Woensdag 8 september: van de Valle d'Itria naar Taranto
‘s Anderendaags spijt het me dat ik weer op weg moet, de idyllische omgeving van heuveltjes met olijfbomen, stenen muurtjes, bosjes en de amechtig beierende klok van een dorpskerk even verderop lijkt me een ideaal kader om een dagje rust in te bouwen na de toeristische drukte van Matera en Alberolbello. Maar Calabrië, Sicilië en Sardinië staan nog op het programma en ik vrees dat ik in tijdsnood zal komen. Ik ga aan de ontbijttafel plaatsnemen bij mijn vriendelijke gastheren en de oude brombeer heeft helemaal zijn goed humeur teruggevonden. ‘Lei è un campione’ zegt hij grappend over de helse fietsrit achter zijn fiat de avond voordien. En dan begint hij trots uit te wijden over het nationaal wielerkampioenschap van Italië dat in de streek van Gravina, Noci en Alberobello in juni jongstleden werd gereden. ‘Me hanno refiuto perché non sono Italiano’ grap ik terug. Filippo Zanna werd de kampioen van Italië en de beste Italiaanse wielrenner van het afgelopen decennium, Vincenzo Nibali, bijgenaamd ‘Lo squalo dello stretto’ (de haai van Messina) die de rondes van Frankrijk, Italië en Spanje won, reed hier zijn laatste rit, verduidelijkte hij mij bij de koffie. We nemen hartelijk afscheid en ik rijd meteen zuidwaarts naar Martina Franca, nog steeds tussen kraaknet gerestaureerde Trulli zorgvuldig verbouwd tot Bed & Breakfastverblijven met of zonder zwembad of vakantiewoningen van Noord-Italiaanse, maar ook Duitse en Oostenrijkse eigenaars. Is de Terra dei Trulli een gigantisch pretpark of vakantiedorp waar toeristen zich even in een sprookjeswereld kunnen wanen? Of moet ik mijn hyperkritische blik even dimmen? Misschien wel. Dit toerisme is goed voor de lokale economie, zeker voor een arme regio als Puglia en minder ontluisterend dan de beach resorts met hun massatoerisme.
Martina Franca
In Martina Franca zelf zijn weinig trulli te zien en ook geen zwermen toeristen. Het stadje biedt enkele opmerkelijke architecturale hoogstandjes uit de barok en rococo en heeft daardoor een zweem van status, elegantie en charme die je meestal alleen in grotere steden verwacht.
Basilica di San Martino
Het pronkstuk is de Basilica di San Martino met zijn rijkelijk versierde rococogevel met boven de ingang het bas reliëf van Sint-Maarten (van Tours) op zijn paard die een deel van zijn mantel afsnijdt en die aan een bedelaar schenkt en aan weerskanten de beelden van Johannes De Doper en Sint-Jozef in een nis. Boven de kroonlijst van het onderste deel een rijkelijk versierde loggia met weer 2 nissen met heiligenbeelden en daarbovenop een fronton met fakkels op de kroonlijst. Binnenin schilderijen met bijbelse taferelen waarin de veelkleurige, krullerige marmeren omlijstingen meer de aandacht trekken dan schilderijen zelf, schelpachtige marmeren decoraties, accoladen bogen tegen de muur boven nissen met beelden van Christus, pilasters met weelderig krullende kapitelen, cartouches op muren her en der. Kortom het hele arsenaal decoratieve technieken die de kerk zo rococo mogelijk maakt.
Basilica di San Martino, Martina Franca
Piazza Maria Immacolata, Martina Franca
Voor de basiliek ligt de Piazza Plebiscito, waar zich het Palazzo dell’Universita bevindt en de Torre Civica en even verderop de Piazza Maria Immacolata met zijn stijlvolle arcadengalerij eromheen die het stadje de allure geeft van een rijke stad. Dit is het kloppende hart van het stadje. Ik fiets van hieruit door de via Vittorio Emmanuele en de Giuseppe Verdi naar de Piazza Roma waar het indrukwekkende zeventiende eeuwse Palazzo Ducale staat, dat werd gebouwd in opdracht van de hertoglijke familie van de Caracciolo. De architect was Giovanni Andrea Carducci uit Bergamo. Het is toegankelijk en de salons, kamers, zalen en kapellen zijn versierd met zwierige barokke fresco’s en rococo ornamenten, luxueuze lusters, spiegels en meubelen en met zijde beklede en weelderig omlijste deuren. Vandaag doet het paleis ook dienst als stadhuis en herbergt een museum. Het geeft een idee van de rijkdom van het huis van de hertogen van Caracciolo.
Palazzo Ducale, Martina Franca
Wanneer ik het stadje uitrij, wacht mij eerst een lange rit door een bosrijke omgeving via een Strada Provinziale die evenwijdig loopt met de drukke SS172 naar Taranto en daarna een duik naar beneden van het 400 meter hoge Murgiaplateau naar de zee. De trulli ten noorden van Martina Franca maken hier geleidelijk aan plaats voor de masseria’s van de olijfboeren, die ook schapen en varkens houden in met veldstenen ommuurde olijfboomgaarden.
Heel wat van deze masseria’s zijn gerestaureerd en zijn hier zowat de pendant van het agriturismo. Er worden kamers verhuurd, er is een bloementuin en een zwembad met ligstoelen dat koelte biedt tegen de loodzware hitte in de zomermaanden.
Masseria’s zijn versterkte, ommuurde boerderijen, waar niet alleen de hereboer woonde, maar vaak ook de landarbeiders. En dit was het land van de briganti, hier ten zuiden van Martina Franca bevond zich het territorium van de beruchte Papa Ciro. De hoge muur rond de boerderij bood bescherming tegen briganti van alle slag.
Brigante Papa Ciro
Een markante brigante was Papa Ciro (echte naam Ciro Annicchiarico) die in de negentiende eeuw actief was in de regio tussen Martina Franca, Taranto, San Marzano en Francavilla Fontana. Hij was een priester en muziekleraar uit Grottaglie. Maar de fonkelende ogen van een plaatselijke schone brachten bij Don Ciro al vlug de godvruchtigheid aan het wankelen. Antonia Zaccaria heette zijn femme fatale, een weduwe en moeder van twee zonen. Ze moet een fabelachtige aantrekkingskracht hebben gehad, want ze bracht niet alleen het hoofd van Ciro op hol, maar ook dat van een andere pastoor, Giuseppe Motolese, en zelfs dat van Giuseppe Maggiulli, een jonge telg uit de machtigste familie van het dorp. Motolese en Ciro hadden het al eens met elkaar aan de stok gehad in de sacristie van de plaatselijke kerk. Toen Motolese tijdens een processie in 1803 door een onbekende met een kap over zijn hoofd werd neergestoken en overleed, wees iedereen met een beschuldigende vinger naar Ciro. Ook de rechter van het gerechtshof in Lecce deed dat. Ciro pleitte onschuldig, maar kreeg 15 jaar cel aan zijn broek, net als de femme fatale, Antonia Zaccaria, die werd veroordeeld omdat zij ‘de oorzaak was geweest van de moord’ en dus volgens de rechter schuld trof. Ciro wist echter te ontsnappen en begon als voortvluchtige aan een tweede leven als bandiet (van het vulgair latijn bandire, verbannen) en ging schuilen in de bossen rond Grottaglie. Deed hij dit uit wraakzucht om ‘gerechtigheid’ te laten geschieden, wie zal het zeggen? Opmerkelijk was dat de rijke Maggiulli, de derde rivaal die in de ban was van Zaccaria, de dag na de moord uit Grottaglie verdween en daar nooit meer terugkwam. Maggiulli genoot bescherming van zijn oom Don Pier Felice, de hoofdpastoor van Grottaglie en van de plaatselijke notaris, Lacava, zo wordt gefluisterd.
Tot zover het persoonlijke drama van Ciro, maar er is ook een politieke dimensie, die niet altijd door chroniqueurs wordt verteld. Ciro werd door het koningshuis van de Borboni als een ordinaire bandiet afgedaan, maar werd vanaf 1815 eigenlijk een politieke vijand. Hij koos de kant van de Carbonari , die voor constitutionele vrijheden opkwamen, de absolute monarchie weg wilden en anticlericaal waren. Ciro sloot zich aan bij hun militante en gewapende vleugel, de Decisi, die strijd leverden tegen het leger van de koning. Er was even een poging om tot een soort staakt-het-vuren te komen met de Borboni, maar koning Ferdinand weigerde en stuurde de Ierse generaal Richard Church naar Lecce met de opdracht de Decisi en alle haarden van republikeinse opstandelingen uit te roeien. In San Manzaro kwam het tot een bloedig treffen tussen Church en de Decisi, waarin deze laatsten werden verslagen. Toen Papa Ciro na een klopjacht samen met zijn groep eindelijk in het nauw kon worden gedreven in de Masseria van Scassèvera bij Grottaglie, werd hij opgepakt en bekende hij te hebben deelgenomen aan een zeventigtal 'moorden' maar bleef hij vreemd genoeg de moord op priester Motolese ontkennen, zo schrijft een chroniqueur uit de 'Quotidiano di Bari'. Ciro werd in 1818 de dag nadien in Francavilla Fontana geëxecuteerd, waar de vermoedelijke moordenaar van Motolese, Maggiulli, ongestoord een dokterspraktijk uitoefende en hoogstwaarschijnlijk de executie bijwoonde. Was Papa Ciro een vrijheidsstrijder in een burgeroorlog of een brigante? De grens was soms flinterdun en hangt zoals zo vaak af uit welk kamp het narratief stamt.
Papa Ciro, Brigante uit Grottaglie
Zieke olijfbomen
Vele van de knoestige olijfbomen die hier staan, droegen al olijven in de tijd van de achttiende- en negentiende-eeuwse briganti. Olijfbomen kunnen namelijk honderden jaren oud worden, maar niet duizenden zoals vroeger werd beweerd. Volgens wetenschappelijk dendrologisch onderzoek zouden de oudste exemplaren in het Middellandse Zeegebied niet ouder zijn dan 700 jaar. Sommige van de oudste exemplaren van de ongeveer 50 miljoen bomen in Puglia hebben dus het koninkrijk Napels onder het Spaanse koningshuis van Aragon meegemaakt (1500-1713) en een veel groter aantal het huis van Bourbon (1734-1860), maar het merendeel zijn geplant na de eenmaking van Italië in 1860. 38% van de Italiaanse oppervlakte die begroeid is met olijfbomen bevindt zich in Puglia. De regio telt 240.000 olijfboeren en levert 40% van de Italiaanse olijfolieproductie tegenover 27% in Calabrië, 7% in Campanië en 6% op Sicilië. Tien jaar geleden in 2013 sloeg het noodlot toe voor de olijfboeren. De xylella-fastidiosa-bacterie maakte de oversteek vanuit Zuid-Amerika naar Puglia en besmette sedertdien honderdduizenden olijfbomen die een langzame dood door verstikking stierven. De bacterie doet namelijk de kanaaltjes in de bomen dichtslibben waarlangs het water van de wortels naar de bladeren wordt gevoerd. Kevers die de besmette blaadjes eten verspreiden de bacterie via hun speeksel naar de volgende boom. Vorig jaar werden in de Valle d’Istria rond onder meer Alberobello nieuwe besmette haarden ontdekt. Alle bomen in een straal van 50 meter rond de besmette boom worden dan aan een grondig onderzoek onderworpen en er wordt een bufferzone van 5 km ingesteld. Maar het probleem is dat de ziekte zich ook verspreidt via 36 andere planten, die drager kunnen zijn van de bacterie. Daardoor zijn in Puglia al 8.000 km² aangetast, een catastrofe voor de plaatselijke landbouw.
Olijfgaard aangetast door xylella fastidiosa
Wijn uit Puglia
Puglia heeft dankzij zijn heterogene bodem en klimaat een grote schakering aan wijnen. Op het plateau van de Murge is de kalkbodem uitstekend geschikt voor wijnteelt in wijnstreken rond Gravina di Puglia, Gioia del Colle, Locorotondo en Martina Franca. Voor rode wijnen is de Primitivo-druif populair, samen met de Nero di Troia. Voor witte wijnen dragen de wijnstokken Malvasia bianca-, Verdeca- en de D’allesano bianco-druiven.
In de streek tussen ten zuiden van Martina Franca en Francavilla Fontana en ten oosten van de havenstad Taranto telen de wijnboeren vooral de Primitivo-druif die op de kalkhoudende en zandige bodem, en onder invloed van de overvloedige zon en een voortdurend aanwezige zeebries de volle smaak hebben van donker fruit, omdat ze al vroeg rijpen en dus veel suiker bevatten. Een van de beste rode wijnen van Puglia uit de streek rond het stadje Manduria is de Primitivo di Manduria DOC. Naast de primitivo-druif zijn de over heel Italië wijdverbreide Sangiovese druif en de lokale Negroamaro-druif hier de meest geteelde druiven voor rode wijn. Op basis van de Negroamaro wordt in de meer oostelijk gelegen Salentostreek rond Salice Salento, een fruitiger en kruidiger wijn met minder tanines gemaakt. Puglia is in volume de tweede wijnregio van Italië na Veneto, maar daarvan is het grootste deel goedkope bulkwijn, slechts 7% is Denominazione di Origine Controllata.
Terwijl ik afdaal, stroomt de warme lucht langs mijn hoofd en helm stroomt, raast hij in mijn oren. ik heb mijn gestroomlijnde gele anti-UV-bril opgezet, meer als bescherming tegen ongewenste vliegjes en andere insecten in mijn ogen dan tegen de zon. Bij al te scherpe bochten rem ik af, bepakt met fietszakken hoef je de stabiliteit van een tweewieler niet te tarten. In de vlakte kom ik weer op het traject van de Via Appia terecht die via Taranto tot in Brindisi aan de Adriatische kust loopt. Die oude Romeinse heirweg naar het zuiden liep ook over andere steden op mijn traject zoals Benevento, Venosa, Gravina di Puglia en Matera. Hij werd genoemd naar de initiatiefnemer Appius Claudius Caecus, die zijn legioenen sneller naar het gebied van de Samnieten wou verplaatsen, waarmee hij in een oorlog verwikkeld was en in 312 voor Christus met de aanleg begon. De huidige SS7 volgt ruwweg de oude Appia. Als ik uiteindelijk in de vlakte beland, valt mijn oog op de gigantische staalfabriek van de Acciaierie d’Italia (ADI) ten westen van de stad.
De Acciaierie d'Italia, een staatszaak
In de Acciaierie d'Italia (ADI) was Arcelor Mittal tot voor kort met 62% van de aandelen de hoofdaandeelhouder participeerde de staatsholding Invitalia voor 38% mee. Er moest een nieuwe kapitaalinjectie komen van Invitalia, maar die bleef ondermaats en Arcelor Mittal, dat evenmin bereid was om massaal te investeren in de dure vergroening van de fabriek, trok zich terug uit het aandeelhouderschap. In 2024 besliste de Italiaanse overheid om ADI onder de controle van overheidscommissarissen te plaatsen. De ADI was indertijd de grootste staalfabriek van Europa en produceerde in de jaren 1980 nog 11,5 miljoen ton staal per jaar. In 2024 bedroeg de productie nog 2 miljoen ton, terwijl de doelstelling voor 2025 3,5 miljoen ton is. Dat is minder dan Sidmar/Arcelor Mittal Gent. Met haar 11.000 werknemers was ze veruit de grootste werkverschaffer in de streek, maar door de productiedalingen en herstructureringen is ongeveer de helft daarvan ontslagen of tijdelijk werkloos.
Acciaierie d'Italia (ADI), Taranto
Een groot probleem was dat de staalfabriek een enorme luchtvervuiler was die het een decennium lang aan de stok kreeg met milieubewegingen. In 2012 bleek uit diverse onderzoeken dat ze enorme hoeveelheden dioxine uitstootte, meer dan een derde van alle dioxine-emissies in heel Italië. Een studie gepubliceerd in 2022 toonde aan dat ondanks beloften van de verschillende regeringen aan de pollutie bitter weinig was gedaan. Volgens actiegroepen hield zelfs de Europese Commissie de Italiaanse regering een hand boven het hoofd om Europese milieuwetgeving niet toe te passen. Lokale artsen wezen erop dat er een veel hoger aantal gevallen van kanker, kindersterfte en bloedarmoede werd vastgesteld dan elders in Italië, vooral in de Tamburi-wijk vlakbij de fabriek, waar daken en muren van de appartementsblokken onder een rode laag ijzerertsstof zaten. Plaatselijke dokters stelden vast dat als de wind uit het noordwesten waaide hun kabinetten overspoeld werden met hoestende patiënten met longaandoeningen. Het leverde de Italiaanse regering een terechtwijzing op van haar eigen grondwettelijk Hof en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De toekomst en het inkomen van een groot deel van de bewoners van deze stad hing echter af van het lot van deze staalreus. Na een brand in de fabriek in mei 2025 werden 4000 werknemers op tijdelijk onbetaald verlof geplaatst. De sociaaldemocraten van de Partito Democratico willen de fabriek openhouden, maar ook saneren en de nodige maatregelen nemen om ze minder te laten uitstoten. De vakbonden vrezen echter dat de rechtse regering Meloni aanstuurt op massale ontslagen en een sluipende ‘ontmanteling’ van de fabriek. Oorspronkelijk wilde de vijfsterrenbeweging M5S de fabriek sluiten uit milieuoverwegingen, maar dat is haar niet gelukt toen ze nog deel uitmaakte van de regering. In Europa is er een debat geweest of Italië voor de sanering van zijn fabriek niet de 194 miljard euro uit het Europese de Recovery and Resilience Facility (RFF) mocht aanspreken dat het land was toegewezen. De bedoeling van dat fonds is echter om de economie groener, digitaler en veerkrachtiger te maken en niet om een vervuilende staalfabriek in leven te houden. ADI komt nu wel in aanmerking voor middelen/leningen en garanties die groene transitie en C02-arme processen in de fabriek moeten stimuleren, maar krijgt geen subsidies om de oude hoogovens te financieren. En intussen is door al die negatieve aandacht voor de luchtvervuiling de toeristische aantrekkingskracht van de stad stevig aangetast.
Taranto, wijk in havenbuurt
Wanneer ik de stad wil binnenrijden moet ik de Ponte Punta Penna Pizzone (die de Punta Penna met de Punta Pizzone verbindt) of de ‘Ponte Aldo Moro’ over en dat kan helaas alleen over weer zo’n vermaledijde viervaksbaan, de superstrada Ponte Punta, die het vasteland met de binnenstad van Taranto op het schiereiland verbindt. Hier moet je namelijk de Mare Piccolo oversteken, een kleine lagune van de Ionische Zee en de kortste weg naar het centrum is over deze brug van 1,9 km lang en 45 meter hoog. Dus riskeer ik het maar. Het uitzicht over de stad vanop de brug is indrukwekkend, maar even halt houden zit er hier niet in, want het verkeer raast langs me heen. Eigenlijk had ik dit niet hoeven te doen, want een omweg van 3 km had me aan de Ponte Girevole (een draaibrug) over een kanaal en aan de Ponte Porta Napoli over een smalle zeeëngte gebracht die de binnenzee met de open zee verbinden. Tja, maar dat merkte ik pas achteraf. Het verkeer verloopt er traag, er zijn slechts twee rijstroken en er is zelfs een fietsstrook. Maar zoals zo vaak al herhaald, kun je aanwijzingen voor fieters verwachten in een land waar nauwelijks iemand fietst? Op het eilandje tussen die twee bruggen bevindt zich trouwens de Borgo Antico met het iconische Castello Aragonese.
Wanneer ik van de brug af rijd, kom ik meteen bij de marinehaven via een straat die langs loodsen, een gigantische droogdok langs de westkant van het schiereiland aan de Piccolo Mare is gebouwd en waar verschillende fregatboten aan de kade liggen. De marineboten kunnen er via een kanaal koers zetten naar volle zee. Maar de haven is hier zowat overal aanwezig voor aanvoer en uitvoer in dienst van de lokale industrie. Naast de grootste staalfabriek van Italië zijn hier ook ook olieraffinaderijen van o.a. Agip en ENI, is er ook chemische industrie en zijn er voedingsverwerkingsbedrijven. Daarnaast is er ook aan de kant van de Ionische zee een containerterminal die wordt uitgebaat door internationale containeroverslagbedrijven Hutchison Whampoa en Evergreen Marine Corp. Na het idyllische en pastorale binnenland van trulli, masseria’s en grotwoningen is deze industriële omgeving een beetje een schok en nodigt niet echt uit tot een lang verblijf. Ook de eerste indrukken van de stadsrand bieden een ander beeld van Puglia: eentonige, aftandse appartementsblokken met fietsen, wasdraden vol lakens, broeken en t-shirts op het balkon, auto’s met deuken op de parkings ertussenin, een beetje zoals men zich een voorstad van Napels zou voorstellen.
Het contrast met de Lungomare Vittorio Emmanuele II, de mondaine boulevard aan de oostkant van het schiereiland die uitkijkt op de Ionische zee is groot. De boulevard wordt van een promenade voor voetgangers gescheiden door een lange parkzone met pijnbomen en palmbomen. Langs de passegiata, de promenade dus, heb je tussen de oleanders en de algaven een zicht op de open zee en het maritieme verkeer van en naar de haven. Langs de boulevard staat een kolossaal gebouw, dat alle aandacht opeist. Het is het Palazzo del Governo dat, hoe kan het ook anders, in de jaren 1930 onder het fascistische regime van Mussolini werd gebouwd.
Palazzo del Governo
Met zijn twee vierkanten torens van 52 meter hoog die op de buitenhoeken boven het massieve bouwwerk uitsteken vormen ze een “M” ter ere van wie anders dan Il Duce, Mussolini. Het lijken wel verdedigingstorens en de schuine versterkende borstweringen links en rechts tegen de buitenmuren geven het gebouw meer het uitzicht van een vesting dan van een administratief gebouw. Vandaag huisvest het nog steeds het provinciebestuur, de prefectuur en de politie. Ervoor werd een piazza in de vorm van een rotonde aangelegd, wellicht om de volksmassa te verzamelen voor de toespraken van bovengenoemde. Naast de ingang links en rechts staat een bronzen Romeinse legioenstandaard als symbool van de Romanità, de mythische Romeinse heroïek waarop de fascistische staat beweerde te zijn gebouwd. Militaristische discipline en gehoorzaamheid, moed en kracht moest de stile littorio, de typische bouwstijl van de fascistische architectuur, uitstralen. Het waren eigenschappen die hoog in aanzien stonden bij de Romeinse legioenen en dus ook in de totalitaire fascistische staat.
Palazzo del Governo, Taranto
Het Castello Aragonese
Ten zuiden van de Lungomare en de bebouwde stadskern ligt een tweede marinebasis aan de Mare Grande. Aan het andere uiteinde van het schiereiland biedt de Corso Due Mari met zijn brede promenade met zitbanken en vijfkoppige lantaarnpalen een uitzicht op het Borgo Antico dat op een eiland ligt middenin de zeeëngte die de Piccolo Mare van de Mare Grande scheidt. Het zicht op het eiland vanaf de Corso wordt volledig gedomineerd door het indrukwekkende Castello Aragonese met zijn massieve ronde torens. Momenteel is in het Castello het commando van de marinebasis gevestigd. Het werd gebouwd in opdracht van Ferdinand I van Napels door de militaire ingenieur Francesco di Giorgio Martini en voltooid in 1492. De vier massieve ronde torens, gewijd aan Sint-Kristoffel, San Lorenzo, aan de Bandiera (de vlag) en de Heilige Maagd en de dikke muren van de vesting moesten bestand zijn tegen de kanonskogels die werden afgevuurd vanop schepen. Het Castello verloor zijn functie als vesting onder de Habsburgers in de zeventiende eeuw en werd ingericht als gevangenis. Napoleon herstelde het in zijn functie van vesting. Eind de negentiende eeuw nam de Italiaanse marine er zijn intrek in.
Castelllo Aragonese, Taranto
De Borgo Antico
De Borgo Antico heeft met de Basilica Cattedrale di San Cataldo en de overblijfselen van een Griekse tempel in de vorm van twee rechtopstaande Dorische zuilen nog wel wat bezienswaardigs, maar ligt er vervallen en wat verwaarloosd bij. Hier zijn wel wat horeca-zaken: hotels, b&b’s, visrestaurants waar je de plaatselijke mossels en oesters uit de lagune van de Piccolo Mare kan proeven, maar heel wat woningen staan al jaren leeg en zien er belabberd uit. Daardoor heeft het stadsbestuur zich genoodzaakt gezien om een paardenmiddel boven te halen om investeerders aan te trekken. Gebouwen in de oude stad worden voor een symbolische euro verkocht op voorwaarde dat de koper onmiddellijk begint met de aanvraag van de nodige vergunningen en certificaten en binnen het jaar de renovatie van de woningen start en daarbij ecologisch duurzame materialen gebruikt. De gecreëerde woningen moeten onmiddellijk worden verhuurd.
En dan zijn er natuurlijk ook nog die twee Dorische zuilen, de overblijfselen van een tempel gewijd aan Posseidon. Ze zijn de wat eenzame getuigen van Griekse aanwezigheid die hier zo’n 2700 jaar een aanvang nam (zie webpagina 'Taranto en Magna Graecia').
Met de trein naar Calabrië
Het is nog steeds 8 september en de tijd begint te dringen, ik wil vandaag nog weg uit Taranto. Verder naar het oosten ligt de betoverende Adriatische kust van de Salento, waar het zeewater klotst tegen rotsen op schilderachtige plaatsen als Roca Vecchia, de Baia dei Turchi, Porto Badisco en Porto Miggiano die afwisselen met de stranden in de baaien. Het uiterste punt van de hiel is Capo Santa Maria di Leuca, waar de westelijke Ionische zee in de Adriatische stroomt of omgekeerd. Vanaf Taranto langs de Ionische kust naar de kaap is twee dagen fietsen via de twee bekende badplaatsen Porto Cesareo en Galipoli, elk voorzien van fabuleuze stranden, een bezienswaardige historische binnenstad en een vissershaven. Naast de mooiste stranden van Puglia (Apulië) heeft de Ionische zee hier ook verschillende natuurreservaten langs haar kust met onder meer een beschermd marinepark, de Area marina protetta di Porto Cesareo. Maar een kleine berekening doet me besluiten dat ik daarvoor de tijd niet meer heb. Bovendien is het plan om in Calabrië en Sicilië honderden kilometers langs de zee te fietsen met als eindbestemming Palermo. Het zeegevoel is hier in Zuid-Italië nooit veraf.
Westwaarts richting Calabrië fietsen dan maar? Helaas, neen, want hier stuit ik op één van die vreselijke Italiaanse ongerijmdheden: westwaarts door de smalle kustvlakte langs de Ionische Zee is er gewoon geen weg voor fietsers richting Calabrië. Er is wel een autosnelweg, de E90 en er is wel een wirwar van kleine wegen, soms hele stroken langs diezelfde E90 zelfs, maar op heel wat plaatsen worden die abrupt onderbroken en lopen ze dood of moet er noordwaarts de bergen in gefietst worden om aansluiting te vinden op de volgende weg die westwaarts loopt. Te riskant, besluit ik. Het alternatief is een meer noordelijke route door de bergen naar Cosenza in Calabrië, maar dat is een uitputtende onderneming van minstens drie dagen fietsen en 2500 à 3000 hoogtemeters. En vanuit Cosenza is het dan nog een dagrit naar de Tyrrheense zee. Een derde keer de Apennijnen over is één keer te veel, zeker met Calabrië, Sicilië en Sardinië nog op het programma. Er zit bijgevolg niets anders op dan me naar het dichtstbijzijnde stazione van de SNCF te begeven. De Italiaanse spoorwegen hebben de reputatie, anders dan het wegennet, om wel fietsvriendelijk te zijn. Ik begeef me over de Ponte Girevole dwars door de Borgo Antico en over de Ponte Porta Napoli naar het station.
Op de trein door Basilicata en Campanië
Aan het loket verneem ik dat ik die dag niet meer tot in Cosenza kan sporen, maar tot in Paola bijvoorbeeld wel. Dat is een badstad ten noorden van Cosenza. Ik twijfel geen ogenblik, er is een spotgoedkoop supplement van enkele euros voor de fiets te betalen en de trein vertrekt binnen het kwartier. Ik jubel. Valt dat even mee! Ik koop nog vlug enkele belegde focaccio’s in de stationshop voor onderweg en de conducteur leidt me op het perron meteen naar de carrozza die bestemd is voor fietsers, waar ik mijn ros in het fietsrek plaats. Er is bovendien airco op de trein. Heerlijk, lang geleden dat ik nog van dit soort reiscomfort heb genoten, de rit van zes en een halve uur zal zo voorbij zijn. Ik vraag aan de ernstige heer die rechtover mij zit om even op mijn fietszakken te passen. Hij straalt vertrouwen uit. Ik trek in het WC mijn gekke fietsbroek en mijn fluo t-shirt uit en schuif in mijn cargo shorts en een frisse t-shirt. Italianen zijn gesteld op nette kledij en er sjofel uitzien associëren ze al vlug met armoede of een vagebondbestaan of heb ik dat verkeerd gezien?
De man die op mijn spullen past is een onderwijzer uit Potenza. Dat is één van de volgende stopplaatsen op de lange rit naar het westen en tevens de hoofdstad van de regio Basilicata. Hij moet ongeveer mijn leeftijd zijn, schat ik. Hij vertelt me dat hij er al 40 dienstjaren heeft op zitten. Met de jaren heeft hij de lagere school zien evolueren. Ik begrijp dat er vijf leerjaren zijn en dat op 11 jaar al de overgang naar het secundair onderwijs plaatsvindt. Dat de jeugd vandaag al veel beter Engels spreekt dan 20 jaar geleden, zeg ik hem. Begrijpelijk, ze krijgen al in het derde leerjaar hun eerste lessen Engels, zegt hij:'Maar er is natuurlijk ook de invloed van de sociale media, Youtube, Instagram en Facebook'. Niet van de televisie, want de films worden er nog steeds naar het Italiaans gedubd, werp ik op, zowel op de commerciële als op de RAI-zenders. Ja, dat vindt hij ook een kwalijke gewoonte. Italianen horen vooral zichzelf graag spreken, grinnikt hij, in het Italiaans natuurlijk. Vooral de politici in Rome zijn daar meesters in. “Wij hier in de Mezzogiorno nemen ze niet meer au sérieux. Ze beloven maar, maar voor er een beloofde euro in het zuiden aankomt zijn er alweer drie regeringen gepasseerd.” Hij heeft het voorbeeld van een nieuw schoolgebouw dat tien jaar geleden administratief werd beslist en waarvan de eerste steen dit jaar in het voorjaar werd gelegd. Hij hunkert naar zijn pensioen en als het zover is, wil hij aan de zee gaan wonen. We komen al vlug aan in Potenza na een lange klim, want de stad ligt meer dan 800 meter hoog. Hij neemt afscheid en wenst me een goede fietsreis toe. Een half uur later rijden we opnieuw de grens met Campanië over. Op het internet raak ik nauwelijks. Bijna de hele rit lang is mobiel internet via 3G of 4G nauwelijks te capteren. De treinbedding loopt door kloven tussen rotsen, tussen beboste bergen en heuvels en door talloze tunnels. Het duurt meer dan een uur voor we de daling inzetten naar de kustvlakte. De drukte op de autowegen die nu in beeld komen door het raampje doen vermoeden dat we een stedelijke omgeving naderen. De eerste stopplaats in de vlakte klinkt me bekend in de oren. Eboli, ja natuurlijk, de titel van dat aangrijpende boek Christo si é fermato a Eboli van Carlo Levi. Verder dan hier is Christus dus niet gekomen volgens Levi, die door de fascisten verbannen werd naar een dorp in Basilicata. Hier eindigde in de jaren dertig zowat de hele beschaving volgens Levi en bestond deze treinlijn dus nog niet. Ik maak me klaar, want de volgende halte is Battipaglia, een belangrijk spoorknooppunt in de stedelijke cluster ten zuiden van Salerno. Hier moet ik overstappen op een trein die van Salerno helemaal naar de tip van de laars spoort, naar Reggio di Calabria. Alles verloopt naar wens al is het steeds een heel gesleur met de fietszakken en de fiets van het ene perron naar het andere, trappen af en trappen op. Geen liften hier. Na een kwartiertje wachten arriveert de trein en stap ik in de fietswagon. Hier zit een groep Noord-Italianen, die een fietsvakantie in de Mezzogiorno hebben gepland. Hun perfect begrijpelijk Italiaans klinkt als muziek in de oren. Ze stappen af in Praia a Mare waar ze overnachten en rijden met de fiets verder langs de kust naar het zuiden, begrijp ik uit hun gesprekken.Langs de kust is recreatief fietsen comfortabel in Calabrië. Maar wie het binnenland in wil, mag zich aan zware klimpartijen verwachten. De heuvels beginnen er al enkele honderden meters van het strand en dieper landinwaarts beginnen de beboste flanken van de bergen.
Paestum
De tweede verrassing van de dag is dat de trein op enkele honderden meters van het archeologisch park van Paestum passeert. Net als Taras was Poseidonia (Paestum) een Griekse kolonie die in de zevende eeuw voor Christus werd gesticht en ook hier werd een Posseidontempel gebouwd. Maar terwijl er in Taranto nog slechts twee zuilen rechtop staan, is de tempel met zijn imposante Dorische zuilen hier wonderlijk intact gebleven. Hij dateert uit de vijfde eeuw voor Christus en is zelfs één van de best bewaarde Griekse tempels in het hele Middellandse Zeegebied. Naast de tempel voor Posseidon staan er nog twee Dorische tempels op de site. Een voor Hera, de zogenaamde basilica, waarvan alleen de zuilen zijn overgebleven en een Athenatempel met een verhoogd fronton. De hele site werd ontdekt bij wegenbouwwerken in de 18de eeuw. Verder zijn er ook ruïnes van thermen, een forum en een amfitheater te zien.
Verder naar het zuiden in Agropolis nadert de trein de zee weer en rijdt dan tussen twee kleinere gebergtes door de vallei van de Allento naar de volgende badplaats: Marina di Ascea. Vanaf hier volgt het spoor de kust weer. In Praia a Mare stapt de hele groep fietsers af en blijf ik alleen in de wagon achter tot in Paola.
De Posseidontempel in Paestum
Koele ontvangst in Paola
Het is na negenen als ik er arriveer en pikdonker. Het stadje baadt in het licht, maar de weg naar mijn b&b leidt de heuvels in en zo heb ik toch nog mijn dagelijkse klimpartij kunnen meepikken. Ik moet verschillende keren de weg vragen voor ik aankom bij een wat aftandse woonblok met een parking waarvan de toegang door een hek is versperd en alleen met een code te openen is. Ik bel de eigenares op, die helemaal beneden in de stad woont. Ze is niet in haar nopjes met mijn laattijdige aankomst en weigert aanvankelijk om me nog te helpen, terwijl ik toch bij booking.com heb geboekt. ‘Ik laat niemand meer binnen na 8 uur’, zegt ze. Nergens stond vermeld toen ze via mail de booking bevestigde dat dit een voorwaarde was. Ik probeer haar te overtuigen, maak haar diets dat ik geen zin heb om op straat te slapen en uiteindelijk stemt ze in, flink tegen haar zin. Oef, dat was op het nippertje. Ze laat me een kwartier wachten, arriveert in een suv met gierende banden, opent het hek en laat me de sobere studio binnen. Haar woordje uitleg bij de douche, het functioneren van het koffiezetapparaat en de tv klinkt als de orders van een legercommandant. Ze doet me meteen betalen, geeft me de instructies waar ik de sleutel moet deponeren als ik de studio verlaat en met welke code ik het hek kan openen en verdwijnt met de zuurste buona sera die ik op mijn hele reis heb gehoord. Ik bijt op mijn lippen en blijf beleefd, hoewel ik er haar dolgraag nog even had aan herinnerd dat ze zich niet aan de bookingsvoorwaarden had gehouden. Maar voor een snedige discussie, voor wat ironie is mijn Italiaans te elementair en ik wil niet het risico lopen dat ze er een of andere bodyguard bijhaalt die me manu militare aan de deur zet.
Incident gesloten dus. Ik neem een douche, zet een raam open en laat de zeelucht binnenstromen. Ik kom tot rust bij een biertje dat ik uit mijn fietszak diep en ga slapen.