9 september: langs de stranden van Calabrië van Paola naar Bivona

‘s Anderendaags hoef ik alleen maar af en toe mijn remmen dicht te trekken terwijl ik van mijn b&b op de heuvel naar het centrum van Paola bij de zee glijd. Tussen haakjes, er is geen enkel verband tussen deze stad en onze voormalige koningin en princesse de Liège, Paola di Ruffo di Calabria. Met deze stad heeft de koningin geen connecties en zelfs voor banden met Calabria moeten we heel ver teruggaan in de tijd. Paola werd in Forte dei Marmi in Toscane geboren als jongste van zeven kinderen. 

Paola di Ruffo di Calabria en haar vader

Haar vader was Fulco VIII di Ruffo di Calabria en hij mag dan een resem titels hebben gevoerd zoals de prins van Scilla, de 18de graaf van Sinopoli - allebei stadjes in Zuid-Calabrië - hij verbleef er omzeggens nooit. Calabrië wees op een verre afkomst als telg uit een adellijke geslacht dat al bestond sinds de 12de eeuw en dat altijd nauwe banden met het Vaticaan had. Het heeft niet voor niets vier kardinalen voortgebracht.  

Fulco VIII was een gevierd piloot in het Italiaans leger in de Eerste Wereldoorlog, een beetje een oorlogsheld dus en werd door toedoen van koning Victor Emmanuel III senator onder het fascisme, maar dan als koningsgezinde. Maar koningsgezindheid was geen vrijgeleide om na de Tweede Wereldoorlog de handen in onschuld te kunnen wassen. Koning Victor Emmanuel III heeft namelijk decennialang Mussolini nooit een strobreed in de weg gelegd en niets tegen zijn zachte staatsgreep ondernomen in 1922, al had hij met enkele legereenheden de mars van de zwarthemden op Rome gemakkelijk kunnen verhinderen. Dus moest Fulco na de oorlog voor de Alta Corte di Giustizia per le Sanzioni contro il Fascismo verschijnen omdat hij in het pluche van de senaat zetelde onder het fascisme, ook al had hij er als overtuigd monarchist nauwelijks actief aan deelgenomen. Ter zijner verdediging pleit dat er aanwijzingen zijn dat hij afwijzend stond tegenover Mussolini’s bewind. Twee van zijn zonen sloten zich overigens aan bij het verzet tegen de Duitse bezetter en zijn fascistische bondgenoten.    

 

Paola ligt in de meest noordelijke provincie van Calabrië, genoemd naar zijn hoofdstad, Cosenza. Bijzonder aan deze provincie is dat ze het grootste aantal Albanese dorpen van Italië telt. De inwoners noemen zich Arbëreshë of Italo-Albanezen. Hun voorouders zijn hier in de vijftiende en zestiende eeuw naartoe gevlucht toen hun moederland onder de voet gelopen werd door de Ottomanen

Arbëreshë en Italo-Albanezen

De Arbëreshë spreken een variant van het Albanees en het grootste deel is lid van de Byzantijns-katholieke kerk, die de Byzantijnse liturgie volgt in haar kerkdiensten, maar de paus van Rome erkent als de opperste kerkelijke leider. Deze Italo-Albanese gemeenschap heeft er eeuwenlang op toegezien dat haar etnische Albanese tradities in ere werden gehouden en hun oorspronkelijke taal gesproken blijft. De naamborden zijn er nog steeds tweetalig. Zo wordt Commune een ‘Biashka’ en de polizia municipale de policia biashkiaka en wordt het Centro della Città de ‘Qendra’. De kerk speelde daarin een vooraanstaande rol. Hun dorpen, meestal diep in de bergen gelegen, hebben zowel een Italiaanse als een Albanese naam. Zo is Cerzeto ook Qana, Civita in het Polino-gebergte wordt çifti,  Lungro wordt Ungra, San Basile wordt Shën Vasili, San Cosmo Albanese wordt Strihàri enz. Vaak hebben ze ook hun typische volksdans, de Vallje bewaard, die ze dansen in kleurrijke folkloristische outfit.  Net als vele andere Calabrezen zijn ook heel wat Arbëreshë geëmigreerd om elders werk te vinden. Zo is er een Arbërshë gemeenschap die in Limburg in de koolmijnen kwam werken. 

800.000 Italo-Albanezen

De oorspronkelijke Arbëreshë vormen vandaag in Italië slechts een minderheid van het totale aantal immigranten van Albanese herkomst, dat op 800.000 wordt geschat. De meeste recente immigratie had plaats na de val van het communisme in 1990. Enver Hoxha, die in 1944 met zijn communistisch verzetsleger de Italiaanse fascistische bezetter uit het land had verdreven, werd decennialang de onbetwistbare leider in het dunbevolkte land. Hij bleef aan de macht tot zijn dood in 1985 en brak ongeveer met alle andere communistische landen in de wereld, te beginnen met maarschalk Tito van buurland Joegoslavië, daarna met Sowjetleider Chroetsjov en nog later met de Chinese communistische leider Mao Tse Toeng. Hij vond zichzelf ongeveer de enige regeringsleider die trouw bleef aan de stalinistische leer, maar met nauwelijks bondgenoten of handel met andere landen was hij gedoemd om zijn land zelfbedruipend te maken voor voedselvoorziening en andere producten. Een kwalijk neveneffect van dat isolement was dat hij behoorlijk paranoïde werd en zijn land vol bunkers bouwde en politiek andersdenkenden gevangen zette. Na zijn dood begon de exodus, vooral naar Italië, waar de meeste Albanezen in de steden van het rijkere noorden belandden.  Wat na de val van het communisme in 1990 in het thuisland volgde was zo mogelijk een nog schadelijker vorm van wild kapitalisme dan wat Rusland onder Boris Jeltsin gekend had. Overal verschenen frauduleuze investeringsfondsen die mensen mega-interesten beloofden, maar die in feite ponzi-piramideconstructies waren waarbij grote delen van de bevolking niet alleen hun inleg verloren, maar ook hun huis dat ze hadden verkocht om te beleggen. Vele van deze constructies dienden voor witwasoperaties of voor wapenhandel. Het gevolg was een halve burgeroorlog, waarbij criminele gangs wapendepots van het leger plunderden en bepaalde steden in het zuiden militair in hun macht kregen. Er ontstonden wetteloze, chaotische situaties die vandaag alleen nog in staatloze Afrikaanse gebieden voorkomen. Een internationale VN-vredesmacht moest er orde op zaken komen stellen. Een volgende crisis en emigratiegolf volgde op de uitbraak van de onafhankelijkheidsoorlog van Kosovo, een onderdeel van Servië met een Albanese meerderheid, waarin Albanië het Kosovaars bevrijdingsleger steunde dat vocht tegen de Servisch troepen. Het westen koos uiteindelijk de kant van Kosovo en liet de Navo Servië bombarderen. Die Kosovaarse oorlog bracht een volgende emigratiegolf op gang naar onder meer Italië. 

Paola Marina,Calabrië

 

Ik neem mijn ontbijt in een koffiehuis met cornetti en een capuccino, want in mijn b&b viel er nauwelijks iets te eten, tenzij twee mierzoete, in plastic verpakte koekjes. 

Het wordt een niet al te vlakke kustrit zuidwaarts van meer dan honderd kilometer tot in Vibona bij Vibo Valentia Marina, waar ik een albergo heb geboekt aan de Spiaggia Vibona. Na een treinreis en een korte rit in Puglia, kan ik er weer eens fors tegenaan gaan. De loodzware hitte lijkt hier voorlopig achter de rug en de zachte zeebries waait me koelte toe bij het fietsen. Paola Marina is een badplaats met een breed strand dat is opgedeeld in lido’s, clubs, strandbars, restaurants en beach resorts waar ik in de voormiddag nauwelijks publiek aantref. Een fietsroute, de Via Lungomare, loopt tussen het strand en de spoorweg. Even buiten de badplaats zijn wigvormige golfbrekers van rotsblokken in de zee gebouwd die de golven op de stranden en in de jachthavens moeten breken. Waar het spiaggia libera begint, in San Lucido, waar je dus vrij op het strand kunt staan en gaan waar je wilt, houdt de leuke weg langs de zee op en moet ik landinwaarts de SS18 op, terwijl de spoorlijn hier naast het strand loopt. Het meeste vrachtverkeer op de Strada Statale is hier lokaal want de grote route voor het vrachtverkeer van Napels naar de punt van de laars in Reggio di Calabria en verderop naar Sicilië volgt vanaf Salerno de autosnelweg E45 door het binnenland naar Cosenza en loopt pas in Cartolano Catanzaro opnieuw langs de kust. 

Om naar het strand af te zakken moet je hier bijgevolg onder spoorviaducten door. Even verderop kan ik de Strada Statale verlaten en rij ik de SP 39 op die weer tussen het strand en de spoorweg loopt en terug een ‘via lungomare’ wordt. Met de bergketen landinwaarts tegen de achtergrond is het contrast met het ongerepte, verlaten strand hier indrukwekkend. Hier in Torremezzo di Falconara is het strand op sommige plaatsen honderden meters breed. Even verderop kom ik aan in het Scalo Ferroviario van Cosenza. Dit is het treinstation van Cosenza. De stad zelf ligt aan de overkant van een bergketen van wel 1000 meter hoog ligt. Voor wie met de trein vanuit Cosenza verder naar het zuiden wil, naar Sicilië of Reggio di Calabria zit er niets anders op dan een bus te nemen die je over de bergen  naar het station in Scalo Cosenza aan de zee brengt of de bochtige bergrit met de eigen wagen te maken. Want vanuit de stad Cosenza zelf dat in de vallei van de rivier de Busento ingesloten ligt tussen twee bergketens is er geen spoorlijn verder zuidwaarts meer. Ook ik bedank feestelijk voor een kort bezoekje aan de provinciehoofdstad Cosenza. Met meer dan 2000 hoogtemeters heen en terug zou het me twee dagen extra kosten. Het binnenland van Calabrië is bijzonder bergachtig. De nationale en regionale parken rijgen zich van noord naar zuid aaneen: het Parco Nazionale del Polino, het Parco Nazionale della Sila, Het Parco regionale delle Serre en het Parco Nazionale dell’ Aspromonte, sommige met toppen tot bijna 2000 meter. Kortom, voor fietsers luidt de boodschap: als je veel tijd hebt, wat natuurpracht wil bewonderen en niet vies bent van een colletje meer of minder, dan zijn dagexcursies met de fiets vanuit een vaste standplaats een goed idee. Maar als je vooruit wil komen en Calabrië een transit is naar Sicilië, volg dan de kustlijn.  Na het scalo station van Cosenza volgen op mijn route Longobardi Marina en Marina di Belmonte, twee badplaatsen van stadjes die meer landinwaarts liggen.

Amantea

Na 33 km kom ik ten slotte aan in Amantea, de eerste echte stad bij de zee. Hier ga ik even lunchen. Ik stap een kleine snackbar binnen voor een snelle hap en bestel me een ensalata con tonno en een focaccia met mozzarella, tomaat en ansjovis. Het meisje achter de toog tiktokt erop los en doet tussendoor wat telefoontjes. Behalve ikzelf is hier immers maar één klant, maar misschien is 14u30 al wat laat. Wanneer ik mijn koffie bestel om af te sluiten en mijn voorraad aqua frizzante uit de koelkast insla, vraagt ze me waar ik vandaan kom. 'Belgio?', daar heeft ze familie wonen, een oom, een tante en twee nichten, zegt ze, in wel in 'Brusselle'. En meteen voegt ze eraan toe: “Groot gelijk hebben ze, want hier valt toch geen werk te vinden. Voor jobs is Calabrië ‘il deserto’. ‘Jij hebt er toch één’, probeer ik haar te sussen. ‘Ja, maar dit is niet wat ik wil in het leven’. ‘Wat wil je dan wel’, vraag ik. 'Ik wil mijn eigen zaak, een kapsalon of een schoonheidssalon', flapt ze eruit, terwijl ze meewiegt op de Italiaanse croonermuziek uit de luidspreker achter haar. ‘Maar niet in Calabrië’. Ze kijkt me aan van onder haar wimperextensies en lijkt op een goedkeurende opmerking te wachten. ‘Goed idee, maar waar dan wel’, vraag ik. 'In Milano', zegt ze, ik heb daar ook familie, maar eerst moet ik hier nog wat geld verdienen. Ze schuift mijn bankkaart tussen haar roze nepnagels over de betaalterminal.  Om haar niet bruusk uit haar verre droom te halen wens ik haar het allerbeste voor de toekomst en een arrividerci in wie weet, misschien Milano of Brusselle. Ze glimlacht, wenst me ook een arrividerci. Ze zet de muziek wat luider, veegt haar toog schoon en begint voorwaar mee te zingen, met de deur wagenwijd open: ‘Non l’ho detto a nessuno che ho perso la testa e sono pazzo di te’. Nee, dat was duidelijk niet voor mij bedoeld. 

 

Strand bij Amantea

Ik rij Amantea uit langs weer eens een uitgestrekt verlaten strand. Nergens in Italië zag ik ongerepte stranden van die omvang, onaangeroerd door massatoerisme met alleen een spoorweg ernaast. De enige toeristen zijn Italianen. Voor buitenlanders lijkt dit wel terr a incognita. Misschien is het hier in het hoogseizoen wat drukker, maar in september is het weer hier uitstekend voor een strandvakantie en toch loopt er alleen een oude man met een hond op het strand. Voorbij Marinella fiets ik al de provincie Catanzaro in. Scalo Nocera en Scalo Falerna zijn  de stations van de gelijknamige dorpen langs de kustspoorlijn. In Nocera zelf is er een aftakking van de Autostrada del Sole oostwaarts naar Catanzaro, de hoofdstad van de gelijknamige provincie en de regio Calabrië. Door zijn centrale ligging halfweg tussen Noord- en Zuid-Calabrië en met zowel een uitweg naar de Ionische zee als naar de Tirreno geniet de stad van een uitstekende ligging. Ik rijd langs de SS18 tot de volgende baai, waar de smalle kuststrook een wat bredere kustvlakte wordt en de weg landinwaarts een wijde boog rond de plaatselijke luchthaven van Lamezia Terme maakt. Het stadje zelf ligt wat verder in het binnenland en is eigenlijk nauwelijk vermeldenswaardig, ware het niet dat het de jongste jaren uitgebreid in het nieuws gekomen is, omdat hier een speciaal sterk beveiligd gerechtsgebouw werd opgetrokken voor het megaproces tegen de Ndrangheta, de Calabrese maffia.

 

De Ndrangheta heeft Calabrië in zijn greep

 

Ndrangheta is oud Grieks voor ‘band van dappere mannen’.  Vanaf de jaren zeventig mochten ze als het kleine broertje van de Camorra in Napels en de Cosa Nostra in Sicilië deelnemen aan de illegale sigarettensmokkel.

Zoals elke  maffia-organisatie leefde de Ndrangheta aanvankelijk van de pizzo, het beschermgeld dat ze van winkels of bedrijfjes eiste. Wie weigerde te betalen, moest niet verschieten als zijn zaak op een goeie dag in brand vloog of leeggehaald werd. Pure afpersing, nul bescherming dus.  In de jaren zeventig en tachtig kwamen daar de ontvoeringen van rijkelui bij, zoals de spraakmakende kidnapping van Paul Getty III, kleinzoon van de gelijknamige oliemagnaat en kunstverzamelaar, die in de zomer van 1973 door een commando van de N’drangheta werd opgepakt en ontvoerd. 

Aanvankelijk vroegen de kidnappers 17 miljoen dollar losgeld, maar de grootvader wou niet betalen omdat hij vreesde dat het 16-jarige enfant terrible, dat een marginaal kunstenaarsbestaan leidde in Rome en flirtte met rebelse linkse bewegingen, zelf de kidnapping had opgezet om zijn grootvader geld af te troggelen. Het werd pijnlijk duidelijk dat hij zich had vergist toen een oor en een haarlok die naar een krant werden opgestuurd van zijn kleinzoon bleken te zijn. De jongeman werd vastgehouden in een grot in Calabrië en uiteindelijk vrijgelaten in een tankstation in Basilicata na betaling van 2,2 miljoen dollar losgeld. Enkele van de kidnappers werden gearresteerd en veroordeeld.  De Ndrangheta bouwde ook de reputatie op bijzonder gewelddadig te zijn en zijn slachtoffers te laten verdwijnen in beton of op te lossen in een bad van bijtend zuur.

Gaandeweg groeide de organisatie en gingen ze internationaal opereren. De invoer van cocaïne, wapen- en mensenhandel en witwaspraktijken werden belangrijker. Tegelijk infiltreerden ze steeds dieper in de lokale economie. Maar eind 2019 werden bij een grote internationale politieoperatie 334 leden van de Ndrangheta opgepakt. Ongeveer 2500 politiemensen namen deel aan de actie. Hoofdaanklager was de procureur van Catanzaro, Nicola Gratteri. De klachten luidden moord, afpersing, drugshandel en witwassen van geld. Het proces startte in 2021 en doet denken aan het veel meer gemediatiseerde massaproces tegen de Cosa Nostra in de Siciliaanse hoofdstad Palermo in 1987, waarover meer onder ‘Palermo’. De bekende antimaffia magistraat Gratteri en zijn vorige baas in Reggio, Federico Cafiero De Raho, die later de nationale antimaffia procureur werd, zijn ongetwijfeld moedige mensen. Gratteri geniet 24 uur op 24 bescherming van een politie-escorte en verplaatst zich in een geblindeerd konvooi. De Raho leefde in de kazerne van de Carabinieri in Reggio di Calabria. Als gepensioneerd magistraat werd De Raho senator voor de Vijfsterrenbeweging in Calabrië.  

Vandaag is de Ndrangheta veel machtiger, rijker en invloedrijker dan de Cosa Nostra en bovendien heeft ze door haar vertakkingen in honderden families of ‘Ndrine’ een ongeziene greep op het lokale politieke en economische leven van de regio Calabrië, vooral in de zuidelijke provincies van Reggio en Vibo Valentia. Uit de economie en het politieke bestuur van de regio is de Ndrangheta gewoon niet weg te denken. De Raho zei hierover: ‘de misdaad heeft hier alle grondwettelijke vrijheden opgeschort’. Gratteri plakte op de invloed van de maffia in de regio zelfs een cijfer: 27% van de Calabrese bevolking zou op een of ander manier meewerken aan het reilen en zeilen van de Ndrangheta. Daarbij worden ook gerekend: alle werknemers van bouw- en andere bedrijven die worden gecontroleerd door de Ndrangheta, advocaten en gemeenteraadsleden die zaakjes regelen of lobbyen enz.

Pizzo

De SS18 Tirreno Inferiore loopt nog een twintigtal kilometer door de kustvlakte in het binnenland voorbij Gizzeria Lido en klimt dan de heuvels in naar het hoger gelegen Pizzo, waar de zee tegen de klippen aan klotst. Na de lange maar vrij vlakke ontspannen rit is het weer even op de tanden bijten, want ook voorbij Pizzo gaat de klim verder hoger de heuvels in tot aan de splitsing naar Longobardi en Bivona Spiaggia. Daar is bij valavond het uitzicht op de haven en het strand van Vibo Marina in de diepte indrukwekkend. Ik begin de afdaling tot in Longobardi langs de SS522 naar Vibona, maar met zicht op de eindmeet laat ik na de route te verifiëren en fiets vijftal kilometer verder voorbij de afslag naar het strand van mijn Albergo, zodat ik rechtsomkeer moet maken. Ik kom in een woonwijk terecht waar ik het spoor bijster word en vraag dan maar de weg aan enkele voetballende kinderen. Zij reppen zich om mij te hulp te schieten, vragen me waar ik vandaan kom, zeggen dat ze supporter zijn van Napoli en begeleiden me tot aan het laatste kruispunt voor mijn Albergo. Ik dank ze uitvoerig. Ook de ontvangst in de wat primitieve Albergo vlakbij het verlaten strand is hartelijk. De uitbaters zijn blij me te zien, want ze hadden mij op dit late uur waarschijnlijk niet meer verwacht. Ik neem een douche en vind nog net een barretje open in de schaars verlichte, verlaten straten van Spiaggia di Bivona.

Ontario, Canada

Een vriendelijke vrouw maakt me een gigantische belegd stokbrood klaar. Ze praat Italiaans met een vreemd accent en wanneer ik een poster van Ontario en wat Engelstalige krantenknipsels tegen de muur opmerk, vraag ik haar op de vrouw af of ze ooit in Canada is geweest. Jazeker, ze had er twintig jaar van haar leven gewoond, zei ze opeens in het Engels. Het was de mooiste tijd uit haar lange leven en de hele verdere rest van haar leven wilde ze weg uit dit gat in Calabrië en er terug naartoe, maar om een of andere duistere reden was dat haar nooit gelukt. Een vermoeide glimlach om haar lippen en een neergeslagen blik liet me verstaan dat ik haar over het waarom geen vragen hoefde te stellen. Geldgebrek, familieverplichtingen, visaproblemen, wie zal het zeggen?  Ik begon dan maar in het Engels over hoe mooi de zee, het strand en de bergen hier waren en dat ik hier met de fiets was.  Ze sloot haar bar, ik betaalde en wenste haar nog minstens een reis naar Canada toe. Ze kon erom lachen, de praktische besognes hadden de melancholieke toon uit haar stem verdreven toen ze me een boeiend vervolg van mijn fietsreis toewenste. Later, toen ik wat onderzoek deed naar de activiteiten van de N’drangheta wereldwijd, leerde ik dat in de provincie Ontario zo’n 900.000 mensen van Italiaanse afkomst leefden en dat de Calabrese maffia bijzonder actief is in de regio rond Toronto, waarmee ik helemaal niets wil suggereren.

Ik loop terug in de richting van het strand, neem plaats op een zitbank en geniet van het geluid van de opkomende en weg deinende golven onder de weidse sterrenhemel. Hier kon ik gerust enkele dagen blijven en een goed boek lezen, dacht ik. Of nee, hier kom ik misschien nog terug voor een strandvakantie op mijn 80, als het fietsen niet meer lukt, ver van het massatoerisme en alleen met de zee en enkele locals in de omgeving.  Lang duurt het mijmeren niet, de vermoeidheid na 111 km fietsen drijft me naar mijn bed in de Albergo.

Pizzo, Calabrië

Strand van Bivona, Calabrië