Maandag 13 september: Van Capo d'Orlando naar Cefalù

‘s Anderendaags rijd ik verder naar het westen, richting Cefalù, een toeristisch kuststadje met wereldfaam. De smalle kuststrook loopt op deze route naadloos over in het natuurpark van het Nebrodi gebergte, eigenlijk een uitloper van de Calabrese Apennijnen. Het nodigt uit om verkend te worden.  Nog voor ik het volgende kuststadje, Sant’ Agata di Militello, bereik, nadat ik de Fiumara Rosmarino heb overgestoken, waag ik me op de SP 161 zuidwaarts het gebergte in. Ik wil minstens een indruk opdoen van het fascinerende natuurpark en vooral van de Rocche di Crasto, een gigantische rotswand die een kolonie vale gieren herbergt.  In dit massief bevindt zich ook de Grotta del Lauro, een spectaculaire ruimte in een grot  met stalactieten en stalagmieten.

Alcara Li Fusi ligt op een plateau, 450 meter hoog, vlakbij de Crasto. De beklimming naar Alcara met zijn vele haarspeldbochten is 13 km lang en dus niet erg steil. Wanneer ik bij Alcara aankom is het uitzicht over het eiland en de omliggende zee, kust en eilanden spectaculair.  Ik rij meteen naar de piazza San Nicolo Politi waar twee kerken, de Chiesa di San Pantaleone en de Chiesa Madre, de aandacht trekken. 

Alcara Li Fusi en Rocche di Crasto

Nationaal Park van de Nebrodi

Alcara komt van Al Qaria en heeft zoals zoveel plaatsnamen in Siclië een Arabische oorsprong. De Arabisch plaatsnamen herinneren aan de twee eeuwen Arabische bezetting  van het eiland in de tiende en de elfde eeuw. Hier zouden ze een vesting hebben gebouwd. Maar het Castel Turio, de ruïne van de heropgebouwde vestingtoren die nu boven de stad uitsteekt, is Normandisch en dus recenter van oorsprong. Aan de voet van de rots waarop het kasteel is gebouwd liggen de overblijfselen van het middeleeuwse dorp Motta en de Fontane Abate, fonteinen met bronwater die dateren van voor de Arabische invallen, maar die volledig werden verwoest in de aardbeving van 1490. Ze werden twee maal gerestaureerd en de Latijnse inscripties zijn behouden.  Li Fusi verwijst naar de houten klossen die hier werden vervaardigd voor de vele huisspinnewielen die over Sicilië verspreid stonden. Ik geniet van de indrukwekkende rotswanden en een paar gieren die zwevend op de termieken in de hoge hemel rondcirkelen. 

De lagere, warme zones van het gebergte zijn bezaaid met macchia, de Siciliaanse versie van maquis met doornachtig struikgewas, tijm, rozemarijn en verschillende soorten euforbia of wolfsmelk, met laurier, mirte  en hier en daar een bosje kurkeiken of steeneiken. Waar het boerenleven primeert grazen kuddes  op weilanden of zijn er olijfboomplantages. De koelere en nattere hogere zones van de Nebrodi zijn bezaaid met kastanje- en beukenbossen en er zijn unieke plaatsen waar eeuwenoude hulstbomen een enorme omvang hebben aangenomen.  

De Nebrodi zijn een stap- en wandelparadijs voor sportieve natuurliefhebbers. Paden vertrekken vanuit de middeleeuwse dorpen zoals Alcara of zoals Longi of Galati Mamertino die bereikbaar zijn via de SP 157 vanuit Capri Leoni, enkele kilometers westwaarts van Capo d’Orlando.  

In Alcara maak ik rechtsomkeer en zet de afdaling in naar de kustweg. Maar wie verder wil fietsen, dieper de bergen in kan dat langs de SP161. Vanaf Alcara wordt het steiler en is een koersfiets zonder bagage aangewezen.  Na 12 km kom je in Portella Femmina Morta aan, dat al op 1530 meter hoogte ligt. Van daaruit loopt zelfs een 5 kilometer lange, geasfalteerde weg naar de Monte Soro, de hoogste top van het gebergte op 1846 meter. De hellingen zijn niet buitensporig steil, maar de laatste drie kilometer hebben lange stroken van 9% en meer. 

de Tyrrheense zee bij Sant'Agatha di Militello

 

Aan het eind van de afdaling naar de kustweg,  merk ik een andere fietsreiziger op en ga hem even gedag zeggen. Hij is een kleine, graatmagere jongeman uit Cuneo, Piëmonte, met Indische trekken, wiens fiets aan alle kanten onder ladingen bagage bedolven zit. Zijdelings fietszakken vooraan en achteraan, op zijn bagagedrager en voor hem op zijn stuur. Je ziet hem haast niet zitten. De jongen heeft zich voorgenomen om de hele kustlijn van Italië af te fietsen, zo’n 7000 kilometer. Een vrolijke, opgewekte eenzaat, die wild kampeert en 25 kg  kampeergerief, kledij, apparatuur en fietsherstelkits meesleurt. Hij heeft werkelijk aan alles gedacht om zo self sufficient mogelijk te zijn: een powerbank op zonneënergie met uitvouwbare zonnepanelen, een hele voorraad energietabletten, gels, multivitamine- en magnesiumtabletten en super food zoals chiazaad, walnoten en quinoa, zodat hij niet teveel winkels of snackbars hoeft binnen te stappen. Met zijn onafscheidelijke draadloze oortjes luistert hij voortdurend naar muziek op zijn smartphone en de fun spat eraf alsof hij staat te dansen op een rave party. Het leven op de fiets is vooral de eerste helft van de dag een feest, wanneer de kilometers zich nog niet laten voelen, komt het bij me op. Hij begint te vertellen waar hij zo overal heeft gekampeerd en geslapen. Dat een ouwe knar als ik ook nog lange fietsreizen maakt, vindt hij geweldig. Zijn enthousiasme werkt aanstekelijk. Naarmate de fietsdagen verstrijken, voel ik steeds meer de behoefte aan aangenaam gezelschap, want alleen is maar alleen.  Dus trekken we samen wat verder in de richting van Cefalù, maar al snel word ik gewaar dat hij met zijn 25 kg bagage nogal traag bergop rijdt. Hij merkt het en roept me boven de muziek uit zijn oortjes toe dat ik op hem niet hoef te wachten. Dat we elkaar wel zien in Cefalù. Ik rij alleen verder langs die eeuwige SS113 die de Siciliaanse noordkust volgt met zijn rotsachtige kapen en strandbaaien en arriveer uiteindelijk in Santo Stefano di Cramasta, een bakermat van de keramiekambacht. Dat merk je van zodra je de stad binnenrijdt.

Bakermat van de keramiek

Tegenover enkele gigantische Fabbriche di Cheramica  is over tientallen meters een parkmuur met tegels bezet die middeleeuwse jacht- en andere taferelen voorstellen. De Fabbriche zelf zijn kleine supermarkten waar in kijkkasten de kleurrijkste vazen, bustes, schalen, potten en andere toegepast kunst worden uitgestald. Verder in de stad maken gigantische keramieken vazen en amfora deel uit van het straatbeeld. Op pleintjes zijn de bloembakken, de zitbanken en de balustrade van de promenade in keramiek met zwierige, krullende decoratiemotieven. In het stadscentrum hangen kleurrijke schalen in allerlei vormen en kleuren tegen de gevels van keramiekshops te blinken.  keramiekkunstenaars en ambachtslui  hebben zich gespecialiseerd in kleurrijke zonnen, vissen, vogels, octopussen en zelfs honden. Hoeft het te verwonderen dat in een stad als deze ook een Museo Civico delle Ceramiche te bezichtigen valt.

 

Op een terras met schaduw eet ik een slaatje en een belegd broodje en sluit af met een espresso. Enkele Amerikanen zijn aan de overkant een hele lading keramiek aan het inkopen en regelen nu de transatlantische shipment. Maar ondanks de wijde strandbaai van Santo Stefano zijn ook hier de toeristen niet meer massaal aanwezig. 

Santo Stefano di Cramasta: de keramiek is er overal

Lang blijf ik niet hangen, want er vallen nog 35 kilometer af te werken. Even buiten Santo Stefano ligt een dooie zwarte slang van ongeveer een meter lan op de weg. Het is de eerste van deze soort die ik hier aantref op Sicilië. Het is voorbij vijf uur en een grijs wolkendek schuift vanuit de zee langzaam over de kust naar de bergen. Ik hoop stilletjes dat het niet regent

 

Tien kilometer voor Cefalu op de SS113  haal ik mijn fietsgezel van deze middag, Anish, weer bij. Na een zware dag fietsen lijkt hij al wat minder vrolijk. We rijden samen verder tot we bij een verkeerslicht bij wegenwerken komen, waar het verkeer alternerend verloopt over één rijstrook. Het is rood, maar daar stoort Anish zich niet aan. Hij rijdt niet zonder risico langs de tegenliggers over die ene berijbare strook. Dat slechte voorbeeld hoef ik niet te volgen en ik wacht twee minuten tot het groen is. Een kilometer of vier verderop haal ik hem weer bij in een klim. Even komt het in me op om hem te wijzen op zijn gevaarlijk rijgedrag, maar ik bedwing me. In mijn eigen stad zou ik dit doen, hier niet. Ik wil niet dat hij zich mij herinnert als een ouwe bemoeizieke paternalist. Vlak voor we Cefalu binnenrijden, houdt hij halt. Hij wil hier naar een strandje afdalen waar hij zijn tent gaat opslaan. Nu kan ik het niet laten en zeg hem dat ik op het strand slapen nogal onveilig vind. Ik vrees dat het individuen met slechte bedoelingen aantrekt.  Je kan beter een bosje opzoeken, geef ik hem de raad.  Och maak je geen zorgen, dit is al de zoveelste keer, zegt hij en wat kunnen ze van me stelen, ik heb niet eens cash geld bij. Je fiets, zeg ik of je powerbank of je bankkaarten. Hij haalt zijn schouders op en ik krijg een geruststellend klopje op de schouder. We nemen afscheid en geven elkaar een hug. Ik moet dwars door het drukke Cefalu rijden om bij mijn bed & breakfast te komen, dat een eind de stad uit op de weg naar Palermo ligt. Helaas vindt mijn Ipad de straatnaam niet. Het is ergens een weggetje links dat de bergen in loopt. Als ik uiteindelijk na lang zoeken en vragen aan verschillende locals, de straat vind, is het pikdonker. De eigenaar woont helemaal achterin op de rand van een gehucht, dat vol blaffende honden zit en helemaal geen straatverlichting heeft. Wanneer ik haar opbel, legt de eigenares mij uit hoe ik er kom. Zelfs met die uitleg is het behoorlijk ingewikkeld en onzichtbare grote honden die vervaarlijk blaffend tegen hekken of afsluitingen opspringen, maken het zelfs wat luguber. Ik zet mijn hoofdlamp op, zodat ik wat beter zie wat ik doe.  Wat als één van die hekken niet goed dicht is? Zelfs keffers gaan wild tekeer op de balkonnetjes. Wat hebben ze hier toch met honden? Ik begrijp dat zoveel blaffers een afschrikkingseffect creëert, maar zou er hier dan zoveel ingebroken worden en staan ze even wild te blaffen wanneer een halve buur voorbij komt die gewoon een straat verder woont? Als dat geen overlast is! Uiteindelijk bereik ik met wat geluk mijn bestemming. De uitbaatster is vriendelijk en legt me uit dat er een pizzeria langs de grote weg naar Palermo is. Dan moet ik weer door die hondendrukte, is wat me te binnenschiet. Twee maal dan nog: heen en terug. Maar de honger is te groot. De meer dan 100 km en de klim naar Alcara hebben veel gevergd. Ik troost mezelf, mocht er zo’n hek openvliegen, dan kan ik een stuk sneller fietsen zonder die fietszakken. Anderhalf uur later zit ik in bed veilig een kortverhaal te lezen op mijn Ipad. Geen enkel hek of afsluiting had het begeven en geen enkele bloeddorstige keffer was van het balkon in mijn nek gesprongen. Een terugkerende kramp in mijn linkerkuit is het enige wat me parten speelt. Weer te weinig gedronken vandaag. Of misschien moet ik ook eens wat magnesiumtabletten inslaan.

Valavond ergens tussen Santo Stefano en Cefalù