Dinsdag 14 september: Cefalù-Palermo
Mijn zoveelste ontbijt is eens te meer een ontgoocheling. In de keuken liggen alleen wat koekjes in papiertjes gewikkeld. Liever niets dan dit. Ik wil toch eerst een bezoekje brengen aan Cefalù en daar is gelegenheid genoeg voor een degelijk ontbijt. Wanneer ik de kustweg op rij richting Cefalù, ontwaar ik in de verte het silhouet van een zwaar bepakte fietser die mijn richting uit rijdt. Wie anders kan het zijn dan Anish? Inderdaad, breed lachend komt hij zigzaggend op me af gereden op deze drukke weg. Hij heeft dan wel twee opvallend grote achteruitkijkspiegels op zijn stuur laten monteren, maar zo onbezonnen de grapjas uithangen op deze drukke weg, lijkt me toch wat erg riskant. Ik nodig hem uit om mee te rijden naar Cefalù en samen een koffie te drinken, maar hij heeft naar zijn zin te lang geslapen in zijn tent op het strand en wil absoluut vanavond in Palermo komen. Ik dring niet aan.'Ci vediamo in Palermo', zegt hij. Dat denk ik niet. Ik vrees dat dit het ultieme afscheid is, want in een stad van 850.000 zielen loop je mekaar niet zomaar tegen het lijf. 'Stai attenti e guarda il traffico', geef ik hem nog mee. We wisselen ons mailadres uit en hij vertrekt wild zwaaiend, terwijl een twintigtonner hem voorbijraast.
Cefalù is gebouwd om op een ansichtkaart te prijken met zijn twaalfde-eeuwse Duomo aan de voet van een reusachtige rots, de ‘Rocca’, en een middeleeuws stadje eromheen. Het is waarschijnlijk die rots die het plaatsje zijn naam heeft bezorgd. Cefalù komt van het Grieks Kefalè en betekent hoofd.
Piazza del Duomo, Cefalù
De kathedraal van Cefalù
Cefalù beleef je het best vanop de piazza del Duomo met de massieve roestbruine kathedraal tegen het indrukwekkende decor van de kalkstenen Rocca. Bovenop de vierkante torenromp zijn kleinere torens gebouwd met kantelen en daarboven een piramide.
Haar twee robuuste vierkante torens doen enigszins denken aan de minaret van de Koutoubia-moskee in Marrakech, die rond diezelfde tijd is gebouwd. Bovenop de vierkante torenromp zijn kleinere torens gebouwd met kantelen (net zoals op de minaret in Marrakech) en daarboven een piramide (in Marrakech is dat een koepel). Niet verwonderlijk dat ze geldt als een model van de fusie tussen Moorse, Byzantijnse en Romaanse architectuur. De stijl is uniek in zijn soort en komt quasi alleen op Sicilië voor.
De enorme omvang van de kathedraal in basilicavorm en de uitstekende staat waarin ze verkeert is verbazingwekkend als je weet dat ze al in de twaalfde eeuw werd gebouwd. De middenbeuk steekt hoog boven de zijbeuken uit (basilicavorm). Ze wordt gescheiden door zuilen met prachtige Normandische kapitelen die Romaanse boogconstructies dragen. Ook de boogvensters in de torens zijn Romaans. De gevel van de hoofdbeuk die tussen de torens werd opgetrokken bestaat uit een gigantisch zuilenportaal met de hoofdingang (de Porta del Re) en een verdieping met een zogenaamde blinde loggia bovenop een reeks gekruiste bogen. De kathedraal oogt nog indrukwekkender vanop de piazza omdat ze op een hoger platform is gebouwd dat via een trappenpartij toegankelijk is.
Maar het absolute summum van de kathedraal is binnenin te zien: de reuzegrote, uit mozaïeken opgetrokken afbeelding van Christus Pantocrator (Christus de almachtige) tegen een gouden achtergrond in het gewelf van de apsis achter het koor. Terwijl hij, gehuld in een blauwe mantel boven een gouden kleed met de ene hand zegent, houdt hij in zijn andere hand de Heilige Schrift open bij een citaat uit het evangelie volgens Johannes in het Latijn en het Grieks, dat zegt: ‘Ego sum lux….(vertaald: ‘Ik ben het licht van de wereld. Wie mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar in het licht dat leven geeft)’. De titel Pantocrator is afgeleid van het Grieks pantos (‘alles’) en krator (‘hij die over alles heerst’). De Pantocrator is een standaardafbeelding van Christus die op heel wat centrale koepels van de Grieks-Orthodoxe kerken te vinden is. De gouden achtergrond symboliseert het hemels licht, zijn goudkleurig kleed verwijst eveneens naar de hemel en de blauwe mantel naar de aarde, naar zijn menswording. met zijn zegenende hand vormt hij de letters IC, X en nog eens C, het Christusmonogram IC XC. Het kunstwerk in de apsis staat dus helemaal in de Byzantijnse traditie en werd door mozaïekkunstenaars uit Constantinopel vervaardigd.
Onder het gewelf tegen de ronde muur van de apsis staan in drie lijsten van boven naar onder Maria en de vier aartsengelen afgebeeld en daaronder de twaalf apostelen, allen tegen dezelfde schitterende gouden achtergrond. Alle figuren zijn frontaal afgebeeld, een typische Byzantijnse voorstelling.
Aan de noordkant van de kathedraal is in de 12de eeuw ook een klooster gebouwd. Het heeft een prachtige kloostergang, de oudste in zijn soort op Siclië, maar wel flink beschadigd aan zijn oostelijke en noordelijke zuilengang die toegankelijk is voor het publiek (het klooster niet, want het wordt nog steeds bewoond). Het meest bezienswaardig zijn de verfijnde kapitelen van de zuilengalerij die bijbelse verhalen vertellen. De binnentuin is verdeeld in vier delen verwijzend naar de vier boeken van de bijbel: Genesis met zijn vijgenboom, het Hooglied met de granaatappelboom, het Evangelie met de olijfboom en de Apocalyps met de dadelpalm.
Langs de Corso Ruggero
De kathedraal is het absolute pronkstuk van het stadje, maar het heeft nog wel wat meer te bieden. De hele Corso Ruggero die het stadje van zuid naar noord doorkruist heeft op elke strook wel iets bezienswaardigs. Alleen al de trapstegen (zoals de Vicolo Papa) met hun kleurrijke keramieken potten die bergop vanuit de corso naar de Rocca bergop lopen en de vele mini-palmen langs de Corso geven het stadje zijn typische mediterrane charme.
In de Corso bevindt zich vlakbij de Piazza del Duomo een mooie kerk met een opzichtig barok portaal. Dit is de Santo Stefano Protomartire, waar de negentiende-eeuwse baron Mandralisca een sarcofaag heeft. De baron was een groot kunstverzamelaar en liet zijn hele verzameling kunst en boeken aan de stad na, die ze heeft ondergebracht in het Museo Mandralisca. Naast archeologische vondsten als Griekse vazen, bevat ze schilderijen, onder meer van Antonello di Messina. Ook op de Corso bevindt zich het Osterio Magno, een middeleeuws palazzo van de familie Ventimiglia, die ooit de residentie van koning Ruggero moet geweest zijn. Het meest opvallende gedeelte is het zogenaamde twaalfde-eeuwse Bicromo Palazzo, dat als in een mozaïek donkere lavasteen met tufsteen combineert en het zijn opvallend uitzicht geeft. Het paleis wordt nu gebruikt als expositieruimte. Aan de grens van het historische centrum en het andere uiteinde van de Corso bevindt zich de gezellige Piazza Garibaldi, evengoed met terrasjes zoals de piazza Duomo, maar minder druk. Ik neem hier mijn ontbijt, dat inmiddels al meer op een lunch is gaan lijken want het is over het middaguur. Ik kijk uit op de vreemde barokke façade van de Chiesa di Maria SS della Catena met zijn klokkentoren ernaast. De portiek van de ingang is eigenlijk een loggia op vier zuilen met één boogconstructie ertussenin. Daarna rij ik op mijn fiets naar de Via Vittorio Emanuele, die langs de strandjes, een zeer oude Arabisch-middeleeuwse badplaats en de huizen bij de zee leidt. Ik snuif even de zilte zeegeur op en geniet van het klotsen tegen de rotsachtige golfbrekers en de charme van de oude huizen aan de waterkant.
Chiesa di Maria SS della Catena
Nuovo Cinema Paradiso
Het is hier dat Giuseppe Tornatore een deel van zijn prachtige film Nuovo Cinema Paradiso (1988) draaide, een nostalgisch relaas over de wondere wereld van het zilveren scherm in zijn begindagen. Hij vertelt het verhaal van een oude filmregisseur die in zijn dorp Porticello bij Palermo zijn jeugdliefde achterlaat om in de stad zijn carrière in de film op te bouwen en daarin wordt aangemoedigd door de filmoperator die de projector van de plaatselijke bioscoop bedient en hem de liefde voor de film bijbracht.
De Rocca met restanten van het Castello, Cefalù
De Rocca
Wie van panoramische uitzichten houdt, is de klim naar de top van de Rocca een belevenis. Op de Piazza Garibaldi loop je de trap op van de Salita Saraceni. Tijdens de klim zijn er verschillende belvederes, waar je een zicht krijgt op het stadje en de kust westwaarts in de richting van Palermo, de nieuwe stad, de promenade langs de strandlido’s en de nieuwe stad en oostwaarts in de richting van Capo d’Orlando en de jachthaven of zuidwaarts op de bergen van de Madonie, het verlengstuk van de Nebrodi en de Siciliaanse Appenijnen. Het pad leidt langs de kantelen van de oude stadswallen tussen cactussen, dennen, droog gras en geiten naar de ruïne van een prehelleense tempel gewijd aan de godin van de jacht Diana. Helemaal op de top van de Rocca bevinden zich de restanten van wat ooit het Castello is geweest.
Parco delle Madonie
Wie vanuit Cefalù de bergen van de Madonie in wil, kan dat via de Strada Statale 643 en de SP128 - SP 54 - SP 119. Maar daarvoor heb ik de tijd niet, de beschrijving die volgt is op basis van foto’s en een videovoorstelling die ik heb gezien. De SP 54 loopt dwars door het Parco delle Madonie over een weg die tot boven de 1600 meter stijgt. Hier kom je in de hoogste regionen van het park, waar ook de Pizzo Carbonara ligt, de hoogste top op 1979 meter hoogte. De vegetatie is hier schraler, de bodem rotsachtiger en het landschap ruiger. De klim vanuit Cefalù op de noordelijke flanken loopt door groen weiland en bossen. Het is de kant die het meeste neerslag krijgt, de zuidelijke hellingen naar het binnenland zijn kaler en ruiger. Schilderachtige dorpjes als Petralia Sottana en Petralia Soprana liggen op respectievelijk 1000 en 1150 meter hoogte en Polizzi Generosa dat op 920 meter ligt, is als een arendsnest op een rots gebouwd. Het was een bolwerk tegen de Sarazenen onder Roger II.
De dorpen bieden adembenemende uitzichten en hebben heel wat kerken en palazzi uit de 15de en 16de eeuw en uit de baroktijd bewaard. Het stadhuis van Petralia Soprana was oorspronkelijk een dominicanenklooster.
Een rit vanuit Cefalù doorheen het park is meer dan 60 km lang, maar met de wagen is het ideaal voor een daguitstap naar enkele van deze dorpjes. Voor een bergrit met fietszakken door het park naar deze dorpen, mag je gerust drie dagen uittrekken, want de rit is goed voor meer dan 2000 hoogtemeters en zelfs voor de dichtstbijzijnde dorpen op 12 à 15 km van Cefalù als Gibilmanna of Gratteri overbrug je 700 à 800 meter.
De kaliefen dringen de Byzantijnen terug
Twee eeuwen lang speelde zich een machtsstrijd af over de Middellandse Zee tussen Byzantijnen en Arabieren. Door hun overwicht op zee met hun machtige vloot konden de Byzantijnen een tijdlang standhouden en de aanvallen op Constantinopel afslaan. Maar over land voerden de opvolgers van de profeet Mohammed, de kaliefen, in de zevende eeuw een jihad. Maar dat was geen heilige oorlog om ongelovigen te dwingen zich te bekeren, zoals in het Westen veelal werd aangenomen. En nog veel minder was de jihad de individuele plicht van elke rechtgeaarde moslim, zoals ‘Islamitische staat ISIS’, Al Quaeda en andere fanatieke moslimextremisten dat vandaag uitleggen, om de oorlog te verklaren aan alle kafirs (ongelovigen) en afvalligen (takfirs). Jihad was een militaire oorlog onder een kalief, die de veroverde gebieden onder islamitisch bestuur plaatste. Grote delen van het christelijke Oost-Romeinse Rijk palmden de kaliefen in. Eerst vielen de christelijke steden Damascus en Jeruzalem in het Midden-Oosten, daarna volgde de metropool Alexandrië in Egypte en stootten de troepen door naar Afrika - Afriqiyah in het Arabisch. Christenen en Joden kregen het statuut van dhimmi. Ze mochten hun eigen religie, kerken en rechtspraak behouden, maar moesten in ruil een jizya, een soort belasting, betalen, die hoger lag dan bij moslims. De bekering tot de islam gebeurde op vrijwillige basis. Zo was de meerderheid van de Egyptenaren pas islamitisch in de 10de en 11de eeuw. Hoe de samenleving van christenen, Joden en moslims onder de Fatimiden in Palermo verliep, verneem je in de pagina's over Palermo.
Aanvankelijk woedde er een strijd tussen de Soennieten, de erfgenamen van de eerste drie kaliefen na Mohammed en de Sjiieten. De Soennieten geloven dat Mohammed zijn schoonvader, Aboe Bakr, tevens een goede vriend en bondgenoot, als opvolger had aangeduid. De Sjiieten waren de aanhangers van de bloedbanddoctrine dat de Profeet Mohammed zelf zijn neef en schoonzoon, Ali Ibn Aboe Talib als zijn opvolger had aangeduid en niet de kaliefen. Ali was tegelijk neef en schoonzoon van Mohammed omdat hij getrouwd was met zijn nicht Fatima, de dochter van Mohammed. De Sjiieten beschouwen zichzelf als bloedverwanten van de profeet en kennen een belangrijkere rol toe aan de imams, waarvan de eerste twee, Hassan en Hoessein, de zonen van Ali en Fatima, als martelaren worden vereerd in heiligdommen in de Iraakse steden Najaf, Koefa en Kerbala. In de Slag bij Karbala in 680 beslechtte de soennitische kalief Yazid I het pleit en versloeg hij de Sjiieten, die doorheen de geschiedenis een minderheid zouden blijven.
Kalifaat van de Abassiden, emiraat van de Aghlabiden, Byzantijnse rijk, Heilig Roomse Rijk van Karel De Grote, Kalifaat van Omaijaden in Spanje
Na de militaire veldtochten brak in de 8ste eeuw onder de Abassiden, die over Perzië, het Midden-Oosten en Noordelijk Afrika tot in het huidige Tunesië regeerden, een culturele bloeiperiode aan. Onder Kalief Haroun Er Rashid, tijdgenoot van Karel De Grote werden niet alleen Arabische, maar ook Joodse en christelijke wetenschappers, wiskundigen, astronomen en historici naar Bagdad gelokt. Bagdad was de grootste stad van de toen bekende wereld en een bakermat van wetenschap, een magneet waar innovaties als het gebruik van papier uit China of rekenkunde uit Indië werden geïmporteerd, waar Griekse filosofen in het Arabisch werden vertaald.
Haroun Er Rashid ontvangt gezanten van Karel De Grote, Julius Kôckert, 1864
Volgens Ahmet T. Kuru, hoogleraar aan de San Diego Universiteit in Californië, een eminent kenner van de Islamcultuur is er nu onder islamspecialisten min of meer een consensus dat de bloei van de Islamcultuur van de 9de tot de 12de eeuw grotendeels schatplichtig is aan de vertaalde bijdragen van Perzen, Grieken uit Byzantium, Chinezen en Indiërs. Ook in domeinen als cartografie en wiskunde was Bagdad toonaangevend. Hygiënevoorschriften, tafelmanieren en andere etiquettes waren er veel meer ontwikkeld dan in Europa net als omgangsvormen voor gastvrijheid, zoals blijkt uit het 11de eeuwse zedenboek van Ghazali. De vroege Islam kende nog niet de verstrengeling van de strenge islamleer met de militaire macht. De oelama, de korangeleerden en de imams, begonnen pas in de 11de en 12de eeuw een alliantie aan te gaan met de heersers. In een tijd dat Europa gedomineerd werd door rigiede kerkelijke structuren en een strenge leer, feodale standen en brute militaire machten was de vroege moslimsamenleving opvallend vrijer in de verspreiding van gedachtengoed en veel meer egalitair in de leer, aldus Kuru. In de 9de eeuw was de regio van het huidige Irak de meest verstedelijkte van de toenmalige wereld, en waren in Europa het door Arabieren bestuurde Cordoba en Constantinopel de grootste steden. Kooplieden vormden er een invloedrijke klasse, een ontwikkeling die pas in Europa op gang zou komen met de groei van de handel en de steden in de twaalfde eeuw.
Arabische emirs heersen over Sicilië in de 9de, 10de en een deel van de 11de eeuw
Soenniet aan de macht
De verovering van Sicilië door de Arabieren gebeurde niet door één groot invasieleger, maar in fasen. Een Byzantijnse bevelhebber, Euphemius, speelde daarin een wat dubieuze rol. Hij moest met zijn vloot Sicilië beschermen tegen invallen van Arabieren, maar viel om een of andere onduidelijke reden in ongenade bij de Byzantijnse keizer Michaël II. Hij rebelleerde en kroonde zichzelf tot keizer. Hij werd uit Syracuse verdreven door een Byzantijns leger, voer met zijn vloot naar Tunesië en sloot er een bondgenootschap met de Aghlabiden, de erfgenamen van de Soenniet Ibrahim Ibn Al Aghlab die in 800 als emir (heerser) het gebied Afriqiya kreeg toegewezen van de Abbasidische kalief Haroun Er Rashid. De Aghlabidische emir van dat ogenblik, Ziyadat Allah heerste over een gebied dat zich uitstrekte over het huidige Tunesië, West-Libië en Oost-Algerije.
In 827 landde het invasieleger van Ziyadat Allah vanuit Tunesië op de zuidwestkust van Sicilië bij Mazara del Vallo en veroverde steeds grotere porties van het eiland op de Byzantijnen, maar in het Oosten, rond Syracuse stootten ze op hevige weerstand. Het zou nog vier jaar duren voor ze na een langdurige belegering de eerste grote stad Palermo in handen kregen en nog meer dan 100 jaar voor heel Sicilië was veroverd. Op Sicilië bleven overigens Byzantijnse haarden van lokaal verzet bestaan.
In de tiende eeuw grepen Sjiietische Fatimiden de macht in Afriquia en heersten in een kalifaat dat zich uitstrekte van Egypte tot Marokko. De naam Fatimiden verwijst naar Fatima, de dochter van Mohammed. Hun hof was gevestigd in het Tunesische El Mansuriya, vlakbij Kairouan, bekend om zijn gigantische moskee. Tegen het eind van de tiende eeuw zouden de Fatimiden hun hof verhuizen naar El Qahra in Egypte, het huidige Kaïro.
Sjiiet aan de macht
In 948 stuurde de Fatimidische kalief, Abu Tahir Ismail Al Mansur een nieuwe emir - een soort onderkoning - naar Sicilië om een Arabische opstand onder leiding van de Banu al-Tabari-clan neer te slaan. De Arabische clans van de hoofdstad Palermo vonden dat de Fatimidische gouverneur Ibn Attaf te coulant was met de Byzantijnen die weigerden een heffing te betalen. Hassan Al Kalbi werd de nieuwe gouverneur van Sicilië en zijn opvolgers, de Kalbiden, eveneens sjiieten, zouden een eeuw lang vanuit hun hoofdstad Palermo Sicilië besturen. Vooral het westen van het eiland rond Palermo kende een vreedzame islamisering en arabisering. Al was dat relatief, want de Kalbiden moesten regeren over een bevolking die in meerderheid soennieten waren. Palermo zelf telde op een bepaald moment 300 moskeeën en madrassa’s (koranscholen) en er bloeide een Siciliaans-Arabische cultuur, die beïnvloed werd door de wetenschappelijke en culturele bloei in de Maghreb en Egypte.
Palermo en Cordoba
De Arabische reiziger, schrijver en geograaf Ibn Hawqal beschrijft in zijn reisverslagen door de Moslimwereld van die tijd de bloeiende cultuur in het kalifaat van Cordoba en het emiraat van Sicilië. De culturele bloei en de relatieve welvaart in het Arabische Sicilië had in die tijd immers een pendant in het Zuid-Spaanse Cordoba. De kaliefen daar stamden af van Abd el Rahman, een Omajjadische prins die in 750 wist te ontsnappen uit Damascus waar de Abasiden de Omajjaden hadden verjaagd. Het kalifaat in Cordoba verzwakte echter door onderlinge conflicten tussen Berbers en Arabieren en kon onvoldoende weerstand bieden tegen de christelijke reconquista vanuit Castilië. Tot twee keer toe riepen ze de hulp in van de Almoraviden, een Berberse dynastie die in Marokko aan de macht was gekomen en regeerde vanuit Marrakesh. De tweede keer bleven de Almoraviden ter plaatse en grepen In 1088 zelf de macht.
De intrede van Robert Guiscard en Roger I in Palermo, Giovanni Patricolo (1835)
Robert Guiscard en Roger I veroveren Sicilië
Toen de christelijke Normandiërs Robert Guiscard en zijn jongere broer Roger I in 1061 hun veroveringstocht in Sicilië begonnen en die 30 jaar later voltooiden, heersten ze al over het zuiden van het Italiaanse vasteland met Melfi als hun hoofdstad (zie 'Door Avellino naar Melfi in Basilicata'). Veroveringen op de Byzantijnen en de Longobarden, een slimme huwelijkspolitiek en een overeenkomst met de pausen maakten van de Hautevilles de onbetwistbare heersers in Apulië, Calabrië, Capua, Amalfi, Salento, Benevento en Bari.
In Sicilië troffen ze een beschaving aan die in vele opzichten superieur was aan de hunne. De Arabieren hadden het Romeinse irrigatienetwerk verfijnd met kanalen en ondergrondse kanalen, hadden er watertorens en reservoirs gebouwd en de landbouw uitgebreid met tuinbouw. Ze brachten nieuwe vruchten en planten mee uit hun thuisland zoals dadelpalmen, citroenen, pistachenoten, rietsuiker, papyrus en katoen. Ze legden de basis voor de zijde-industrie, wisten suiker te raffineren en baatten mijnen uit. Bovendien bleken de meeste moslims in de vele koranscholen te hebben leren lezen en schrijven. Er werd druk handel gedreven en de kooplui waren een invloedrijke klasse, veel meer ontwikkeld dan die in Europa in de vroege middeleeuwen. Palermo profiteerde mee van die vroege Arabische beschaving en net als in Andalusië bloeide hier een rijke Arabische cultuur. Onder indruk van de verworvenheden van die Arabische cultuur speelden de Normandische koningen het strategisch verstandig. Ze laten de culturele tradities van de gearabiseerde Sicilianen ongemoeid en regeren samen met het bestaande bestuur van ambtenaren en provinciemagistraten, dat al onder de emirs bestond. In Palermo hebben de Arabieren zelfs een vorm van zelfbestuur onder leiding van een Qadi kunnen behouden. En Roger II, die een groot bewonderaar was van de Arabische cultuur, sprak zelfs vloeiend Arabisch en liet Moorse ambachtslui en architecten kerken en andere bouwwerken optrekken. En om niet als een externe bezetter over te komen bij de bevolking, hadden ze zich laten zalven tot vazallen van de Paus, wat diende als een soort vrijgeleide voor de inval. Ruggero I verantwoordt zijn inval in Sicilië zelfs in de hoedanigheid van Pauselijke Gezant, terwijl Ruggero II zich door de tegenpaus Anacletus II tot koning van Sicilië en Hertog van Campanië liet kronen.
Termini Imerese
Het is voorbij de middag en ik moet nog 80 km fietsen tot in Palermo. Mijn eerste tussenstop wordt Termini Imerese, waar ik ongeveer halfweg ben. Zoals de naam laat vermoeden staat deze kuststad vooral bekend om zijn warmwaterbronnen. Maar ik onthoud vooral dat het een drukke havenstad is met een grote industriezone. Ik krijg hier ook al een voorsmaakje van de drukte in Palermo. De SS113 loopt dwars doorheen de moderne benedenstad en omdat ik mij in het centrum waag naar de piazza del duomo, waar ik een blik wil werpen op de kathedraal en een indruk wil opdoen van de oude bovenstad, rijd ik weer eens verloren, omdat ik verstrooid de wegwijzers voor het autoverkeer volg. Uiteindelijk beland ik op de Piazza delle Terme, waar het negentiende-eeuwse Grand Hotel delle Terme en het bijhorende complex van Romeinse Termen, in hun volle grandeur en glorie gerestaureerd, welgestelde levensgenieters kuurtherapieën in baden, jacuzzi en massagesalons aanbiedt. In de Romeinse Termen zo vertelt een toeristische folder van de stad, genoten de Feniciërs en Grieken al van de geneugten van het warme zoutwater, lang voor Christus geboren werd. Vanop de piazza delle Terme is het slechts een boogscheut naar de kathedraal op de Piazza del Duomo. De kathedraal heeft een klassieke barokfacade met een driehoekig fronton bovenop een vierkanten bovenstuk, pilasters op beide verdiepingen die de verticale lijnen accentueren, een met bloemen en guirlandes versierde kroonlijst en een weelderig versierd portaal met zuilen en San Nicola di Bari op een versierde fries boven de ingang. En de onvermijdelijke vierkanten klokkentoren rechts. Na veertig kilometer ononderbroken fietsen heb ik honger als een paard en ik vind gelukkig een snackbar/tearoom die ook in de namiddag open is.
Termini Imerese Duomo
Palermo
Daarna gaat het richting Palermo nu eens links, dan weer rechts van de spoorweg langs een steeds dichter bebouwde kust met badplaatsen als Trabia, San Nicola l’Arena, Torre Colonna, Casteldaccia en Solanto, waar steeds meer stranden door lido’s, clubs en bars worden ingenomen. We naderen de grote stad. Even hou ik halt om wat dichterbij de indrukwekkende Torre del Mandre te gaan bekijken, een ommuurde vesting die bovenop een in zee uitstekende rots is gebouwd, waarschijnlijk onder het huis van Aragon als bescherming tegen Moorse piraten die tussen de 15de en 17de eeuw de kust teisterden. Hij wordt ook wel eens de torre Normanna genoemd, maar is wel degelijk van recentere datum dan de tijd van de Normandiërs in de 11de en 12de eeuw.
De kwetsbaarheid van tweewielers
In Solanto verlaat ik de kust en gaat het landinwaarts naar Bagheria, een voorstad van Palermo. Het wordt bangelijk druk en chaotisch naarmate ik het centrum nader. Even voorbij Bagheria, in Facarazzi is er geen doorkomen meer aan. Op een kruispunt van de invalsweg zit alles potdicht. Ik ga stapvoets op het voetpad een kijkje nemen. Wat ik vermoedde, wordt bevestigd. Een ongeval en dan nog met een motorfiets. De motorrijder ligt bloedend te stuiptrekken op het wegdek. Zijn motor is voor de helft schroot. Ingereden op een pickup of geramd door een pickup. Het valt niet uit te maken. Nergens een helm te bespeuren. Dat riskeren ze hier wel meer, zonder helm rijden. In de verte hoor ik de sirene van een ziekenwagen, maar hoe moet hij hier doorheen. Het verkeer staat bumper aan bumper muurvast. Enkele bestuurders nemen nu toch het initiatief en proberen zich met minuscule maneuvers het voetpad op te rijden om plaats te maken voor de ambulance. Inmiddels zijn twee hulpverleners te voet tussen de amorfe wagenmassa bij de arme man gekomen en leggen hem behoedzaam op een draagberrie. Mijn lege maag keert bij dit schouwspel. Ik voel me machteloos en kwetsbaar en prijs me gelukkig dat mij dit niet is overkomen.
Wachten op de canneloni als op Godot
Voorzichtig zet ik mijn rit verder in het schemerdonker door de oostelijke periferie van Palermo met zijn industriezones, tankopslagplaatsen, baanwinkels, shopping centers, tankstations en eentonige woonblokken die zich langs de kust uitstrekken. Wanneer ik eindelijk binnen de grenzen van het stadscentrum ben aanbeland, worden de aanplantingen van palmen en andere bomen en bloemperken keuriger en zijn er tussen de kustweg en de zee parkjes en zones strand voor recreatie voorbehouden. Voorbij de Villa Giulia, een van de vele stadsparken die deze stad rijk is, sla ik linksaf naar de stationsbuurt, waar mijn hotel ligt. Ik kom er tegen negen uur aan. Ik rammel van de honger en denk alleen nog aan om zo snel mogelijk een plaatsje te veroveren op het terras van het eethuisje naast mijn hotel. Een foute keuze, zo blijkt. Het duurt ongeveer een half uur voor mijn bord canneloni arriveert. De bediening is er chaotisch en de kelner die mijn bestelling opnam, is opeens nergens meer te bespeuren. Zijn shift zit erop en de bestelling was niet doorgegeven, zo blijkt achteraf. Ook de patron van de zaak is in geen velden te bespeuren. Als hij dan uiteindelijk opduikt, moeten de canneloni met spinazie en ricotta nog in de oven. Gewoonlijk kan ik me bezighouden met wat kranten of tijdschriften door te nemen op mijn Ipad, maar nu kon ik alleen aan mijn canneloni denken die maar niet kwamen. Dan maar een halve liter Peroni besteld om het wachten draaglijker te maken. Fietsen doe ik morgen toch niet, tenzij om wat attracties in deze stad te bezoeken.
Aarzelende verkenning van de Via Maqueda
Op deze zwoele nazomeravond is het flink wat warmer in de straten en tussen de gebouwen dan in de heuvels rond Cefalù de avond voordien. Ik loop de Via Maqueda in op zoek naar een gelateria. De Via Maqueda loopt van de piazza Giuglio Cesare naar het Teatro Massimo op de Piazza Giuseppe Verde en is ‘s avonds zowat het kloppend hart van Palermo. Duizenden locals en toeristen maken er hun avondwandeling tussen de terrassen van de bars en restaurants. Ver hoef ik niet te lopen voor mijn gelato. Het koppeltje voor mij in de rij bestelt voorwaar een brioche con gelato, een brioche met ijs als beleg, een Siciliaanse specialiteit die ook bij wijze van ontbijt wordt verorberd. Ik hou het bij een hoorntje met Pistacchio en Almando, pistache en amandelsmaak. Lang trek ik het niet in de Maqueda, want hoe verder ik loop, hoe drukker het wordt en ik moet de nerveuze stedelijke vibes nog gewoon worden, zo merk ik. Te veel prikkels ineens. Dus maak ik gewoon rechtsomkeer en loop naar mijn hotelkamer. Daar check ik even wanneer ik een ferry kan boeken naar Sardinië. Niet voor zondag, zo blijkt. Ik heb dus vier volle dagen om Palermo en omgeving te verkennen.