Maandag 20 september: In Cagliari en Cagliari-Villamar
Na mijn ochtenddouche besluit ik de stad te verkennen met de fiets. Vergeleken met Palermo is Cagliari met een 170.000-tal inwoners een kleine stad. Zoals vele havensteden langs de Middellandse Zee (Genua, Marseille) is hij tegen enkele heuvels opgebouwd zodat het uitzicht over de haven en de zee steeds indrukwekkender wordt naarmate je hoger de heuvels opklimt. Maar later op de dag zal het me snel duidelijk worden als ik de stad uit rij in de richting van het binnenland dat de agglomeratie of de zogenaamde ‘area metropolitana’ behoorlijk uitgestrekt is. Ze telt namelijk 487.000 inwoners, m.a.w. rond deze baai leven bijna een derde van de 1,6 miljoen Sarden die het eiland telt. Sardinië is met zijn 24.000 km² slechts iets kleiner dan Sicilië (25.700 km²), maar telt maar een derde zoveel inwoners. Om maar te zeggen hoe dunbevolkt de rest van het eiland is. Met 68 inwoners per km² zijn in Europa alleen de Scandinavische landen dunner bevolkt dan Sardinië.
Ik rij meteen naar het Castello, de middeleeuwse citadel door de Viale Regina Elena, die op een heuvel 100 meter boven de stad uittorent. Na een forse klim kom ik bij de Citadella dei Musei. Een kort bezoek aan het Museo Archeologico was hier interessant geweest, ware het niet dat het maandag is en alle musea onherroepelijk dicht zijn. Ik rij door de Porta Cristina over de Piazza dell’Independenza naar de Piazza Palazzo, het centrale plein van de historische binnenstad. Het Palazzo Regio, het Palazzo di Città en de Duomo symboliseerden hier eeuwenlang het machtscentrum op het eiland.
Palazzo di Città, Cagliari
Palazzo di Città en Palazzo Regio
Het Palazzo di Città was van 1331 tot 1896 het stadhuis en is nu vooral een tentoonstellingsruimte. Er loopt een expositie over de bekende stripfiguur Corto Maltese, de charmante zeeman en antiheld die in de eerste decennia van de twintigste eeuw rusteloos de wereld afreist en het voor de underdogs opneemt. Hij is een creatie van de Venetiaanse striptekenaar Hugo Pratt. De verhalen van Corto Maltese, een verdraaiing van Molto Cortese, ‘zeer hoffelijk’ in het Italiaans en volgens anderen is het Andalusisch dialect voor ‘snelle handen’, zijn graphic novels: avonturenromans in stripvorm met literaire aspiraties. Sommigen zien in Maltese het alter ego van Pratt zelf die meer dan 12 jaar in Argentinië en Brazilië woonde en daarna in Italië, Frankrijk en Zwitserland. Hij stierf in 1995 en deze rondreizende tentoonstelling wordt tegenwoordig door het ministerie van Buitenlandse Zaken gesponsord in het kader van het uitdragen van de Italiaanse cultuur.
Het Palazzo Regio, ooit van de onderkoning, nu Palazzo del Governo, Cagliari
Het Palazzo Regio werd in 1337 onder de Aragonezen gebouwd en sindsdien enkele keren verbouwd. Het koninkrijk Aragon dat ook Catalonië, Majorca en Valencia omvatte, veroverde Cagliari, het toenmalige Castel del Castro, op de Republiek Pisa en verdreef ze van het Oostelijke deel van het eiland tussen 1323 en 1326, waarop het koninkrijk Sardinië ontstond. In het westen bleef het oorspronkelijk Sardische Giudicato van Arborea dat lange tijd een bondgenoot en vazal was geweest van Aragon min of meer een vorm van onafhankelijkheid behouden net als een gebied in het Noordwesten waar de Genovese families Doria en Malaspina baas bleven. Tegen het einde van de veertiende eeuw wisselde Arborea van kamp en veroverde met de hulp van de Doria onder Marianus IV bijna het volledige eiland op Cagliari en Alghero na. De kansen keerden weer bij de veldslag van Sanluri, waar de Aragonezen het leger van Arborea versloegen en het eiland definitief in handen bleef van de Aragonese kroon. Het koninkrijk Sardinië maakte onder die kroon aanvankelijk deel uit van de Corts, de kroonraad van Aragon en na de eenmaking van Aragon en Castilië onder de Spaanse kroon. Zo werd het een deel van het Keizerrijk van keizer Karel V, toen de Habsburgers het hoogtepunt van hun macht beleefden. In het Palazzo Regio of Reale huisde de onderkoning van Sardinië. In 1714 werd na de Spaanse successieoorlog Sardinië aan de winnende partij, de Oostenrijkse Habsburgers, toegewezen en Sicilië aan de hertog van Savoye. Maar in 1720 in het verdrag van Den Haag moest de hertog van Savoye, Victor Amadeus II, Sicilie ruilen voor Sardinië. Voortaan zou Sardinië deel uitmaken van het koninkrijk Piemonte-Sardinië met Turijn als hoofdstad, terwijl Sicilië onder Oostenrijks bewind kwam.
Victor Amadeus II van Savoie, koning van Piemonte-Sardinië in 1720
Na de Franse Revolutie koos het koninkrijk van Piemonte-Sardinië de kant van de Eerste Coalitie (Pruisen, Oostenrijk, Groot-Brittannië) die in enkele veldslagen door Frankrijk werd verslagen. Lang duurde de Franse heerschappij niet. Na Waterloo en de definitieve verbanning van Napoleon werd in het Congres van Wenen de macht in Europa zodanig herverdeeld dat Oostenrijk en Pruisen sterker werden en de vorstenhuizen van voor de Franse revolutie opnieuw in het zadel kwamen. Frankrijk verloor Frans Zwitserland en haar Italiaanse veroveringen. Voortaan zou het in bedwang worden gehouden door de creatie van de bufferstaat van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden en de oprichting van een Duitse bond, die de verschillende Duitse staten verenigde tegen buitenlandse bedreigingen. Ook het koninkrijk Sardinië werd opnieuw gerestaureerd met aan het hoofd de behoudsgezinde koningen Victor Emmanuel I en Karel Felix. De volgende koningen waren hervormingsgezinder en hadden meer oog voor het revolutionaire klimaat in de negentiende eeuw dat ook in Italië woedde en in steden als Perugia, Ferrara, Parma en Bologna tot opstanden hadden geleid, die door het Oostenrijkse leger werden neergeslagen. In 1848 stond de groothertog van Toscane een grondwet toe, gevolgd door de Paus in Rome die hetzelfde deed in de Pauselijke Staten. De Milanezen rebelleerden tegen de Oostenrijkse bezetter en Karel Albert, koning van Sardinië kwam hen te hulp, maar alle opstanden werden uiteindelijk door Oostenrijk militair de kop ingedrukt en de oude adellijke heersers werden opnieuw geïnstalleerd. Karel Albert voerde in datzelfde revolutiejaar 1848 zelf een grondwet in zijn koninkrijk in. Zijn zoon Victor Emmanuel II zou zich samen met de Franse keizer Napoleon III verenigen in een Frans-Sardijnse alliantie en verschillende militaire successen boeken tegen de Oostenrijkers. Uiteindelijk wist de alliantie het Oostenrijkse leger definitief te verslaan in de slag bij Solferino in 1859. In de onderhandelingen na de wapenstilstand wist Victor Emmanuel II beslag te leggen op Lombardije. Oostenrijk behield Venetië en de huidige regio Veneto. De grote bezieler van de alliantie met Frankrijk was graaf Camillo Benso di Cavour, een van de drijvende krachten achter het risorgimento en de eenmaking van Italië. Cavour en Napoleon III hadden afgesproken dat Frankrijk Nice en Savoie zou krijgen in ruil voor zijn militaire hulp en zo geschiedde.
In 1860 werden de opstandige Centraal Italiaanse Provincies zoals Toscane, Parma, Modena en enkele steden van de Pauselijke Staten geannexeerd. In Sardinië werd nauwelijks strijd geleverd, want het koninkrijk behoorde tot de kern van wat later Italië zou worden. Maar uiteraard werd alles in Turijn bedisseld en al helemaal niet in dit Palazzo in Cagliari. Vandaag zijn hier de prefectuur en de Provincieraad van Cagliari gevestigd.
Koning Victor Emmanuel II
De Duomo Santa Maria Assunta
Het pronkstuk van de Piazza Palazzo is echter de Duomo Santa Maria Assunta, die oorspronkelijk in de twaalfde eeuw werd gebouw in Romaans-Pisaanse stijl, maar later, in de zeventiende eeuw volledig werd verbouwd tot een barokke kerk, waarin de vloer werd vervangen door marmeren inlegwerk, de Romaanse zuilen werden vervangen en er een koepel werd geplaatst op de kruising van het transept en de middenbeuk. In het eerste decennium van de twintigste eeuw werd de barokke façade afgebroken in de veronderstelling dat er een Romaanse gevel achter verborgen zat. Dat bleek niet het geval te zijn en het zou tot 1930 duren voor de huidige gevel in neoromaanse stijl met drie verdiepingen van op elkaar steunende loggia’s met dunne kolommen en Romaanse bogen naar het model van de dom van Pisa tegen de kerk werd aangebouwd. In het barokke interieur is de tweeledige preekstoel van Gugliermo een pareltje van beeldhouwkunst uit lang vervlogen tijden. De vier leeuwen die de basreliefs van de preekstoel ondersteunden werden aan de voet van de trap geplaatst die naar het koor leidt. Oorspronkelijk werden de preekstoelen voor de dom van Pisa gebeeldhouwd, maar de stad schonk ze in 1312 aan Cagliari. Verder zijn er de typische barokke kapellen uitgevoerd in rood, wit- en zwart marmeren inlegwerk met zwarte spiraalzuilen, Uit die barokperiode stamt ook het mausuleum voor de Aragonese koning Martinus I. De crypte onder het koor biedt onderdak aan grafmonumenten van de vorsten van Savoie.
Duomo di Maria Assunta, Cagliari
Hoogtepunt van de Sardijnse folklore: de processie voor Sant Efisio
Een tweede kerk die vermelding verdient, is de Sant Efisiokerk, een barokkerk in de wijk Stampace die pas werd gebouwd in 1782. Ze is vooral bekend voor de processie die er jaarlijks op 1 mei vertrekt ter nagedachtenis van de heilige martelaar Efisio en pas vier dagen later aankomt in Nora. Ze brengt een massa Sarden op de been in traditionele kledij en is het belangrijkste volksfeest van het eiland. Efisio werd geboren in de derde eeuw in Antiochië uit een christelijke vader en een heidense moeder. Zijn vader stierf jong en hij werd door zijn heidense moeder opgevoed. Hij nam dienst in het Romeinse leger onder keizer Diocletianus en moest tegen de christenen vechten in Sardinië. Maar in een storm kreeg hij een visioen, dat hem ervan overtuigde om de christenen te beschermen in plaats van hen bevechten. In zijn handpalm stond een kruis gebrand en hij bekeerde zich tot het christendom. Omwille daarvan werd hij door de Romeinen op het strand van Nora in Zuid-Sardinië onthoofd, waar ter zijner nagedachtenis in de elfde eeuw een Romaans kerkje werd opgetrokken.
Duizenden Sarden werken maandenlang aan de voorbereiding van de processie. Niet alleen aan de traditionele kostuums, maar ook aan de aankleding en bloemenversiering van de traxxas, de ossenwagens die worden getrokken door ossen waarvan de horens in bloemenguirlandes zijn gehuld. De processie is het folkloristisch hoogtepunt van het jaar met felgekleurde kostuums, muzikanten die de Is Launeddas, de typische Sardijnse fluiten bespelen en zingende processiegangers die de straten bestrooien met rozenblaadjes. Daarnaast lopen er ook honderden kleurrijk uitgedoste ruiters en amazones te paard mee in de processie, terwijl het klokkengelui in de straten en de stoomfluiten van de boten in de haven weerklinken. Het spektakel heeft al welgeteld 368 jaar plaats, sinds 1656, en is een dankbetuiging van de bevolking aan hun beschermheilige die volgens de legende in die periode de pestepidemie op het eiland wist te doen verdwijnen.
Torre dell'Elefante, deel van de Pisaanse stadsmuurmet links van de valdeur het Pisaans embleem van de olifant
Sardinië onder de Pisaanse Republiek
Twee torens van de Middeleeuwse stadsomwalling tijdens het bewind van Pisa zijn overgebleven en zijn nu landmarks in Cagliari. De Torre di San Pancrazio bood aan de noordkant toegang tot het Castello, het Kastrum Calaris. Hij werd in 1305 gebouwd door de architect Giovanni Capula. De toren, opgetrokken uit pietra forte, kalksteen, is 32 meter hoog en is gebouwd op 130 meter boven de zeespiegel. De andere toren, van de hand van dezelfde architect Capula is de Torre dell’Elefante, eveneens opgetrokken uit kalksteen en 35 meter hoog heeft zijn naam te danken aan het beeld van een olifant, een symbool van de Republiek Pisa. Het Castello was een vesting van Pisa tegen de opdringerige Aragonese troepen. De Republiek Pisa was in de vroege middeleeuwen al een belangrijke zeevaart- en handelsnatie. die voortdurend slag leverde met de Saracenen over de Tyrrheense zee. In 1016 wist het in een alliantie met Genua Sardinië te veroveren en in 1052 was het de beurt aan Corsica, zeer tegen de zin van Genua. In 1092 kreeg de Republiek van paus Urbanus II officieel de voogdijschap over Corsica en Sardinië toegewezen. Pisa had een groot aandeel in de verovering van Jeruzalem tijdens de eerste kruistocht in 1099 en in de nasleep daarvan bouwde het verschillende handelsposten in het Midden-Oosten. Met het Byzantijnse keizerrijk had het een overeenkomst om commerciële havens te exploiteren in onder meer Constantinopel, Jaffa, Alexandrië en Tripoli. Op het toppunt van zijn macht controleerde Pisa in de dertiende eeuw Sardinië, Corsica en de eilanden van de Balearen. De rivaliteit over de Tyrrheense zee moest het nu uitvechten met de republiek Genua. Een keerpunt kwam er in de slag van Meloria in 1284 recht tegenover de haven van Pisa, toen de Genovese vloot de Pisaanse versloeg. In Sardinië zette het koninkrijk Aragon de verovering van het eiland in 1323 in en op het Italiaanse vasteland moest Pisa geleidelijk aan het overwicht van de opkomende republiek Firenze ondergaan. Te land werd in de beslissende veldslag van Cascina in 1364 het huurlingenleger van Pisa verslagen door het Florentijnse leger onder het aanvoerderschap van Galeotto Malatesta.
Het Bastone di San Remy
Door smalle steegjes fiets ik verder zuidwaarts naar het Bastione di San Remy, een 24 meter hoog bastion aan de zuidkant van het Castello dat in de negentiende eeuw werd gebouwd. Het werd in de Tweede Wereldoorlog gebombardeerd en daarna heropgebouwd. Het bestaat uit twee trappen van 170 treden. Maar oorspronkelijk waren hier drie bastions die in de zestiende eeuw werden gebouwd met kazematten en kanonnen ter verdediging van het Castello. Vanop het betegelde plein, het Terrazza Umberto I, zo’n 55 meter boven de zeespiegel, met zijn stijlvolle straatlantaarns, palmbomen en ballustrades is het hier sfeervol struinen en heb je een prachtig uitzicht op de andere wijken van Cagliari, de Marina, Villanova en Stampace. Verderop liggen het Stagno di Cagliari, een natuurpark met lagunes en flamingo’s, de haven, en de stranden Poetto en Calamosca, zijn jacht- en zeilhaven en de hele baai van Oost naar West. In het Oosten wordt de horizon begrensd door de bergketen van de Sette Fratelli, zeven toppen, waarvan de hoogste meer dan 1000 meter is.
DH Lawrence in Sardinië
Merkwaardig toch dat een deel van het terras hier 20 jaar geleden werd omgedoopt tot het Piazzetta David Herbert Lawrence. Lawrence kwam hier in 1921 langs met zijn vrouw Frieda Weekley op zijn zelf gekozen ballingschap uit Engeland, het land dat zijn boeken verbood en hem verdacht van spionage tijdens de Eerste Wereldoorlog. Frieda was Duitse van oorsprong en haar geboortenaam was von Richthofen, vandaar. Anti- militarisme maakte je in patriottische tijden niet echt populair. Dat ondervond ook Lawrence. hij maakte van zijn afkeer van militarisme nooit een geheim, wat hem tijdens zijn verblijf in Duitsland de verdachtmaking opleverde dat hij een Britse spion was, terwijl hij tegen het eind van de oorlog in Cornwall de beschuldiging moest aanhoren dat hij langs de kust signalen doorstuurde naar Duitse duikboten, wat hem dwong te verhuizen naar Derbyshire. Lawrence was de zoon van een mijnwerker en een onderwijzeres die zijn jeugd doorbracht in het mijnstadje Eastwood in Nottinghamshire. Hij wist met de steun en de aanmoediging van zijn moeder en ondanks zijn zwakke gezondheid aan de universiteit van Nottingham te gaan studeren, maar hij voelde zich nooit aanvaard door de Britse standenmaatschappij waarin hij als schrijver terechtkwam. Een van zijn eerste romans, The Rainbow, uit 1915 werd verboden vanwege zijn ‘obscene’ inhoud en hetzelfde lot onderging ‘Women in Love’. Seksuele aantrekkingskracht, ook tussen mannen en vrouwen van hetzelfde geslacht, worden erin beschreven net als de aantrekkingskracht tussen paren van de hogere en lagere klassen, zoals in zijn schandaalroman uit 1928 Lady Chatterly’s lover en dat werd niet geapprecieerd door de stiff upperlips van de ‘leisure class’. Hij sloopte teveel heilige huisjes in een tijd dat intolerantie en hypocrisie tot de etikette behoorden. Het werd hem en Frieda allemaal teveel in dat geborneerde Engeland en ze vertrokken na de Oorlog op een zelf gekozen ballingschap die hen in Italië, Sicilië, Ceylon, Australië, de VS en Mexico bracht, tot Lawrence in 1925 terug naar huis moest voor een opstoot van tuberculose, nadat hij heel zijn leven lang al tegen longontstekingen had moeten vechten. Over die korte reis waarin hij in de winter het eiland doorkruiste van Cagliari naar Olbia in 1921 schreef hij een boekje: “Sardinia and the Sea”. Die tocht liep niet langs de kust, maar door het ruige, wat onherbergzame en ongerepte binnenland. Zover het kon met de Trenino Verde en in Mandas, waar de verbindingen ophielden met de automobiel. Toen Frieda aan de locals vroeg wat ze in Mandas uitrichtten was het antwoord”Niente! Niets. In Mandas gaan we naar bed als het donker wordt, zoals de kippen. En in Mandas lopen we op straat zoals een varken dat nergens naartoe loopt..”. Maar in Mandas zijn ze Lawrence niet vergeten, want elk jaar in augustus heeft er een Festival DH Lawrence plaats.
DH Lawrence
Grazia Deledda, een Sardische nobelprijswinnares
Lawrence reisde verder naar Sorgono en Nuoro, de hoofdstad van Barbagia, Barbarije. Lawrence wilde Nuoro bezoeken omdat het de thuishaven was van Grazia Deledda, die in 1926 als tweede vrouw in de geschiedenis de Nobelprijs Literatuur ontving. Deledda beschreef in haar romans het harde leven waarin arme boeren, ambachtslui en herders het een stuk lastiger hadden dan de landeigenaars of de burgerij. Zelf kwam ze uit een kroostrijk gezin van verarmde burgerij en zoals haar zussen en broers liep ze alleen maar lagere school. Maar ze ging op haar negentiende romans van Emile Zola en Walter Scott lezen die ze van een van haar broers kreeg en wilde toen alleen nog maar schrijven, flink tegen de zin van haar familie. Ze beschreef de wantoestanden van een standenmaatschappij, waarin knechten of meiden geen schijn van kans maakten om met de dochter of de zoon van de landeigenaar te trouwen, ook al was de begeerte en de hartstocht grenzeloos. In een idyllisch kader van het landelijke Barbagia, midden in de weelde van de natuur, het zware labeur van landarbeiders kampt de verliefde mens overgeleverd aan diepe gevoelens met zijn driftleven, onmogelijke liefdes en wraakzucht. Bij een andere dwingt de rauwe armoede hem om ‘s nachts op pad te gaan en vee of vruchten van de velden te stelen. Allemaal zeer herkenbaar voor iemand als Lawrence die dezelfde armoede in zijn mijnstreek in Nottinghamshire had gekend in zijn jeugd en die eenzelfde fascinatie voor het verboden driftleven koesterde.
Haar levensdoel was het schrijverschap en ze bleef dat hardnekkig najagen tot ze in 1903 doorbrak met de roman Elias Portolu. Een voor een speelden haar romans zich af in Sardinië, in de omgeving die ze uit haar jeugd kende en ze deed dat met een ongeziene productiviteit van bijna één boek per jaar. Grazia Deledda was een schrijfster die bij hem in hoog aanzien stond, ook al had ze toen de Nobelprijs nog niet ontvangen. Na het bergachtige Barbaggio en Nuoro zakte hij af naar de zee, naar het toenmalige Terranova, vandaag Olbia.
Grazia Deledda, Nobelprijs Literatuur in 1926
Feniciërs en Carthagers op het eiland
Lang voor onze jaartelling waren er al nederzettingen rond Cagliari. Aan de noordoostelijke stadsrand bevindt zich de zogenaamde Necropolis van Tuvixeddu. Deze site wordt beschouwd als de grootste Fenicische necropolis in het Middellandse Zeegebied. De nederzetting met de naam Karalis zelf lag vlakbij de necropolis en was als versterking gebouwd om de belangrijke Fenicische handelshaven te verdedigen. De Romeinse geschiedschrijver Claudianus vertelt in zijn De Bello Gildonica uit de vierde eeuw na Christus dat Cagliari gesticht werd door het machtige Tyrus, de belangrijkste Fenicische stad in het huidige Libanon. Feniciërs waren zeevaarders met belangrijke zeehavens als Tyrus, Sidon en Byblos op de Libanese en Syrische kust, die handel dreven in het hele Middellandse Zeegebied. Hun aanwezigheid op Sardinië en Sicilië valt ongeveer samen met de kolonisering van de Zuid-Italiaanse kusten door de Grieken. Maar van kolonisatie met gebiedsverovering en immigratie was in Karalis wellicht geen sprake, het was veeleer een handelspost
Necropolis van Tuvixeddu, Cagliari, foto: Crimao
Er zijn nog vindplaatsen van Fenicische aanwezigheid in Sardinië. In Sulcis en Tharros zijn Tophet ontdekt, een soort heiligdommen waar urnen met as van offerdieren en kinderen werden in ondergebracht. In Monte Sirai vlakbij Carbonia in het uiterste zuidwesten van het eiland zijn er wel aanwijzingen van een echte Fenicische kolonie met stadsmuren en woningen. Maar archeologen vonden er ook sporen van een Punische (Carthaagse) nederzetting. In de necropolis werden zowel Carthaagse grafkelders als Fenicische graven ontdekt. De site dateert uit de zesde eeuw voor Christus. Een beeld van de Fenicische godin van de vruchtbaarheid en de beschermster van de zeevaarders, Astarte, uit deze vindplaats wordt bewaard in het Archeologisch museum van Cagliari. Na de Feniciërs kwamen de Carthagers zich vestigen in de Fenicische nederzettingen. Carthago, gelegen in het huidige Tunesië, was aanvankelijk zelf een Fenicische kolonie, maar won geleidelijk aan de controle over de westelijke Middellandse Zee. Tegen het einde van de zesde eeuw voor Christus zou Sardinië min of meer onder Carthaags bestuur zijn geweest, want er bestaat een verdrag met Rome waarin de Carthagers de Romeinen toestemming gaven om handel te drijven op Sardinië. Uit deze Punische periode stammen stadsmuren, tempels, maar ook de grafkamers en grafzuilen in steden als Tharros, Bithia, Sulci en Nora. Gouden en zilveren juwelen, edelstenen en munten dateren uit deze periode en liggen uitgestald in het Archeologisch Museum.
Romeinen en Byzantijnen
Tijdens de eerste Punische oorlog tegen Carthago veroverden de Romeinen in 238 voor Christus zonder veel tegenstand het eiland. Samen met Corsica vormde Sardinia één provincie van het Rijk onder een praetor. Zoals op Sicilië lieten de Romeinen er vooral in de vlaktes graan verbouwen om de toenmalige metropool Rome te bevoorraden. Er waren verschillende rebellieën van Sarden en Puniërs, maar die werden telkens door Romeinse legioenen neergeslagen. Ondanks de aanleg van vier heirwegen bleven grote delen van het bergachtig binnenland gespaard van Romeinse kolonisatie. Toen na het edict van Caracalla alle inwoners van de Municipia en Coloniae in het Imperium het Romeinse burgerschap verwierven, gold dat niet voor de stammen van het bergachtige binnenland.
Na de val van het West-Romeinse Rijk in 456 kreeg Sardinië invallen van de de Vandalen te verduren die opereerden vanuit hun koninkrijk dat ze in Noord-Afrika hadden gesticht. Maar in 533 zond de Byzantijnse keizer Justinianus zijn generaal Belisarius naar Carthago, die de stad veroverde op het leger van de Vandalen en hun koning Gelimer gevangen nam. Aangezien het bezettingsleger van de Vandalen op Sardinië meestreed in Carthago en deelde in de nederlaag, gaven de resterende Vandalen op Sardinië zich in 534 onmiddellijk over aan de Byzantijnse veroveraar. Vanaf toen maakte het eiland deel uit van de Pretoriaanse prefectuur Afrika onder de Byzantijnse keizer en later van het Afrikaanse Exarchaat, het westelijk deel van het Byzantijnse rijk met Carthago als hoofdplaats. Maar in 698 viel Carthago en het hele exarchaat onder de Moslim-veroveraar Hasan Ibn al-Nu’man. Vanaf toen bleven ook de Sardische kusten niet gespaard van raids van Noord-Afrikaanse Sarazenen. Kuststeden als Tharros, Caralis, Nora en Sulci werden geplunderd en sommige verwoest. Maar tot een verovering en een machtsgreep van de moslims op het eiland zoals in Sicilië kwam het niet. Sardinië kon nog nauwelijks op steun van Byzantijnen rekenen, want was door de verovering van Sicilië door de moslims immers ongeveer volledig geïsoleerd geraakt van wat overbleef van Byzantium in het oosten.
Judicates
En toch wisten de Sardische Judicates zich voor die tijd opvallend efficiënt te verdedigen tegen de mosliminvallen. De vier Judicates die het eiland telde, Calari in het Zuiden met hoofdstad Santa Igia, Arborea in het Westen met hoofdplaats Oristano, Torres in het Noordwesten met hoofdplaats Porto Torres en Gallura in het Noordoosten met hoofdstad Civita, waren de erfgenamen van de bestuurders van de Byzantijnse provincie en groeiden uit tot vrij onafhankelijke prinsdommen met een judex die werd aangesteld door een raad van ouderen. Maar merkwaardig genoeg verschilde landeigendom in Sardinië van dat van de feodale staten op het vasteland. Niet de opperste instantie, de Judex was de bezitter van het land, maar de Corona de Legu, de raad van ouderen, samengesteld uit vertegenwoordigers van de administratieve districten (de zogenaamde curadorias), de adel en de hogere geestelijkheid. Zij waren het die de macht toekenden aan de judex, maar die hem ook konden afzetten. Daarnaast schreven ze ook juridische verordeningen en regels uit, die werden vastgelegd in de Cartas de Logu, onder meer voor herders, landbouwers en ambachtslui. In de Condaghes werden eigendomstransacties vastgelegd zoals giften van akkers, bossen of weiden aan kloosters enz. De Condaghes waren gesteld in het Sardisch, een taal die zich autonoom ontwikkelde uit het volkslatijn.
De Sardische Judicates
Kerstening
Barbagia is altijd een wat aparte onherbergzame regio geweest. Het duurde tot het einde van de 6de eeuw voor het gebied werd gekerstend. De leider van de barbaricini Hospito, sloot een overeenkomst met paus Gregorius I waarin hij toestond dat zijn volk het christelijke geloof zou aannemen, een beetje zoals de eerste Frankenkoning Clovis twee eeuwen eerder had gedaan in onze contreien. De Sardische Kerk die aanvankelijk Byzantijnse invloeden kende, bleef lange tijd noch onder Rome noch onder Constantinopel te ressorteren. Maar na het schisma in 1054 tussen de Orthodoxe en de Rooms Katholieke Kerk gingen de Judices toenadering zoeken tot Rome, meer bepaald door Italiaanse en Franse monnikenorden naar het eiland uit te nodigen. De monniken van de abdij van Montecassino waren de eersten, later volgden uit Toscane de Camaldolese en Vallambrosiani en de Cisterciënzers uit Frankrijk. Zij brachten de Romaanse architectuur mee en importeerden meer gevorderde land- en wijnbouwmethodes. In 1092 trad de Sardische kerk toe tot de Rooms Katholieke Kerk en viel onder het aartsbisdom Pisa.
Geleidelijk aan kwam het eiland onder de invloed van de twee machtige zeemogendheden op het Italiaanse vasteland: Genua en Pisa. Zij hielpen de Sarden militair tegen de invallen van de Taifa van Denia, een Spaanse moslimrijk rond het huidige Valencia. Daaruit sloegen beide Republieken munt en verstevigden hun greep op de Judices, zowel commercieel als bestuurlijk. In de dertiende eeuw werd Logudoro in het Noordwesten onder de Genuese Doria- en Malaspinafamilies verdeeld en Gallura en Cagliari in het oosten en zuiden onder Pisa en zijn Della Gherardesca-familie. Arborea in het westen bleef langer onafhankelijk en wist met de steun van de Doria’s de Aragonezen een eeuw lang buiten te houden tot in het begin van het Quattrocento.
Amfitheater
Tussen het Castello en de Fenicische necropolis ten noorden van de wijk Stampace ligt een Romeins Amfitheater uit de tweede eeuw na Christus, voor de helft gebouwd in kalksteen en voor de andere helft uit de rots gehouwen. Het bood plaats aan 10.00 toeschouwers, maar omdat het door de latere bezetters van de stad, de Byzantijnen, de Pisanen en de Aragonezen werd afgebroken om de stenen te gebruiken voor de constructie van hun eigen gebouwen, is het gebouw van het amfitheater grotendeels verdwenen en is alleen het in de rots gehouwen gedeelte overgebleven.
Stadhuis in de haven
Naast de historische wijken van het oude stadscentrum Castello en Stampace is er de havenwijk Marina met zijn Palazzo Civico, het stadhuis. In 1896 besliste het stadsbestuur dat het stadhuis van de Piazza Palazzo in het Castello moest verhuizen naar de Marina, de havenwijk. Het nieuwe stadhuis werd opgetrokken in neogothische, Catalaanse stijl en moest met zijn open uitzicht op de zee het visitekaartje worden van de dynamische handelsvibe van de havenstad.
Palazzo Civico, Cagliari
Ik lunch tegen twee uur op de terrasjes van de Piazza Jenne aan het uiteinde van de Largo Carlo Felice in de wijk Stampace. Carlo Felice was koning van Sardinië en Savoie van 1821 tot zijn dood in 1831 en zijn standbeeld kijkt hier op een reuzegrote sokkel op de piazza uit recht tegenover een hotel met dezelfde naam. Hij was de zoon van Victor Amadeus III van Savoie en toen de Franse revolutionairen Savoie, Piemonte en Genova bezetten in 1799, terwijl zijn broer koning was in Turijn, vluchtte hij naar Cagliari, waar hij onderkoning werd en erg repressief optrad tegen de Sardische revolutionairen die onrust zaaiden op het eiland en tegen politieke tegenstanders als Vincenzo Sulis. In 1821 werd hij dan zelf koning nadat Victor Emmanuel I, zijn broer, in het nauw was gedreven door een opstand van rebellen en muitende delen van het leger in Turijn. De rebellen eisten hervormingen en een grondwet, maar met de hulp van de Oostenrijkers herstelde Carlo Felice de orde. Hij bleef zijn leven lang een reactionair die niet van een grondwet of liberale hervormingen die voortsproten uit de Franse revolutie wilde horen en zwoer bij de restauratie van de absolutistische monarchie. Toch hervormde hij de gerechtshoven in overeenstemming met een aantal moderne noden, schafte hij de slavernij af en voerde beperkingen in op de doodstraf. Hij stierf zonder directe nakomeling waarop de troon overging naar het Huis van Savoie-Carignano en de liberalere en meer hervormingsgezinde Karel Albert de troon besteeg.
De terrasjes van de restaurants op de Piazza Jenne wachten keurig naast elkaar klanten op. Platanen en reuzeparasollen staan in voor het nodige lommer. Hoewel halfweg september, dreigt het weer heet te worden vandaag. Even hoop ik dat het buiten de stad in de open ruimte van het platteland dan wel wat frisser zal worden, maar dat, zal achteraf blijken, een stevige misrekening worden.
Cagliari vaarwel
Na mijn pasta met vongole en mijn espresso vertrek ik noordwaarts dwars door de stad richting binnenland. Mijn doel is de Strada Provinziale 8, minder druk dan de Statales die het binnenland inlopen. Alles loopt vrij vlot in de binnenstad langs de via Riva Villasanta, door de wijk Pirri tot ik in de buitenwijken aan de SS554 kom een soort expressweg die van oost naar west zowat de noordgrens vormt van de bebouwde agglomeratie. Bij de aanleg van deze halve autosnelweg zijn ze weer vergeten dat er nog zoiets als fietsers bestaat. Twee klaverbladen met een strook expressweg met vier baanvakken tussenin, maar oversteken met een fiets kan hier nergens, want opritten en afritten zijn er alleen voor auto’s. tenzij je je op één van die drukke, voor fietsers ontoegankelijke en levensgevaarlijke klaverbladen waagt. Dat doe ik nu niet. Ik raadpleeg Google maps en merk dat er verder oostwaarts aan de kruising van de expressweg en de Via Giulio Cesare wel verkeerslichten staan. Daar kan ik dus oversteken, maar dan kom ik wel op de SS 387 terecht. Het kost me weer twintig minuten omrijden en dan moet ik nog op de SP 8 zien te komen via een of andere onverharde dreef die tussen beide asfaltwegen in loopt. Uiteindelijk beland ik op de provincieweg en volg de richting Sestu en Ussana. Sestu ligt nauwelijks 5 km buiten de agglomeratie van Cagliari en is naar Sardische normen al een flink stadje met supermarkten, benzinestations, verschillende kerken, restaurants, winkels en verschillende kerken. Hier ben ik nog niet op het platteland. De SP 8 loopt er dwars doorheen en wordt de SP 9 wanneer ik het stadje achter mij heb gelaten.
Droog en dor
Mijn volgende bestemming is Ussana, 12 km verderop. Hier valt het me al direct op hoe erg de droogte heeft toegeslagen op het eiland. Groen is in dit landschap schaars, behalve in de olijfgaarden verderop tegen de flanken van de heuvels en wat cipressen en naaldbomen rond een boerderijtje of een akker. De bodem is verdord, in de kurkdroge beddingen van riviertjes en beekjes liggen de keien te glanzen in de zon, het gras lijkt dood stro, zelfs de doornstruiken hebben nog nauwelijks blaadjes. Hier en daar ligt een verschroeide wijngaard. De druiven hangen als verschrompelde rozijnen aan de wijnstokken tussen verdorde bladeren. Ik heb zo’n vermoeden dat hier oogsten zijn mislukt en dat de landbouw hier zwaar heeft geleden onder de hittegolven en de droogte van de voorbije zomer. Ook nu staat er een warme wind, die uit het oosten komt. Mijn tong voelt aan als leder als ik in Ussana arriveer. Ik vul mijn drinkbus aan een dorpsfonteintje. In Ussana neem ik de SP 5 richting Pimentel via Samatzai. Een eind voor Samantzai doemt aan de linkerkant een gigantische kalkgroeve op met een cementfabriek op de voorgrond ‘Itali Cementi’. Het is een wat vreemdsoortig industrieel eiland in het rijk van boeren en herders. Even voorbij Samatzai peil ik mijn drinkbus. Nog één keer drinken blijft er over. Ik hoop een dorpsfonteintje te vinden in het volgende dorp en neem een roekeloos besluit.
cactusvijgen van de opuntia
Cactusvijgen
Al de hele weg was me opgevallen dat de enige vrucht die hier in dit dorre septemberlandschap in overvloed voorhanden was de cactusvijg was. Je ziet ze overal mooi oranje- of roodrijp prijken op de platte ovaalvormige cactusbladeren van de opuntia. Toch ideaal om mijn opdringerig dorstgevoel en mijn droge mond wat soelaas te bieden, komt het in me op. Ik diep mijn zakmes op uit een van mijn fietstassen, snij een cactusvrucht af, die mooi oranjerijp oogt en dacht ik, als ik mijn vingers vakkundig tussen de fijne naaldjes plaats, dan moet dat lukken. Na enkele seconden is het me al duidelijk dat dit niet het geval is. De fijne naalden van de schil prikken in mijn duim en vingers en blijven daar steken. Het onheil is nu toch geschied en ik ga hardnekking door met schillen, tot de glanzende vrucht helemaal kaal in een plastic doosje valt. Maar meer dan één hap neem ik er niet van, want de naalden zijn ook in het vruchtvlees terechtgekomen en steken nu tot overmaat van ramp in mijn lippen. Wat ik ook probeer, een vod, een tandenborstel en zelfs een pincet uit mijn toiletzak, het is onbegonnen werk om ze allemaal te verwijderen. Zo’n naalden hebben nu eenmaal weerhaken, heb ik achteraf begrepen. Ik scheld mezelf de huid vol, spring vloekend op mijn fiets en besef dat het een klus is voor vanavond in mijn logement. Dame fortuna zit me niet mee vandaag. Ook het water, dat ik in het volgende dorp, Pimentel, aan een kraantje in de tuin van een vriendelijke oude Sard krijg en waarmee ik mijn handen en lippen spoel levert nauwelijks iets op. De behulpzame man, die net uit zijn siësta komt, vult mijn drinkbus met drinkbaar water en vertelt me dat de SP 5 verderop onderbroken is voor wegenwerken en ik beter een onverharde landweg door de heuvels neem tot in Guasila.
Vervaarlijke honden
Het is 17 u en ik heb nog minstens 25 km af te werken naar mijn b&b in Villamar, ik haast me dus op weg met een lege maag en neem me voor mijn honger te stillen in Guasila, waar naar ik hoop, wel een bar te vinden zal zijn. De onverharde landweg is in slechte staat en leidt me bergop door golvende heuvels met weiden en maquis-struikgewas aan mijn rechterzijde en akkers in de lagere gedeelten rechts van de weg. Het gaat vooral bergop moeizaam over de hobbelige stenen en het mulle zand. Net als ik de laatste rechte lijn naar de top van een heuvel aanvat, merk ik in het rosse weiland op de top een kudde schapen. Ze worden bewaakt door enkele stevige honden. Van zodra ze mij opmerken stormen ze luid blaffend naar me toe. Spontaan komen eerdere ervaringen met agressieve herdershonden in de Picos de Europa en in de Alpes Maritimes in me op. Die blaften alleen maar, ook al kwamen ze heel dichtbij en zagen ze er vervaarlijk uit. Ik probeer wat harder te trappen, maar op die hobbelige en soms losse ondergrond lukt dat niet al te best. “Compleet negeren, vooral niet panikeren” gaat het door mij heen. Ze blijven op me af stormen. Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat het er een zevental zijn, middelgrote en hele grote, bruine en witte, sommige blaffen, andere hebben hun tanden ontbloot, alsof ze me willen verscheuren. Terwijl ik gewoon hard zwoegend verder fiets, valt er een zekere gelatenheid over me. Met die stekels van die cactusvijg in mijn lippen en mijn vingers kan dit er nog wel bij. Maar als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Plots verstomt het geblaf en lijken de honden alle interesse in me te hebben verloren. Ik kijk achterom, ja ze hebben rechtsomkeer gemaakt. Is dit een klassiek afschrikkingsmaneuver of heeft die geheimzinnige herder in zijn kapmantel met een lange stok, die inmiddels achter de top van de heuvel tevoorschijn is gekomen, zijn honden teruggeroepen? Ik heb niets gehoord en ben het hem ook niet gaan vragen. Een golf van opluchting gaat door me heen. Ik zit helemaal onder het zweet, mijn hartslag zit in overdrive. De rust keert pas helemaal terug, wanneer ik na 7 km deze landweg kan verlaten en weer een asfaltweg oprijden. Enkele kilometers verderop arriveer ik op de piazza voor de imposante kerk van Guasila. Ze staat majestueus op het hoogste punt van het dorp en het uitzicht over de omliggende regio is er indrukwekkend. Het is een imposant achthoekig bouwwerk met een reusachtige koepel in het midden en een zuilengalerij met fronton en een brede trappenpartij voor de ingang. De klokkentoren ernaast is een eeuw ouder en duidelijk in een andere stijl. De ongewone circulaire vorm heeft wellicht iets te maken met zijn functie: het is een heiligdom, het santuario van de Beata Vergine Assunta, vrij vertaald de gezegende ten hemel gevaren maagd (Maria uiteraard). De zoveelste kerk voor Maria Hemelvaart dus. Ze dateert uit de negentiende eeuw en is het werk van de architect Gaetano Cima, een adept van het neoclassicisme die zijn inspiratie zocht bij het Pantheon in Rome en de villa’s van Palladio.
Guasila, Sardinië
Veel tijd en aandacht voor de kerk is er niet, want ik zit bijna door mijn energie heen en heb een reuzenhonger. Mijn redding bevindt zich aan de overkant van de piazza: een bar, waar een ongewone drukte heerst. Wanneer ik binnenstap, merk ik in de toonbank enkele belegde broodjes, precies waar ik naar op zoek was. Ik schaf er me enkele aan samen met een liter spuitwater en neem plaats aan een tafeltje op het ruime terras dat zich over een groot deel van de piazza uitstrekt. Overal zitten mannen op pensioengerechtigde leeftijd met elkaar te keuvelen, de enen al enthoesiaster dan de anderen. Ik ben nauwelijks gaan zitten of een man komt mij gezelschap houden. Waar ik vandaan kom, wil hij weten en wat mijn reisdoel is. Of Sardinië mij bevalt en wat ik denk van de Sarden. Hij vraagt wat ik moet drinken op zijn kosten. Een koffie zeg ik. Hijzelf neemt een biertje en vraagt waarom ik geen bier drink. Hij is er duidelijk op uit om met mij door te zakken en hij heeft een punt, het wordt gezellig, want een maat van hem, duidelijk beschonken, zijn pet scheef op het hoofd en met een guitige uitdrukking op zijn gezicht , komt erbij zitten. 'Waar zijn de jongeren in dit dorp', vraag ik, want hier zitten alleen oude mannen. Aan het werk of naar Cagliari verhuisd, leggen ze me uit. Waar de vrouwen zaten heb ik niet gevraagd, dat ware aanstootgevend geweest. Ik leg ze uit dat mijn b&b in Villamar ligt en dat het tijd is om te vertrekken. De late avondzon hult het hete plein in zachte tinten rood. 'Ik moet jullie ontgoochelen, maar de kennismaking was zeer aangenaam', zeg ik. Ze protesteren wat, jij hebt toch geen vrouw die op je wacht, flapt de guitigaard eruit. Nee maar ik wil wel voor de duisternis in Villamar zijn, maak ik hen duidelijk. Ik betaal ze elk nog een biertje en het protest valt stil. Ze wuiven me uit als ik onder inmiddels ruime belangstelling op mijn fiets spring. Toeristen zien ze hier nauwelijks en al zeker geen toeristen op de fiets.
De avondlijke fietsrit naar Villamar langs de SP 5 en de SP 42 loopt door golvende heuvels die baden in de oranjerode gloed van de ondergaande zon. De schaduwen van de heuvels in het westen kleuren paars. Op de top van de eerste heuvel neem ik de gelegenheid te baat om het kleurrijke schouwspel te overzien. Ik kan weer genieten, denk ik opeens, zelfs met die cactusstekels in mijn vingers en lippen.
Villamar, Zuid-Sardinië
Als ik Villamar binnenrij is het heure bleue ingetreden, een schemering waarin huizen vanop afstand silhouetten zijn. De Chiesa di San Lorenzo torent hoog uit boven de huizen van het dorp. Ik rij de vermoedelijke straat van mijn b&b in. Twee mannen hangen half leunend tegen hun auto voor een groot huis met een binnenkoer. Ze blijken mijn gastheren te zijn en wachten me op. Ik verontschuldig me voor het late uur en ze tonen me mijn kamer en leggen me uit waar ik nog een pizzeria kan vinden, die open is. Ik leg mijn pincet klaar voor de grote opdracht van deze avond en haast me naar de pizzeria. De pizza smaakt overheerlijk, maar de kleine wondjes op mijn lippen doen me mijn gezicht vaker in een grimas vertrekken dan me lief is. Terug op mijn kamer begin ik met alle mij beschikbare brillen op de neus minutieus met de pincet de naalden uit mijn vingers en lippen te trekken. Soms lukt dat, soms niet, omdat ze afbreken. ‘s anderendaags na het ontbijt loop ik naar de enige apotheek in het dorp, waar ze me een product geven, waarvan ze beweren dat de stekeltjes er daardoor sneller vanzelf uitkomen. Maar zelfs met dat product zal het nog 24 uur duren voor ik me ‘stekelvrij’ voel.