Zondag 12 september: over Capo Calavà naar Capo d'Orlando
‘s Morgens als ik wakker word, rammelt mijn maag. Ik was gisterenavond zo moe, dat ik vergat te eten. Gelukkig is het ontbijt hier inclusief en bovendien een buffet, zodat ik zoveel kan eten als ik wil, er zijn zelfs eieren, kaas en brood en er is fruit. Zo onitaliaans, maar heerlijk. Het ontbijt compenseert rijkelijk voor de armetierige kamers. Onder een stralende zon, prima uitgeslapen en vol energie vertrek ik westwaarts. Het wordt vandaag minder vlak, want er moeten letterlijk enkele kapen genomen worden op de kustweg. De meeste komen nauwelijks meer dan 200 meter boven het zeeniveau uit, maar laten zich wel voelen. Zo begint het al na een tiental kilometer wanneer het flink bergop gaat naar Locanda en Tindari op de nationale SS113. Als ik boven in Locanda arriveer, merk ik aan de rijen in de berm geparkeerde auto’s dat hier een attractie moet zijn. Ik vraag het aan een koppel en ze leggen me uit dat het hier op zondag altijd druk is voor het bedevaartsoord van de Zwarte Madonna van Tindari. Ze moeten hun auto hier beneden achterlaten en kunnen met een busje of te voet naar het 60 meter hoger gelegen bedevaartsoord. Ik kan de torens al zien en vat per fiets meteen de beklimming aan. De kerk is nauwelijks 40 jaar oud. Ze werd gebouwd om de toestroom van bedevaarders op te vangen die naar het 12de-eeuwse beeld van de Zwarte Madonna komen kijken.
.
De Zwarte Madonna van Tindari
De legende wil dat rond de negende eeuw hier een schip uit het Oosten in de baai aanmeerde om bescherming te zoeken tegen de storm. Het liep echter vast en de bemanning besloot om alle goederen aan boord te lossen zodat het schip weer kon varen. Toen het schip opnieuw in de storm terechtkwam en weer vastliep, brachten ze ook de zware koffer met het madonnabeeld aan wal en bij wonder lukte het nu wel om weg te varen. De lokale bewoners vonden het beeld op het strand van de baai en droegen het hier naar hun kerkje op de heuveltop. Helaas werd dit kerkje in de 16de eeuw vernietigd door de beruchte Ottomaanse admiraal en toenmalige militaire bestuurder van Algiers Turgut Reis. Toen het cederhout van het beeld na geruime tijd steeds zwarter werd, werd dat toegeschreven aan een miraculeuze tussenkomst, terwijl het eigenlijk een perfect verklaarbaar biologisch fenomeen is. Vandaag staat de Madonna in de nieuwe, kitscherige kerk boven het altaar en komen gelovige Italianen er hun zonden opbiechten.
Boven op de heuvel: het heiligdom van de Zwarte Madonna, Tindari
Vanop de piazza voor de kerk heb ik een prachtig uitzicht op de baai en de Liparische eilanden in de verte, waarnaar vanuit Milazzo veerboten vertrekken. Rond de toeristische souvenirstalletjes met zwarte madonnabeeldjes en andere memorabilia loop ik in een wijde boog heen.
Parco Archeologico
Veel meer de moeite waard dan deze kitscherige kerk zijn de restanten van een Romeinse stad een eindje verderop in het Parco Archeologico. Of liever van een Romeinse stad die boven op de Griekse kolonie Tindaris werd gebouwd, waarvan de naam verwijst naar een Spartaanse koning. Het best bewaard is een tot Romeins amfitheater verbouwd antiek Grieks theater uit de vierde eeuw voor Christus met een capaciteit van 3000 plaatsen. Er zijn ook overblijfselen van een Romeinse basilica, een soort handelsbeurs bij het forum, uit de tijd van keizer Augustus. De Romeinse nederzetting zou zijn verwoest door Saracenen in de negende eeuw. Vanop het theater heb ik een prachtig uitzicht op de zanderige landtong van Punta Marinella en de lagunes die ervoor liggen.
Parco Archeologico: Grieks theater van Tindari
Lang blijf ik hier niet. Bedevaartsoorden met vrome gelovigen en biechtvaardige zondaars zijn voor mij een bevreemdende biotoop met echo’s uit mijn prille kindertijd. Na de klim volgt nu de afdaling naar de kustvlakte in de verfrissende koelte van de zeebries. Na een half uurtje sta ik in Patti en even later in het gelijknamige badplaatsje Patti Marina, waar ik op het strand in de schaduw van een palmboom eerst een vers broodje en daarna een gelato degusteer. Ik maak even van het comfort van een stranddouche gebruik om bovenlijf en benen af te spoelen en vervolg mijn weg. De volgende kustplaats is San Georgio. Hier zijn de wolken voor de zon geschoven en is de lucht opeens grijs overtrokken, zwanger van een onweer.
Capo Calavà
Maar het onweer breekt op wat sporadische regendruppels na niet door. Er steekt wel een forse tegenwind op in de aanloop van de klim naar Capo Calavà. Met de wind op kop is de klim bijzonder lastig en ook gevaarlijk. De kustbaan loopt hier langs de kliffen van een rotskust. Telkens wanneer ik na een bocht weer frontaal tegen de wind in worstel, heb ik alle moeite om rechtop te blijven en mijn stuur in toom te houden. Wanneer ik uitgeput de laatste honderd meter van de klim begin, zijn de rukwinden zo sterk dat ik wijselijk afstap. En maar goed ook, want van zodra ik de top van de kaap nader, valt alle beschutting weg en beukt de volle stormwind uit het westen op me in. Hier valt zelfs te voet nauwelijks rechtop te blijven, laat staan op de fiets. De reling is op de koop toe bangelijk laag. Hoe diep de afgrond is, heb ik nooit geweten, want ik durf niet naar beneden te kijken. Na enkele minuten draait de weg weer landinwaarts en is het grootste gevaar geweken. Ik waag me bibberend weer op de fiets. Even verderop volgt wel de laatste grote hindernis: een tunnel. Bij normaal weer niet zo onoverkomelijk, want hij is helemaal niet lang maar hij kijkt wel uit op het westen, waar de stormwind vandaan komt. Het is precies alsof hij zich hier heeft samengeperst om door het gat te komen. Ik kom nauwelijks vooruit, ook niet dansend en zigzaggend op mijn kleinste versnelling. Zolang er van de andere kant geen auto komt aanrazen, is dit best spannend. Als ik dan eindelijk toch de tunnel uit rij, valt alle druk van me af. Zo moeten die fameuze windtunnels aanvoelen, waar profrenners in trainen en waar de aerodynamica van auto's wordt getest, komt het in me op.
Capo Calavà
Even later gooi ik me in de afdaling naar Gioiosa Marea, een kleine badplaats met een grijs strand in een baai tussen de uitlopers van het Nebrodigebergte. Ik rij verder een heuvel over tot het eerste stadje van enige omvang voor me opdoemt, Brolo. Hier heb ik al 55 km achter de rug en las ik een stop in bij een terras van een café in het centrum met een stijlvol jaren-1950-interieur. Ik bestel een stuk pizza met een slaatje en een aqua frizzante, terwijl oudere mannen hier hun namiddagkoffie nemen of een biertje drinken. Er klinkt een zenuwachtig geroezemoes aan de tafels voor het grote televisiescherm waar een voetbalwedstrijd uit de Serie A aan de gang is.
Geesteszieke op terras
Ik neem plaats op het terras en krijg ongevraagd het bezoek van een heel erg vreemde man, die zonder me aan te kijken enkele passages uit zijn blijkbaar getormenteerde leven begint te vertellen. Het wordt me al vlug duidelijk dat hij een psychiatrische patiënt moet zijn. Zijn verhaal doet hij niet in het Siciliaans dat ik niet begrijp, maar in begrijpelijk Italiaans. Het relaas heeft veel weg van een traumatische anekdote uit een katholieke kostschool, waarin een priester een hoofdrol speelt. En ja, hij weet het, hij had dat niet mogen doen en eerst toestemming vragen aan die priester, maar hij had het toch maar gedaan. Wat precies heb ik niet begrepen. Intussen blijft hij voor zich uit staren en kijkt nu en dan eens in mijn richting om te zien of ik nog luister. Maar het blijft een langgerekte monoloog zonder dat hij er mij in betrekt. Ik probeer me een zo begripvol mogelijke houding aan te meten, want ik wil in geen geval dat hij zich kwaad maakt. Uiteindelijk stap ik op, want hij weet van geen ophouden. Onmiddellijk gaat hij postvatten aan een andere tafel en begint hij hetzelfde verhaal te vertellen. De twee mannen die hij nu als toehoorders heeft uitgekozen, hebben er al na een halve minuut genoeg van en verhuizen naar binnen. Nu blijft hij wel zitten en kijkt rond zich. Katatonie, psychose? Hij blijft zitten en praat nu stil, in zichzelf. Vreemd dat deze man niet in een instelling zit, maar hier zomaar vrij rondhangt. Ik heb er geen verklaring voor en vraag het aan de barrista die komt opruimen. Blijkbaar hangt hij hier al enkele dagen rond, maar niemand weet waar hij vandaan komt.
De 'Legge Basaglia': de ontmanteling van asielen
Deze vreemde man in een café doet me denken aan de experimenten van Franco Basaglia, de psychiater uit Triëste die in de jaren zeventig een bevrijdinsbeweging lanceerde die lijnrecht inging tegen de gangbare praktijk om geesteszieken weg te stoppen in psychiatrische asielen en ze te behandelen met electroshocks en medicatie. In Triëste startte hij open therapeutische gemeenschappen op met artistieke ateliers, coöperatieven van patiënten die een rol in de maatschappij moesten opeisen. Met zijn democratische psychiatrie sloot hij aan bij de antipsychiatrische beweging in die tijd. Door zijn geslaagde pilootprojecten in Triëste, maar ook in Perugia en Ferrara wist hij in 1978 de Legge Basaglia of Legge 180 gestemd te krijgen die het psychiatrisch systeem in Italië hervormde en de geleidelijk ontmanteling van bewaakte psychiatrische asielen inluidde. Geestelijke gezondheidscentra werden gecreëerd, psychiatrische afdelingen kregen een plaats in algemene hospitalen, vormen van begeleid en zelfstandig wonen met ambulante hulp in daartoe uitgeruste appartementen zagen het licht. Vandaag probeert een goed deel van de geestelijke gezondheidszorg nog zo goed en zo kwaad als het kan het model van de democratische psychiatrie toe te passen, maar vele geestelijke gezondheidscentra kampen met een gebrek aan middelen.
Maar de kritiek op Basaglia bleef niet uit in medische en psychiatrische kringen, die het traditionele psychiatrische model bleven verdedigen dat een geestesziekte behandelt als een biologische ziekte waar alleen antidepressiva en medicatie tegen psychoses, angststoornissen of stemmingswisselingen kunnen aan verhelpen, met alle neveneffecten vandien. Met name wezen ze op gevallen als paranoïde schizofrenen of geesteszieken met maniakaal gedrag die ook in wijkcentra werden begeleid maar in de publieke ruimte vaak heel agressief uit de hoek konden komen. Waren die letterlijk niet echt te gek en te gevaarlijk om rond te lopen? In elk geval zagen de gevangenissen het aantal psychiatrische gevallen weer toenemen, wat toch niet de bedoeling kon zijn. Het aantal gedwongen opnames is intussen drastisch afgenomen en het aantal zelfmoorden onder patiënten is licht gedaald. Maar een vergelijkende studie van de geestelijke gezondheidszorg tussen de landen van de G7 toont aan dat er een schrijnend personeelstekort is in de Italiaanse geestelijke gezondheidszorg en dat de hele sector maar half zoveel financiële middelen krijgt als in Duitsland of Frankrijk. (Forty years without mental hospitals in Italy, international journal of Mental Health Systems).
Kortom, de democratische psychiatrie van Basaglia heeft het systeem menselijker gemaakt, heeft zijn deugdelijkheid bewezen en kende navolging in bv. Spanje en Brazilië, maar wordt door de overheid stiefmoederlijk behandeld. Met als gevolg dat er onvoldoende bedden zijn voor bijvoorbeeld de opvang van acute psychoses en dat de opvolging en nazorg van patiënten die tijdelijk waren opgenomen schromelijk tekortschiet, vooral in Zuid-Italië. Zo, misschien is dat de verklaring voor onze dolende vriend op het terras, misschien werd hij tijdelijk behandeld, maar dan weer aan zijn lot overgelaten bij gebrek aan personeel en middelen.
Franco Basaglia
La Meglio Gioventù
Wie ooit de bekroonde driedelige serie 'La Meglio Gioventu' van Marco Tullio Giordana zag - een schitterend tijdsbeeld van de jaren zeventig en tachtig in Italië - herinnert zich ongetwijfeld de hoofdfiguur Nicola Carati. Hij studeerde psychiatrie in Turijn en richt een open instelling op waar hij zich ontfermt over een jonge vrouw, Georgia, die met elektroshocks is behandeld in een oude repressieve instelling en haar geleidelijk aan weer een sociaal leven probeert te laten opbouwen door haar steeds meer vrijheid te geven. Hij staat zowat model voor de hoopvolle zachte revolutie van meer vrijheid, en meer sociale inclusie weg van de gedwongen internering en afzondering van psychiatrische patiënten in instellingen.
Na Brolo gaat het weer in stijgende lijn naar Scafa en daarna verder naar de volgende kaap, die van Capo d’Orlando, vroeger een vissershaventje, nu een toeristische badplaats.Op de route naar Capo d’Orlando is bij helder weer het uitzicht vanaf de hoger gelegen weg op de Liparische of Eolische eilanden hier prachtig. In Scafa is er net als in Milazzo ook een veerdienst naar Vulcano, het dichtstbijzijnde van de drie grote Liparische eilanden. De andere twee zijn Lipari en Salina. Maar in totaal zijn er nog vier: Filicudi, Alicudi en Panarea en het bekendste, Stromboli, bekend om zijn actieve vulkaan. Onderling zijn ze door veerdiensten verbonden. Maar Stromboli en dus ook onrechtstreeks de andere eilanden zijn ook bereikbaar vanuit Messina, Tropea (in Calabrië) en Napels. Ik leerde Salina, een van de Liparische eilanden, kennen uit de roman ‘Cirkel in het gras’ van Oek De Jong, beter bekend als de auteur van ‘Opwaaiende zomerjurken’.
Capo d’Orlando: Karel De Grote op doorreis
Capo d’Orlando betekent eigenlijk: de kaap van Roeland, de legendarische ridder uit het middeleeuwse heldenepos ‘Chanson de Roland’, die in het leger van Karel De Grote streed. Karel De Grote gaf die kaap de naam van zijn moedige ridder en neef Roeland die de achterhoede van het Karolingische leger leidde tegen de Saracenen in Roncevaux in de Pyreneeën. Zijn achterhoede werd echter omsingeld. Aanvankelijk weigerde de heldhaftig strijdende Roeland uit trots op zijn hoorn te blazen om hulp te vragen. Toen hij het toch deed, was het te laat en sneuvelde hij voor het leger van Karel de Grote hem kwam ontzetten. Karel De Grote zou deze plaats naar hem genoemd hebben op zijn terugreis van een bedevaart naar Jeruzalem. Het epos is uiteraard geromantiseerd en dient propagandistische doeleinden van het Heilig Roomse Rijk. In werkelijkheid was Roeland niet de neef van Karel De Grote (768-814), maar een prefect uit Bretagne en werd hij niet omsingeld door Saracenen, maar door Basken. Bovendien is Karel de Grote waarschijnlijk nooit naar Jeruzalem op bedevaart geweest. Daarvoor had hij het veel te druk met het bestuur van zijn rijk en de vele oorlogen die hij voerde tegen opstandige volkeren in de uithoeken en tegen de Moren. Zijn biograaf Einhard maakt nergens melding van een bedevaart. Wel had hij via bodes contact met de Abbasidische kalief Harun ar-Rashid, die hem volgens Einhard toeliet de christelijke heiligdommen in Jeruzalem te beschermen.
Maar zoals gezegd, Capo d’Orlando is nu een badplaats met een jachthaven, een charmante dijkpromenade afgeboord met palmbomen, een vuurtoren op de uiterste punt van de kaap, maar de binnenstad is al wat ontsierd door appartementsblokken. Op zoek naar een eethuisje loop ik de lange promenade langs de zee af. De donkere silhouetten van de Liparische eilanden steken schril af tegen de horizon die door de avondzon alle kleurschakeringen tussen oranje en paars krijgt. Ze tovert schitteringen op de zee en kleurt de heuvels, de kustweg en het strand donkerrood. Ook in Sicilië worden de kleuren zachter en mooier in de nazomer en de herfst. Ik zoek vergeefs naar een restaurant op de dijk dat open is. Het is september en dan heeft het gros van de strandtoeristen de Siciliaanse stranden ingewisseld voor de noordelijke werkhabitat en sluit de horeca, zeker op zondag. Uiteindelijk vind ik dan toch een eettent in de binnenstad op een piazza waar een broeierige drukte heerst, alsof hier in de loop van de dag een feest heeft plaatsgehad.
Liparische eilanden bij Capo d'Orlando