Senzu, Emauru, Siorus, Terre Morte en ga zo maar door. Twee andere fenomenen die getuigen van prehistorische cultuur zijn de zogenaamde Tombe dei Giganti (graven van de reuzen) en de Domus de Janas. Een zo'n tomba, de Tomba Sa Domu e S'Orcu bevindt zich 5 km oostwaarts vanuit Ussuramanna.

Tomba sa Domu e S'Orcu, megalitische begraafplaats  vlakbij Ussuramanna, luchtfoto: Luca Arrai 

Tombe dei Giganti

De Tombe dei Giganti zijn megalitische graven uit de bronstijd, die net als de Nughare het meest voorkomen in dit centrale deel van het eiland, vooral in de vallei tussen de Monti del Gennargentu en de bergen in het noordwesten. De graven van de reuzen bestaan meestal uit grafkamers van soms 30 meter lang en 3 meter hoog die overdekt zijn door een grafheuvel, meestal in de vorm van een omgekeerde boot. De voorkant van het graf bestaat uit een halve cirkel waarvan beide uiteinden lijken op de hoorns van een stier. In het midden staat er een grafsteen (een stèle) van soms wel 4 meter hoog met een kleine opening onderaan die wordt afgesloten door een rots. De volkse oorsprong van de benaming heeft uiteraard met de reusachtige omvang van deze graven te maken. Maar in werkelijkheid waren het collectieve begraafplaatsen waar de skeletten van de overledenen van de clan of de stam werden gedeponeerd nadat het vlees ervan werd afgestroopt. 

De mediterrane Stierencultus

De voorkant van het graf in de vorm van een stierekop zou in verband worden gebracht met een rite voor de stierengod. Het Middellandse Zeegebied heeft tal van stierencultussen voortgebracht. Kreta kende zijn koning Minos, de zoon van de godin Europa en Zeus, die verliefd op haar was en haar vermomd als een witte stier schaakte en verkrachtte. De vrouw van koning Minos, Pasiphae werd verliefd op een stier en baarde de Minotaurus, half man, half stier die zich voedde met mensenvlees en omdat hij daardoor veel te gevaarlijk werd in een labyrinth werd opgesloten. De Egyptenaren hadden de heilig stier Mnevis met een zonneschijf tusssen zijn horens, die symbool stond voor de mannelijke vruchtbaarheid. De Assyriërs hadden een gevleugelde stier met een koningshoofd. Ook bij de oude Sarden was de stierenkop symbool voor de mannelijke godheid.

Domus de Janas

Men vindt de afbeelding van de stierenkop of stierenhorens ook terug in de zogenaamde Domus de Janas (Huizen van de Heksen/Feeën). Dat zijn ook grafkamers die  echter uit de rotsen zijn gehouwen, zij worden in het volkse bijgeloof als huizen van heksen of feeën omschreven, maar stammen uit het Neolithicum, de kopertijd en de vroege bronstijd (3400-2700 voor Christus). De muren zijn vaak versierd met spiralen en stierenhorens. De spiralen zouden de vrouwelijke godheid symboliseren. 

Vlakbij Villa Sant Antonio  pal op mijn fietsroute is de necropolis met 14 Domus de Janas van Genna Salixi gelegen. De grafkamers zijn uit een gigantische kalksteenrots gehouwen en bevatten alle een soort voorkamer en een ronde hoofdkamer. Vanop afstand lijkt het wel een grote bunker met schietgaten voor artillerie die hier beschut tussen maquis, cactussen en bruin gras ligt. 

 

 

Domus de Jana (grafkamers in de rotsen), Genna Salixi bij  Villa San Antonio

Ruinas

Het is fors klimmen naar Ruinas dat op 360 meter ligt. Gelukkig is het niet zo warm als gisteren. Als ik er aankom is er alweer een drukte van jewelste aan de gang in een bar van het dorp en vloeit het bier er weer overvloedig. Zo onitaliaans, vind ik. Espresso’s en gelati in de namiddag, dat is wat ik me voorstel van een bar om 16 uur in Italië, geen bier. Ik sla twee broodjes in en een grote fles spuitwater en neem plaats op een zitbank onder een cipres aan de overkant van de weg, waar ik op mijn I-pad een kamer in een b&b boek in Ghilarza. Minstens twee van de vier mannen die naar buiten komen om een sigaretje te roken, zien er flink beschonken uit. Mijn beeld van de sobere Sard, die gezond eet in een gezonde omgeving en die 100 jaar wordt, ligt even aan flarden.

Brug over de Fiume Tirso

Langs de Tirso

Ik rij verder langs de SP36 naar de vallei van de Fiume Tirso, een afdaling van 280 meter. Bij een betonnen brug over de rivier hou ik halt. De vallei is hier een diep uitgesneden kloof met gigantische steile kliffen van kalksteen die als een muur elke doorgang rechtdoor afsnijden. De weg over de brug volgt westwaarts de rivier naar Allai. Even verderop rij ik de Strada Statale 388 op om de Tirso over te steken, die hier een klein meer geworden is.  Vanop de brug heb ik een zicht op de Diga Eleonara d’Arborea, een stuwdam die stroomafwaarts het grootste stuwmeer van Sardinië heeft gevormd, het Lago di Omodeo. Ik vervolg mijn weg op de 388 die de loop van de Tirso volgt. Enkele kilometers verder stroomopwaarts is nog een stuwdam in de Tirso gebouwd, de diga di Pranu Antoni. Even verderop kom ik bij Fordongiani,  dat in een bocht aan de overkant  van de Tirso ligt. Ik wil het stadje absoluut een bezoekje brengen om een blik te werpen op de Romeinse Termen die hier zo goed bewaard gebleven zijn. 

De termen van Forum Traiani

Fordongiani toont hoe ingenieus de Romeinen met waterbeheer wisten om te gaan. De nederzetting bestond al in de eerste eeuw voor Christus en  luisterde oorspronkelijk naar de naam Acque Hypsitanae vanwege de warmwaterbronnen die men hier aantrof. Ze bevond zich strategisch zowat halfweg de heirweg die liep van Caralis naar Turris Libisonis (het huidige Porto Torres) op een plaats waar de Tirso gemakkelijk kon worden overgestoken. De nederzetting werd tot de rang van Forum verheven onder keizer Traianus en werd een belangrijk commercieel en administratief centrum. Later, in de vijfde eeuw werd de plaats een Oppidum, een versterkte stad met een verdedigingsmuur eromheen.  

Ik las nog snel een blitzbezoekje in bij valavond. De termen maakten deel uit van de Romeinse stad Forum Traiani. Het eerste badhuis werd gebouwd in de eerste eeuw na Christus, toen de stad al het statuut van een Forum had. Het maakte gebruik van een warmwaterbron die water van 54° laat opwellen. Het tweede complex werd twee eeuwen later gebouwd en had meer weg van een Arabische hammam met kamers die varieerden van warm, lauw naar koud water (calidarium, tepidarium en frigidarium genaamd). Het water werd aangevoerd via  een aquaduct of kwam van bronnen en waterputten stroomopwaarts door een ingewikkeld systeem van kanaaltjes. Het hele complex werd gebouwd in trachiet, een vulkanisch gesteente dat overvloedig aanwezig is in de bergen van het noordwesten. De termen keken uit op een groot geplaveid plein dat omgeven was door kleinere kamers. 

 

 

De termen van Fordongianus,  Sardinië

Het is kwart voor zeven als ik weer op mijn fiets spring. Mij rest nog 18 km langs de SP23 naar Ghilarza. Best haalbaar op een uur tijd, zou je denken, maar dat is buiten de hoogtemeters gerekend. Ghilarza ligt op een plateau meer dan 300 meter boven de zeespiegel en hier in de diepe vallei van de Tirso in Fondongianus zit ik op nauwelijks 50 meter. Ik ben de vallei in gereden, nu moet ik er weer uit aan de overkant. Onoverkomelijk is dat niet, maar die 75 kilometer op de teller hebben danig hun tol geëist. Dansend klimmen dan maar. Met zware benen sleur ik mezelf en de fietstassen hogerop in een trage kadans tot ik te fel begin te hijgen en weer moet gaan zitten. Wanneer het weer vlakker wordt kan ik nog net genieten van de ondergaande zon, die verdwijnt achter de glooiingen van het plateau. De laatste helft van de rit voltooi ik op een rustig tempo in het halfduister tussen de grillige silhouetten van kurk- en steeneiken. Sporadisch blaft hier en daar een hond en weerklinkt de schrille langgerekte kreet van een uil.

Ghilarza

Wanneer ik Ghilarza binnenrij, is het even wennen aan het felle straatlicht. Het is negen uur wanneer ik bij mijn b&b aankom. Mijn gastvrouw spreekt naar Sardische normen ongewoon klaar en duidelijk verstaanbaar Italiaans. Het is al vlug duidelijk waarom, ze is afkomstig van Turijn. Ze praat honderduit over alles en nog wat. Voor ik mijn kamer in verdwijn, krijg ik nog vlug alle praktische zaken meegedeeld: de sleutels en de sloten, het warm water, het muggenapparaat enz. Na mijn douche, voor ik de stad in trek, legt ze me uit welk soort bezoekers ze hier vooral over de vloer krijgt: Italianen van het vasteland die hier meerdaagse trektochten te voet of te paard maken in de ongerepte natuur van het dunbevolkte binnenland. Paardrijden is in Sardinië bijzonder populair en maakt deel uit van de Sardische cultuur. Ruiters te paard vind je hier steevast in de plaatselijke folklore en festivals. En ruiterwedstrijden met of zonder zadel hebben in tal van dorpen plaats.  Maneges verhuren paarden voor verschillende dagen met overnachtingen inbegrepen, maar ook reisbureaus doen dat. Slechts af en toe komt hier een fietser voorbij zoals ik. 

Panadas

Ze legt me de weg uit naar een restaurant dat wellicht nog open is op dit late uur. Ik stel vast dat er inderdaad nog wordt opgediend, maar alleen wat nog rest en dat zijn de panadas, opgevulde pasteitjes met varkensvlees in de tomatensaus. Ik vraag een fles water, een glas rode lokale wijn en pane carasau. Dit brood  is hard, krokant en kraakbaar als crackers en moet mijn grootste honger stillen in afwachting dat mijn panadas worden opgediend. Ik zoek intussen even op hoeveel hoogtemeters ik gereden heb: meer dan 1000, stel ik vast. Mijn lijf voelt uitgeput en leeg, maar na de copieuze panadas al wat minder. Terug op mijn kamer val ik als een blok in slaap.