Italië: de groeipijnen van een democratische republiek 

De ineenstorting van het fascisme, het verzet ontwapend

Tijdens de fascistische dictatuur van Mussolini (1922-1943) hadden de communisten het meeste van alle partijen  te lijden onder de repressie, maar ze bleven strijdbaar en gingen zich ondergronds organiseren in een clandestien netwerk.

Communisten spelen eerste viool in het verzet 

Palmiro Togliatti volgde in 1927 Antonio Gramsci op als partijsecretaris van de communistische partij. De volgende 8 jaar van zijn leven zou Gramsci immers in de gevangenis doorbrengen en in 1937 aan een hersenbloeding bezwijken. Meer over de rol van Gramsci bij het oprichten van de communistische partij vind je onder Ghilarza, zijn geboortestad op Sardinië, waar hij ook een museum heeft. De ondergrondse organisatie in cellen kwam de communisten later van pas toen ze na 1943 het verzet organiseerden in Noord- en Midden-Italië  tegen de nazi-bezetter en de fascistische ‘Sociale Republiek’. In het door de geallieerden bevrijde zuidelijk deel van Italië namen de communisten deel aan de Italiaanse regering onder Maarschalk Pietro Badoglio, die indertijd de campagne voor de verovering van Ethiopië had geleid. Hun leider, Palmiro Togliatti, die in 1926 in ballingschap was vertrokken naar Moskou en in 1944 was teruggekeerd, werd vice-premier in die regering. Hun partizanen, de Brigade Garibaldi, waren veruit de sterkste verzetsgroep in de door de nazi’s bezette gebieden. Maar Togliatti had hen op het hart gedrukt dat de bevrijding van de nazi’s en de uitschakeling van het fascisme altijd het belangrijkste doel bleef en dat daarvoor een brede coalitie van nationale eenheid nodig was. Het mocht geenszins  de bedoeling zijn om van de oorlog gebruik te maken om socialistische hervormingen op te leggen in de bevrijde gebieden zoals Maarschalk Tito in Joegslavië deed. Togliatti volgde met andere woorden de politiek van de brede coalitie tegen het fascisme die door de Republikeinen in de Spaanse burgeroorlog in 1935 en door het Front Populaire in Frankrijk van 1936 in de praktijk was omgezet.

Verzet pikt tweederangsrol niet 

Maar toen de volledige herovering van Italië nakend was, in de lente van 1945, raakten Togliatti, het verzet en het commando van de geallieerden het niet eens over hoe die bevrijding moest verlopen. Het verzet telde toen ongeveer 100.000 leden en was een militaire macht van formaat. De geallieerden eisten dat de taken van het verzet zich zouden beperken tot de bescherming van de economische infrastructuur zoals havens, spoorwegen, fabrieken, elektriciteitscentrales enz. Ze moesten beletten dat de Duitsers op hun terugtocht de infrastructuur zouden vernietigen, een tactiek van de verschroeide aarde die ze zowat overal hadden toegepast. Daarnaast mocht het commando van het verzet zich evenmin mengen in de onderhandelingen met de Duitsers over de overgave. Een dergelijke tweederangsrol pikten de communisten (PCI) en de republikeinen van de Partito d’Azione niet. In Genua, Turijn en Milaan, het industriële centrum van Italië, zetten ze tussen 24 en 26 april massale opstanden op met steun van de Partizanen, waarin ze de Duitse troepen en de fascisten in straatgevechten en rond fabrieken tot overgave dwongen of verdreven. Evenmin gingen ze in op de vraag van het militaire commando van de geallieerden om Mussolini in leven te laten. Toen hij verkleed als een Duits soldaat in een SS escorte door een Garibaldi Brigade werd herkend, namen ze hem gevangen en knoopten hem op in Milaan. In de dagen onmiddellijk na de bevrijding werden naar schatting nog eens 12.000 tot 15.000 fascisten en collaborateurs geëxecuteerd door het verzet, uit weerwraak voor de naar schatting 35.000 gesneuvelde verzetslui en 20.000 oorlogsvaliden in eigen rangen. De industriëlen die economisch hadden gecollaboreerd met de fascisten vluchtten naar Zwitserland terwijl hun fabrieken werden bezet door gewapende arbeiders.

wapens ruilen voor certificaat van verdienstelijkheid

Er was een prerevolutionaire toestand ontstaan. Daarom ging het geallieerd bevel zo snel mogelijk over tot de ontwapening van de brigades, eerst in officiële ceremonies waarbij de verzetsstrijders een certificaat van verdienstelijkheid kregen bij inlevering van hun wapen, daarna werden nog duizenden verborgen wapens gevonden bij huiszoekingen door geallieerden. De buit geeft een idee van de militaire sterkte van het verzet: 220.000 geweren, 20.000 machinegeweren, 750 antitankwapens en meer dan 200 kanonnen, zo meldt Paul Ginsborg in zijn ‘History of Contemporary Italy’. 

Imago van Italië krijgt weer glans

Maar de grootste verdienste van het verzet was wellicht dat het imago van Italië in Europa en de wereld weer wat glans kreeg na de massale steun die de Italianen aan een megalomane dictator en zijn totalitaire staat hadden gegeven. Een dictator die zijn land bovendien in een oorlog had gestort met het meedogenloze en racistische naziregime als bondgenoot. De moedige houding van het verzet werd niet beloond. Het Comitato della Liberazione Nazionale dat voortdurend de acties van het verzet had gecoördineerd en het tijdelijk bestuur na de bevrijding had waargenomen, kreeg van de Geallieerden de boodschap dat het niet gemachtigd was om zomaar het bestuur over te nemen.   

Palmiro Togliatti en zijn tweede, 27 jaar jongere vrouw, Nilde Lotti, die vanaf 1979 voorzitster van het Parlement zou worden

Italië zegt vaarwel aan de monarchie 

In de eerste regeringen na de bevrijding hadden de communisten en socialisten ministers. Op 2 juni 1946 konden de Italianen voor het eerst in meer dan 20 jaar weer gaan stemmen en wat meer is: voor het eerst konden ook de vrouwen stemmen. Twee jaar eerder dan dat in België het geval was, maar 24 jaar later dan de Nederlandse vrouwen.

Referendum over de monarchie

Ze konden niet alleen hun volksvertegenwoordigers kiezen, maar moesten zich ook in een referendum uitspreken of ze een republiek of een monarchie wilden. In een ultieme poging om zijn dynastie te redden had Victor Emmanuel III, die Mussolini lange tijd had gesteund, inderhaast de fakkel doorgegeven aan zijn zoon Umberto, maar het mocht niet baten. De monarchie werd met 54% van de stemmen verworpen. Alleen Zuid-Italië bleek massaal voor het behoud van het koningschap te hebben gestemd. 

Grondwet opteert voor parlementaire democratie

Achttien maanden lang debatteerden christendemocraten, socialisten en communisten vervolgens in het parlement over de nieuwe Republikeinse Grondwet, die in werking trad op 1 januari 1948. Daarin werd geopteerd voor een parlementaire democratie met een meerpartijenstelsel, vrije verkiezingen, scheiding der machten en enkele sociale accenten zoals recht op arbeid, vakbondsvrijheid, onderwijs en sociale zekerheid. Er werden waarborgen tegen totalitarisme en fascisme opgenomen. De soevereiniteit behoort toe aan het volk, zegt artikel 1 (dus niet aan een leider) en in de twaalfde overgangsbepaling wordt de heroprichting van de fascistische partij uitdrukkelijk verboden. In artikel 11 wordt ten slotte de oorlog afgewezen als middel om internationale geschillen op te lossen. De communisten van hun kant waren bijzonder meegaand als het over de rol van de kerk ging. Ze stonden toe dat het concordaat dat Mussolini in 1929 met de kerk had gesloten, werd verlengd. Dat zogenaamde Verdrag van de Lateranen erkende de katholieke godsdienst als staatsgodsdienst, verplichtte godsdienstonderwijs in staatsscholen en gaf de paus weer een eigen territorium: Vaticaanstad. In een volgende regering bleef de Democrazia Christiana (DC) alleen achter met de socialisten en communisten, maar werd eersteminister De Gasperi van alle kanten onder druk gezet om ze te dumpen. Eerst en vooral door de VS. 

Koning Vittorio Emmanuele III heeft het verkorven in 1945

De Truman-doctrine: geen communisten in West-Europese regeringen

 

Marshall-plan

De koude oorlog brak uit en de Amerikanen gingen zich bemoeien in de Italiaanse interne keuken. In Amerika lanceerde president Truman begin 1947 de naar hem genoemde doctrine die in het licht van de communistische dreiging in Frankrijk, Griekenland en Italië alle communistische partijen de weg moesten worden afgesneden. Zijn Secretary of State George Marshall drong er via zijn ambassade in Rome op aan dat alle communistische ministers uit zijn regering werden verwijderd. Indien niet, moest Italië, dat economisch aan de grond zat, niet meer op Amerikaanse steun rekenen voor de heropbouw in het kader van het Marshall-plan. Dat plan moest Europa er economisch weer bovenop helpen en wat Italie betreft vooral jobs creëren om sociale onrust te voorkomen, de voedingsbodem voor de communistische partij. Op die Europese markt kon de VS dan zijn enorme productie afzetten. De VS beschikte op dat moment immers over twee derde van de wereldwijde industriële productie en was op zoek naar afzetmarkten. 

Communisten zweren bij democratische hervormingen

De communisten van de PCI kwamen geleidelijk aan in het nauw. Veel ondernemen durfden ze niet door de aanwezigheid van de geallieerde troepen, die in 1947 nog altijd aanwezig waren. Palmiro Togliatti bleef zweren bij democratische hervormingen en hoopte zijn macht uit te breiden via verkiezingen. Daarom zette hij alles in op een verstandshuwelijk met de Democrazia Christiana, die hij aanvankelijk beschouwde als de opvolger van de strijdbare Partito Populare, de christelijke arbeiderspartij van voor de oorlog. Maar dat bleek een misrekening. De echte bondgenoten van de DC zaten niet in de regering maar in het Vaticaan en in de VS. In januari 1947 reisde de DC-leider De Gasperi naar de VS en kreeg daar de boodschap te horen dat hij voor het Westen moest kiezen of dat hij de Amerikaanse economische steun kon vergeten. 

Ook de macht van de PCI op het terrein brokkelde af, onder meer door de verwaarlozing van de bevrijdingscomité’s die nog aan de basis actief waren in de fabrieken. Uiteindelijk maakte De Gasperi op 31 mei 1947 een eind aan het anti-fascistisch kabinet, zette alle communistische en socialistische ministers uit de regering en verzamelde alle centrumrechtse partijen rond zich om een nieuwe regering te vormen.

Kiezen voor communisten is kiezen voor de hel

De Kerk speelde een hoofdrol in de anticommunistische strategie. Paus Pius XII stelde in de aanloop naar de parlementsverkiezingen van april 1948 in een toespraak op het Sint-Pietersplein de gelovigen voor de keuze: te kiezen voor of tegen Christus. Kardinaal Siri en de bisschoppen waarschuwden dat het een doodzonde was om te stemmen voor kandidaten die ‘de rechten van God, De Kerk en de Mensheid’ niet respecteerden. Stemmen voor de communisten was de keuze voor de hel.  De dorpspastoren riepen onomwonden op om voor de DC te stemmen en gebruikten het Mariabeeld als boegbeeld in verkiezingsmanifestaties van de Democrazia Christiana. Sommigen weigerden de sacramenten toe te kennen aan dorpsgenoten die bekend stonden als communisten. Op verkiezingsaffiches van de anticommunistische propaganda werden communisten voorgesteld als hongerige wolven die kleine kinderen bedreigden. De legende circuleerde zelfs dat communisten kinderen opaten “I Communisti mangiono i bambini”, een campagne die de fascisten van de Sociale Republiek al eerder hadden gelanceerd om te waarschuwen tegen het rode gevaar. Naar verluidt dateert de oorsprong van die legende uit de hongersnoden die Oekraïne in de jaren twintig onder Stalin hadden geteisterd en waarbij hongerlijders inderdaad tot kannibalisme werden gedwongen. In 1949 volgde een pauselijk decreet dat katholieken die het communisme actief steunden konden worden geëxcommuniceerd.

'Moeders van Italië, het rode monster wil uw bloed, onthoudt dat!'

Geschil met het Joegoslavië van Tito over grensgebied

Voor de communisten van de PCI kwam ook de kwestie van de regio rond Trieste bijzonder ongelegen. De Joegoslavische communistische leider Tito had het gebied willen annexeren na de oorlog, omdat een deel van de bevolking er Sloveens is, maar dat werd hem belet door de Amerikaanse en Britse troepen die er nog steeds Noord-Italië bezet hielden.

Fiume, Pola en Gorizia gaan naar Joegoslavië

Maar Italië behoorde wel tot het verliezende kamp na de oorlog en in de vredesconferentie van Parijs moest het Fiume (het huidige Rijeka in Kroatië), Pola (het huidige Pula in Kroatië) en Gorizia (het huidige Gorica in Slovenië) in de oostelijke provincie Friuli-Venezia Giulia en wat eilanden in de Adriatische zee afstaan aan Joegoslavië. Dor toedoen van de Britse en Amerikaanse bezetter kon het wel het gebied rond Trieste behouden. Daarnaast moest het herstelbetalingen doen aan de landen waar het militair actief was geweest en er zware oorlogsschade was: namelijk aan Joegoslavië, Griekenland, de Sovjet-Unie, Ethiopië en Albanië. Ten slotte verloor het ook nog eens alle Afrikaanse kolonies: Libië, Ethiopië, Eritrea en Somalië, ongetwijfeld de hardste dobber. 

 

De Gasperi legt de machtsbasis voor de christendemocratie

Met de hulp van de Amerikanen waarvan de schepen met hulpgoederen die aanmeerden in de Italiaanse havens op flink wat belangstelling konden rekenen in de media wist Alcide De Gasperi met zijn Democrazia Cristiana in 1948 een klinkende overwinning te behalen in de verkiezingen en de absolute meerderheid te behalen in het parlement. Het Volksfront van Communisten en socialisten behaalde 31%. In het geval van een communistische overwinning was de hulpverlening onmiddellijk stopgezet, had Marshall op voorhand verwittigd en in de Italiaanse havens lagen Amerikaanse oorlogsschepen die konden ingrijpen in geval van grootschalige opstanden.  In die gespannen sfeer werd op 14 juli  een moordaanslag gepleegd op communistenleider Palmiro Togliatti, die gewond werd afgevoerd, waarop in fabrieken, havens en in de straten in Genua, Turijn, Venetië en elders onlusten uitbraken. Togliatti overleefde de aanslag en riep op tot kalmte.

Democrazia Cristiana moet coalities vormen

In de volgende verkiezingen van 1953 kwamen socialisten en communisten apart op en wist een centrumcoalitie rond De Gasperi net geen absolute meerderheid te behalen. Vanaf toen moest de CD telkens wisselende coalities met centrum, rechtse of zelfs gematigd linkse partijen  vormen om aan de macht te blijven en de communisten uit de regering te houden. Daarvoor wijzigde ze zelfs even de kieswetgeving. De communisten bleef de DC beschouwen als een gevaar voor de democratie. 

DC: de derde weg

De Gasperi nam in 1953 afscheid van de nationale politiek, die hij 10 jaar lang had gedomineerd. Eerst als sociaal bewogen christendemocraat en antifascist die opkwam voor de democratie en sociale gerechtigheid, maar die vanaf 1947 het kamp van de Amerikanen koos in de Koude Oorlog, actief strijd ging voeren tegen de communisten en ethisch de conservatieve kerk stevig in het midden hield. Hij zette ook de contouren uit die de Italiaanse staat de volgende decennia vorm zou geven: een sterk gecentraliseerde administratie, waarin weinig ruimte was voor lokale of regionale besluitvorming, maar wel voor een ondoorzichtig web van honderdduizenden wetten en regels vol achterpoortjes, die vriendjespolitiek, nepotisme en zelfbediening moeilijk traceerbaar maakten. Politiek moest de christendemocratie als de derde weg tussen fascisme en communisme de behoeder worden van de democratie en de sociale vrede. Vier decennia lang zou deze ‘volkspartij’ de nationale politiek bepalen, stevig verweven met de staat, zijn bureaucratie en zijn economie met alle uitwassen vandien.

 

Alcide de Gasperi: de oervader van de Democrazia Christiana

In het belang van de nationale eenheid prediken ook antifascisten de verzoening

 

Halfslachtige zuivering

Terwijl de denazificatie in Duitsland, die werd georganiseerd door de geallieerden na de capitulatie van Duitsland gepaard ging met processen tegen nazikopstukken in Nuerenberg en er een systematische screening gebeurde met verplichte vragenlijsten voor miljoenen Duitsers, waarna er tienduizenden uit hun functie werden ontzet, voltrok de zuivering van het Italiaanse ambtenaren-, politie- en gerechtelijk apparaat zich zeer halfslachtig. Ambtenaren en politieofficieren waren per definitie lid geweest van de Fascistische partij, want dat lidmaatschap was  verplicht onder Mussolini. Er werden wel speciale zuiveringscommissies opgezet, maar wie lid was geweest en zich niet aan misdaden schuldig had gemaakt, kon gewoon zijn functie blijven uitoefenen. Het  gerechtelijk apparaat werd evenmin hervormd en vele rechtbanken spraken recht die nog onder het fascisme hadden gefunctioneerd. Tal van fascisten die hadden deelgenomen aan folterpraktijken en andere oorlogsmisdaden werden daardoor op zeer betwistbare gronden buiten vervolging gesteld. Ook leidende fascistische figuren die een belangrijke rol hadden gespeeld in de afbouw van de democratie gingen vrijuit. Dat gebeurde nota bene allemaal toen de communist Togliatti minister van Justitie was. Al in juni 1946 vaardigde Togliatti een amnestiewet uit die het einde van de “epurazione” inluidde, waardoor de meeste misdaden door fascisten gepleegd onbestraft bleven. Italiaanse fascisten en nazi's pleegden volgens een onderzoekscommissie 6000 oorlogsmisdaden. Het kritische ‘Centro Carlo Levi’ wijst ook op de massa’s bezwarende informatie over de uitvoerders van oorlogsmisdaden  die zomaar verdween.  Er was een uitleg voor deze ‘lakse’ rechtspraak en de doofpotoperaties. In het belang van de nationale eenheid preekten ook linkse en antifascistische politici de verzoening en beperkten ze zich tot de verheerlijking van het verzet. Ze rakelden de misdaden van het fascisme alleen op als het volk overduidelijk als slachtoffer kon worden voorgesteld. Intussen was ook de Koude Oorlog tegen de Sovjet-Unie gestart en was de vorming van een sterke anticommunistische staat een prioriteit, niet alleen in Italië, maar ook in West- Duitsland waar de denazificatiecampagne evengoed on hold werd gezet. 

Voormalige partizanen uit de bureaucratie en besturen gezet

De eigenlijke epurazione in Italië bleek achteraf te worden toegepast door christendemocratische ministers als De Gasperi en Mario Scelba op de antifascisten en partizanen die zich in het ambtenarenapparaat een plaats hadden verworven na de bevrijding en op de partizanen die in het nieuwe politieapparaat waren benoemd. De fascistische nostalgici en zelfs fascisten die nog functies hadden bekleed onder Mussolini richtten de Movimento Sociale Italiano op en scoorden vooral in de zuidelijke steden Napels, Bari, Messina en in sommige stadsdelen van Rome goed. Het antifascisme leefde veel minder in het zuiden en de fascistische elite had er zich makkelijker kunnen handhaven na de oorlog. De beweging profiteerde van het diepgewortelde conservatieve katholicisme in het zuiden en van het anticommunisme die in de Koude Oorlog werd aangewakkerd. In Rome, de hoofdstad van de bureaucratie waren veel ambtenaren, politie- en legerofficieren uit het fascistisch tijdperk op post gebleven en bleef de stad een symbool van het 'grootse fascisme', zodanig dat de MSI ook hier een draagvlak had. In 1953 behaalde de MSI nationaal nog 5,7% van de stemmen.  

 

Antisemitisme wordt vergoelijkt

Het antisemitisme werd ingevoerd door de nazi’s, luidde de officiële naoorlogse Italiaanse versie en de Italianen, tja, die kun je weinig verwijten, die waren zelf de slachtoffers van een dictatuur. Fanatiek anti-Joods zoals de Duitsers zijn de Italianen nooit geweest. De Jodenvervolgingen en deportaties waren het werk van de Duitse bezetter na 1943 en Italiaanse burgers hebben zich vooral ingezet om Joden te verbergen en te laten onderduiken.  Tenminste, zo luidde het vergoelijkende narratief na het einde van de oorlog.  En ook al was het kabinet na de oorlog uitgesproken antifascistisch, het zweeg liever over de misdaden onder het fascisme. Italië moest heropgebouwd worden en een positief imago in het buitenland kon daar alleen maar bij helpen. Oorlogsmisdaden werden zorgvuldig uit het collectieve geheugen gebannen. 

Italiaanse concentratiekampen

Dat er onder Mussolini door Binnenlandse Zaken een vijftigtal concentratiekampen werden ingericht voor Slovenen en Kroaten en voor politieke opposanten is een feit. Er waren kampen in Gonars bij Trieste, in Renicci in Toscane, in Monigo bij Treviso, in Chiesanuova bij Padua en nog vele andere. Er was een mildere vorm van verbanning naar ‘colonie di confino’ in Basilicata, op de Liparische eilanden en elders, zoals blijkt uit ‘Christo si è fermato a Eboli’ van Carlo Levi.

De historicus Carlo Spartaco Capogreco bezocht in de jaren tachtig alle Italiaanse concentratiekampen. De meeste waren verdwenen of volledig verwaarloosd en werden nergens, zoals in Duitsland, ingericht als memorial sites ter herinnering aan de wreedheden van het fascistische regime onder Il Duce. De nazi’s gingen inderdaad meedogenlozer, beestachtiger en systematischer te werk. Zij waren het die de Endlösung bedachten en uitvoerden, maar dat geeft de repressie onder het Italiaans fascisme niet het recht om vergeten te worden.

De rassenwetten van Mussolini

Eerst en vooral, dat het Italiaanse fascisme milder was voor de Joden, klopt maar zeer gedeeltelijk.  In 1938 voerden de fascisten de Rassenwetten in, de ‘Leggi razziali’, waardoor Italiaanse Joden hun burgerrechten verloren en niet meer konden werken in overheidsdiensten. Joodse leraren en zelfs leerlingen werd de toegang tot scholen ontzegd. Buitenlandse Joden en Roma werden na 1940 opgesloten in concentratiekampen. Gemengde huwelijken werden verboden. Officieel luidt het dat Mussolini bezweek onder de druk van de nazi’s en die wetten uit plat opportunisme invoerde. Toen de Duitsers in 1943 het land binnenvielen om de opmars van de geallieerden af te remmen, werd het inderdaad veel erger. De Duitsers organiseerden met de hulp van de trouw gebleven fascisten en de lokale politie tijdens de  bezetting van Noord- en Midden-Italië een massale jacht op Italiaanse Joden. Formeel was de politieke macht immers in handen van de Sociale (fascistische) Republiek en in dat marionettenregime kreeg de Italiaanse politie de opdracht van Binnenlandse Zaken om alle Joden te arresteren en hun bezittingen in beslag te nemen.  De gevangen genomen Joden werden verzameld in doorgangskampen als Fossoli en aan de Duitsers uitgeleverd. 

Primo Levi

Primo Levi, de Joodse chemicus en schrijver van onder meer ‘Se questo è un uomo’ (niet te  verwarren met  Carlo Levi), werd pas in 1944 opgepakt tijdens de Duitse bezetting, naar een Italiaans kamp gebracht en daarna naar Auschwitz gedeporteerd, maar overleefde het. Hij benadrukte in een interview aan de RAI, dat de Duitse oorlogsmisdaden een gemakkelijk alibi waren voor de Italianen die volgens hem wel degelijk hadden deelgenomen aan de Shoah.  Van Joden die in Zuid-Italiaanse concentratiekampen waren beland, wordt bijvoorbeeld gezegd dat ze geluk hadden dat ze niet leefden in de door Duitsers bezette gebieden, waardoor ze niet hoefden te vrezen om gedeporteerd te worden naar Duitse uitroeiingskampen. Hijzelf kwam in Fossoli (bij Modena) terecht in 1944 en beschrijft hoe hij met 650 andere Joden werd gedeporteerd. Van de 650 gedeporteerden waren er na hun aankomst in Auschwitz na enkele dagen al 500 ‘vernietigd’. Van de 45 mensen in zijn deportatiewagon keerden er maar vier terug. Bij aankomst in Auschwitz had namelijk een selectie plaats. Hij werd hij bij de gezonde mannen geplaatst die ‘nuttig werk konden doen voor het Reich’ als ‘Häftling’ met het getatoeëerde nummer 174517. Hijzelf komt in een “Arbeitslager”, een werkkamp terecht waar hij “na een week gevangenschap al het instinct om zich schoon te houden verloren had”. 

Primo Levi, schrijver en overlevende van Auschwitz

Het economische mirakel van de jaren vijftig en zestig

In de jaren vijftig en zestig werd Italië dankzij een ongeziene economische inhaalbeweging en modernisering een land dat de vergelijking met andere westerse landen kon doorstaan. De christendemocraat De Gasperi en zijn minister van Handel Ugo La Malfa huldigden de grondbeginselen van de Europese Vrije Markt, namelijk het vrije verkeer van goederen, diensten en personen. Dankzij de Amerikaanse Marshall steun, die tussen 1948 en 1952 opliep tot 2% van het BNP, kon de overheid massaal investeren in wegen, bruggen en andere infrastructuur die transport van en naar industriële sites vlot maakte.  In het zuiden werden vooral veel wegen- en infrastructuurwerken opgezet met investeringssteun van de Cassa per il Mezzogiorno, die op zijn beurt putte uit het Marshallplan.

Export en industrialisering verdubbelen BNP op 10 jaar tijd

In de tweede helft van de jaren vijftig schakelde de economie over op een exportvriendelijke politiek via handelsovereenkomsten en lage douanetarieven. De lage lonen en de ondergewaardeerde lire maakten de Italiaanse producten competitief. Automerken als Fiat, Alfa Romeo, Lancia en Lamborghini wisten de buitenlandse markten te veroveren net als de autobanden van Pirelli en de scooters van Piaggio.  In de Europese huishoudens verschenen de wasmachines en elektrische fornuizen van Ignis en Zanussi, naast de keukens van Salvarani. Italiaans design in de meubelindustrie was gegeerd en in de kantoren zag je overal de typemachines van Olivetti. In de textielsector en vooral de mode gaven Gucci, Prada en Valentino de toon aan en werd Milaan een mondiaal centrum. Het Bruto Nationaal Product van Italië verdubbelde tussen 1955 en 1965 en tegen 1961 werkte 70% van de Italiaanse actieve bevolking in de industrie of de dienstensector en nog slechts 30% in de landbouw. Als industrieland werd Italië opgenomen in het clubje rijke westerse landen dat de G7 vormde en zou een van de stichtende leden worden van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), de voorloper van de Europese Economische Gemeenschap en later de Europese Unie. De boomende economie had welvaart gebracht. Schrijnende armoede, ondervoeding waren in de meeste families verdwenen en de arbeidsmobiliteit scheerde hoge toppen.

Migratie naar Noord-Italië

Meer dan 9 miljoen Italianen migreerden tussen 1955 en 1970 in hun eigen land, veelal noordwaarts naar de industriële centra van Turijn en Milaan.  Het onderontwikkelde Zuid-Italië profiteerde mee van de boom, al was het maar omdat honderdduizenden Zuid-Italiaanse arbeidsmigranten hun families in het zuiden geld opstuurden.  Tot eind de jaren zestig verkleinde de armoedekloof tussen Noord en Zuid zelfs, maar daarna ging hij weer groeien.  

Door zijn decennialange dominantie op het politieke terrein wist de Democrazia Cristiana ook haar netwerk in het ambtenarenapparaat en in het Istituto per la Reconstruzione Industriale (IRI) uit te breiden. Dit Instituut voor de Industriële Heropbouw was een staatsholding die nog was opgericht door de fascisten in 1933, waarmee ze de wereldwijde economische crisis wilden bestrijden. De holding had de belangrijkste staatsbedrijven in de energie-, telecommunicatie-, scheepbouw-, staal-, luchtvaart-, wegenbouw- en verzekerings- en bankensector in zijn portefeuille. Op de cruciale posten in deze bedrijven werden christendemocraten gepositioneerd. Eenzelfde invloed had de partij in de staatsoliebedrijven Agip en Eni en in de staatszender RAI. Dat leidde ertoe dat de DC in veel gevallen vereenzelvigd werd met de regering, de ambtenarij van hoog tot laag en met de overheidsbedrijven. De partij kon met een cliëntelisme (favoritismo) van ongeziene omvang in de vorm van vriendendiensten, jobs of andere gunsten een breed kiezerscorps bedienen en jarenlang zijn electorale aanhang aan zich binden. 

 

fiat 500, 1960

Een cordon sanitaire tegen de communisten

De christendemocraten van de DC beschouwden in de Koude Oorlog de communistische PCI onder Togliatti als bondgenoten van de grote vijand, de Sovjet Unie. Omdat Stalin de nazi’s had verslagen, die Italië twee jaar lang onder een terreurbewind bezet hielden, was er bij een deel van de twee miljoen PCI-leden in de jaren na de oorlog wel een zekere verering voor ‘Vadertje Stalin’. Toen hij stierf in 1953, riep de partijkrant l’Unità een algemene rouw uit en werd zijn portret in sommige wijken met kaarslichtjes vereerd zoals men voor heiligen placht te doen. In diezelfde Unità, zo schrijft de historicus Paul Ginsborg, werd Rusland soms voorgesteld als een paradijs, waar werkloosheid niet langer bestond, waar er nog slechts zes of zeven uur per dag werd gewerkt en waar de de levensstandaard er steeds meer op vooruitging. Die kritiekloze verering van de modelstaat en diens leider gold echter evengoed voor de leider van de PCI zelf, Togliatti.  

Bekendmaking stalinistische terreur en Russische tanks in Boedapest

Na de dood van Stalin in 1953 kwam met Nikita Chroetsjov een nieuwe Sovjetleider aan de macht. Pas na drie jaar, in 1956, maakte hij de stalinistische zuiveringen wereldkundig en haalde hij de persoonlijkheidscultus en onaantastbaarheid van ‘vadertje Stalin’ onderuit. Togliatti reageerde meteen met een verklaring waarin hij zich afvroeg hoe de misdaden onder Stalin überhaupt mogelijk konden worden gemaakt, maar liet na erbij te vertellen dat hij onder het fascisme achttien jaar in ballingschap in Moskou verbleef en een leidende figuur was van de Komintern, de Communistische Internationale.  De zuiveringen binnen de Russische communistische partij konden hem onmogelijk zijn ontgaan. Hij bleef dus publiek kritiekloos loyaal aan Stalin en de officiële Russische partijlijn, maar er zijn geen aanwijzingen dat hij was betrokken bij de zuiveringen. 

1956 was in dat opzicht een keerpunt voor de communisten in Europa. Met de erkenning van de stalinistische terreur waren de eerste hoopvolle tekenen van een liberalisering in het communistische blok zichtbaar. Maar dat bleek ijdele hoop, toen datzelfde jaar de Russische tanks Hongarije binnenrolden en in de straten van Boedapest de Hongaarse opstand neersloegen. De PCI daverde op haar grondvesten en was hopeloos verdeeld tussen leden die de Russische inval verdedigden en zij die hem veroordeelden. Het leidde tot een aderlating waarbij honderdduizenden leden de partij verlieten. Een aanzienlijk aantal vonden onderdak bij de socialisten van de PSI, die als kleinere linkse partij steeds in de schaduw van de PCI was gebleven. 

Nieuwe paus en Aldo Moro maken toenadering tot links mogelijk

Voor de nieuwe leider van de christendemocraten, Aldo Moro, was dit het signaal om een poging te ondernemen met de socialisten te regeren. Twee internationale ontwikkelingen hadden het pad geëffend. In de VS was president John Kennedy de eerste president die geen bezwaar maakte tegen een centrum-linkse regering in Italië en in Vaticaanstad had de Paus Johannes XXIII de fakkel overgenomen van de oerconservatieve Pius XII, die een kruisvaart voerde tegen het goddeloze communisme. Johannes XXIII riep op tot dialoog met andersdenkenden, vrede en verzoening en vond dat de kerk zich neutraler moest opstellen in internationale en binnenlandse politieke kwesties.  In 1962 was het zover. Voor het eerst sinds het begin van de Koude Oorlog werd met een linkse partij onderhandeld om deel te nemen aan een regering.   

Vanaf de jaren zestig waren de fabrieken van het Noorden ook twee decennia lang de plaatsen waar de vakbonden, vaak met stakingen en bezettingen, betere werkomstandigheden, verlofregelingen en hogere lonen afdwongen. De vakbonden CGIL (communistisch) en CISL (christelijk)  zagen hun ledenaantal in die jaren groeien tot 6,7 miljoen in 1975. Ze werden een macht waar rekening moest mee gehouden worden. In dat opzicht was zelfs de CEO van Fiat, Vittorio de Valletta, een centrumlinks kabinet genegen. Hij hoopte dat een dergelijk kabinet de sociale onrust in zijn fabrieken beter onder controle zou kunnen houden.   Aanvankelijk in 1962 onder de DC-eersteminister Fanfani  boden de socialisten alleen gedoogsteun en traden niet toe tot het kabinet. Onder premier Aldo Moro gebeurde dat wel met de socialist Pietro Nenni als vicepremier. Eerst werden onder Fanfani de verschillende elektriciteitsmaatschappijen genationaliseerd en ondergebracht onder de ENEL-koepel. Daarna werd het onderwijs gedemocratiseerd en de schoolplicht tot 14 jaar ingevoerd. Moro regeerde met centrum-linkse kabinetten tot in 1968, maar van de vele aangekondigde hervormingen brachten er het maar heel weinig tot een goed eind. 

Communisten blijven uitgesloten van regeringsdeelname

Al die tijd bleef de PCI geïsoleerd in de oppositie zetelen en werd a priori uitgesloten van elke regeringsdeelname in een ‘cordon sanitaire avant la lettre’. De partij zag haar ledenbestand verouderen, maar ze bleef diep verweven in het verenigingsleven en de lokale besturen van de steden en gemeenten. In 1963 telde ze nog 7000 coöperatieven, 1300 sportverenigingen en 3000 culturele verenigingen en l’Unità was na de Corriere della Sera de meest gelezen krant van het land. Toen Togliatti stierf in 1964 was de PCI de grootste communistische partij van West-Europa. Hij had volgens de richtlijnen van zijn voorganger, Antonio Gramsci, de partij via de uitbouw van een uitgebreid net van militanten, verenigingen, case del popolo en culturele activiteiten  ingeplant  in het maatschappelijk weefsel. De onvrede had hij gekanaliseerd in een parlementaire oppositie. De partij was in grote delen van Midden- en Noord-Italië de dominante politieke macht en had de culturele hegemonie verworven, om het met Gramsci te zeggen. Dat de partijleiding nog ongeveer alle belangrijke beslissingen topdown nam lag aan de autoritaire partijstructuur, een erfenis uit het verleden. Ze had best wat meer interne democratie kunnen gebruiken, maar uit vrees voor dissidentie en afscheuringen, hield ze de boot af. 

Ondanks haar uitsluiting van regeringsdeelname bleef ze de parlementaire democratie respecteren en koos voor een pragmatische weg naar het socialisme.

De ervaring van de socialisten in de kabinetten onder leiding van de christendemocraten had de PCI doen inzien dat het bijzonder moeilijk is om een sociale agenda door te drukken met een regeringspartner als de DC, die een net had uitgebouwd in de bureaucratie, de staatsbedrijven en de ondernemerswereld. Bovendien bedreef ze politiek in een land dat militair ingebed was in de NAVO-structuur, terwijl ze zelf nog sterke banden had met de Sovjet-Unie.

Italië sukkelt in stagflatie

In het begin van de jaren zeventig bleef ook Italië niet gespaard van het economische ontij dat de hele westerse wereld trof. De wereldwijde oliecrisis die volgde op het olie-embargo van de Arabische landen maakte een einde aan de economische boom. In 1973 en 1974 zakte Italië weg in een diepe recessie (negatieve economische groei) omdat de escalerende prijs van de geïmporteerde olie de kosten in de industrie deed oplopen en vrat aan de bedrijfswinsten. De betalingsbalans van Italië werd bloedrood. Er volgden massale ontslagen en de werkloosheid versnelde. Er kwam een recordinflatie die de prijzen van de consumptieproducten de hoogte injoeg, waardoor de bevolking met steeds meer werklozen in de gezinnen zijn koopkracht zag slinken. Een slabakkende economie en een galopperende inflatie was een combinatie die de economen 'stagflatie' doopten, maar waar ze voorlopig geen antwoord op hadden. De regeringen reageerden met de devaluatie van de lire en een  deflatoire politiek, die de rente verhoogde en de  geldhoeveelheid inperkte. Het gevolg was een enorme toename van de zwarte economie.

 

Enrico Berlinguer (PCI) en Aldo Moro (DC) zoeken historisch compromis

In dit woelige sociale klimaat wierp de PCI van de nieuwe leider Enrico Berlinguer zich op als de rots in de branding.  Berlinguer was net als Gramsci een Sard, afkomstig uit Sassari, nauwelijks 80 km van Ghilarza, de plaats waar Gramsci zijn jeugd had doorgebracht. 

PCI wordt eurocommunistisch en stijgt naar 33%

Berlinguer maakte van de PCI een partij die regeringsverantwoordelijkheid wilde dragen. Om de partijdemocratie in dit woelige klimaat te redden zat er volgens hem niets anders op dan met de DC en andere anti-fascistische krachten samen te regeren. Het duurde wat voor de christendemocraten bereid waren om te onderhandelen over dit ‘historisch compromis’. Aldo Moro, de premier die in de jaren zestig jarenlang samen met de socialisten had geregeerd en in 1976 voorzitter van de partij was geworden, was de christendemocraat die de gesprekken voor de DC zou voeren. Hij was min of meer overtuigd dat dit historisch compromis het beste antwoord was op de diepe politieke en economische  crisis die Italië in de jaren zeventig doormaakte. Beide partijen groeiden naar elkaar toe. De DC bleek bereid om een ziektekostenverzekering in te voeren, de PCI sloeg definitief de weg in van het eurocommunisme en brak gedeeltelijk met Moskou en was zelfs bereid de besparingspolitiek van de DC te steunen om de crisis te bestrijden. Inmiddels had de PCI de handen vol met besturen in de regio’s en de steden. in 1975 behaalde ze bij de regionale en lokale verkiezingen 33 procent van de stemmen. Ze kwam aan de macht in ongeveer alle grote steden van Italië, op Palermo en Bari na, en veroverde in het Noorden en het centrum van het land de regio’s Lombardije, Piemonte en Liguria, terwijl ze al bestuurde in Toscane, Umbria en Emilia-Romagna.

Hoewel socialisten en communisten in de Parlementsverkiezingen van 1976 van de 47% van de stemmen behaalden, bleef Berlinguer kiezen voor de regeringen van de  ‘nationale solidariteit’ en het historisch compromis met de DC. De PSI, de coalitiepartner van de DC in de jaren zestig, bleef verweesd achter en koos een figuur van de rechtervleugel in de partij tot partijsecretaris, die meer dan een decennium lang zijn partij in een koers weg van de PCI zou sturen: Bettino Craxi. 

PCI-boegbeeld Enrico Berlinguer

De anni di Piombo: links en rechts terrorisme verlammen het land

De politisering van de studentenbeweging na '68

Het revoltejaar 1968 bracht in Italië net als elders in het Westen massale studentenbewegingen op de been die ageerden tegen het conservatieve establishment, tegen de invloed van de Katholieke Kerk, tegen de dominante Democrazia Cristiana, tegen de onderdrukking van vrouwen en arbeiders, tegen het kapitalistisch systeem, voor meer seksuele vrijheid enz. De autoritaire reactie van de gevestigde orde die reageerde met politiegeweld en de starre houding van de overwegend conservatieve DC waren koren op de molen voor de radicalisering die daarop in studentenmiddens volgde. De studentenbeweging politiseerde, inspireerde zich hierbij op Marx en de vele fracties onderscheidden zich onder elkaar door ideologische disputen, waarbij ze inspiratie vonden bij Lenin, Stalin, Mao, Trotski enz. Het grote verschil met elders in Europa was dat de studenten die zichzelf als een revolutionaire avantgarde gingen zien - achteraf een groteske zelfoverschatting gebleken - aanvankelijk daadwerkelijk aansluiting vonden bij de fabrieksarbeiders in Turijn, Milaan en Genua. Groeperingen als Lotta Continua, Potere Operaia en Avanguardia Operaia infiltreerden in fabrieken en vonden gehoor bij de arbeiders die leden onder de slechte arbeidsomstandigheden, werkten voor veel te lage lonen en nauwelijks enige bescherming genoten tegen de willekeur van het patronaat dat aanvankelijk van geen wijken wilde weten. Ze hielpen de arbeiders bij stakingsposten en waren solidair bij fabrieksbezettingen. Het patronaat was tot weinig onderhandelen bereid en zette al vlug de politie in en dat leidde onvermijdelijk tot geweld dat escaleerde in de hete herfst van 1969. De eerste doden vielen al eind 1968, zowel bij de arbeiders, de studenten als de politie. 

 

Extreem-rechts zaait terreur

Van zodra de onvrede bij de bevolking toeneemt en de politieke spanning stijgt, wordt in Italië gepolariseerd en wordt van de weersomstuit ook het neofascisme actiever. 

Extreem-rechts  bleek immers ook fanatieke driftkoppen te hebben voortgebracht, die niet alleen virulent anti-communistisch waren, maar ook nog eens extreem gewelddadig. Ordine Nuovo en Avanguardia Nazionale organiseerden zich in militante groepuscules die weerwerk wilden bieden tegen de linkse mobilisatie. Hun akelige strategie bestond erin om de spanning en de angst in de samenleving op te drijven door blinde aanslagen te plegen die onschuldige slachtoffers maakten, bij voorkeur op plaatsen waar veel volk samentroepte en de schuld daarvan in de schoenen van extreem-links te schuiven. Uiteindelijk zou de angst en de ondraaglijke spanning bij de bevolking de installatie van een autoritair regime na een coup doen accepteren, zo geloofden ze. In december 1969 pleegden aanhangers van Ordine Nuovo een aanslag op de Romeinse Piazza Fontana waarbij 17 dodelijke slachtoffers vielen en 84 gewonden. Volgens links infiltreerden de neofascisten de politie, het leger en zelfs justitie en was het gevaar reëel voor een staatsgreep zoals in 1967 in Griekenland door een aantal kolonels onder George Papadopoulos was gepleegd. Ook PCI-leider Berlinguer waarschuwde in zijn eerste jaren van zijn leiderschap in 1972 en 1973 voor de groeiende spanning die rechtse krachten aan het creëren waren met hun aanslagen als antwoord op het militante straat- en fabrieksprotest van links. Hij herinnerde aan de militaire staatsgreep van de legerleider Augusto Pinochet in Chili, die in 1973 een bloedig einde maakte aan de parlementaire democratie onder de linkse president Salvador Allende.  

Het was het startschot van een van de gewelddadigste periodes uit de recente Italiaanse geschiedenis die tot ongeveer 1980-1985 zou blijven duren en die de 'Anni di Piombo' werden gedoopt, 'de loden jaren'.

vlag van extreem-rechtse terreurgroep Ordine Nuovo

Hoe radicaal links gewelddadig werd

Buitenparlementair links keek met lede ogen toe hoe de PCI zich gaandeweg een plaats veroverde in de parlementaire democratie en via de vakbonden in het begin van de jaren zeventig opnieuw het hoge woord voerde onder de arbeiders in de fabrieken. Radicaal linkse groepen als Lotta Continua en Potere Operaia hadden een belangrijke rol gespeeld in bezettingen van fabrieken en van universiteitsgebouwen en hun stakingsposten hadden af te rekenen met steeds driester politiegeweld. Bij links nam sinds de bijzonder hete herfst van 1969 de roep om een betere zelfverdediging toe.  Gehelmde manifestanten en stakingsposten verschenen steeds vaker in het straatbeeld en gingen zich manu militari tegen de ordehandhavers verdedigen. Velen belandden daardoor in de gevangenis of raakten gewond en de oproepen tot geweld escaleerden. 

De meest militante marxisten van Lotta Continua en PO die de ‘directe actie’ propageerden, gingen opgezweept door het revolutionaire vuur door het lint en namen de gewapende strijd die Lenin en zijn Bolsjewieken in 1917 hadden gepredikt nogal letterlijk. Dat hadden immers ook Duitse en Italiaanse communisten na de Eerste Wereldoorlog gedaan, maar de context van malaise en extreme armoede in die jaren was nauwelijks te vergelijken met de economische crisis van de jaren zeventig. Dat lieten ze even buiten beschouwing. De PCI was in hun ogen reformistisch, behoorde tot het partijestablishment en vertegenwoordigde het proletariaat niet meer. Ze grepen naar vuurwapens en begonnen een ware stadsguerilla. De Brigate Rosse en Prima Linea waren de meest geduchte groepen. Aanvankelijk concentreerden ze zich op vernieling van wagens van bedrijfsleiders, daarna begonnen ze hen op te sluiten of zelfs te kidnappen of schoten hen als vergelding in de knieën. Maar naarmate het extreem-rechtse geweld toenam en ze ook in eigen rangen kameraden onder de kogels van extreem-rechts en de politie zagen vallen, gingen ze ook schieten om te doden en viseerden ze staatsinstellingen, het ‘klassengerecht’ en bevelhebbers bij de politie. Door bankovervallen en aanvallen op wapenwinkels voorzagen ze zich van wapens en financiële middelen.

Renato Curzio en Barbara Balzerani, die deelnam aan de kidnapping van Aldo Moro

De Rode Brigades (Brigate Rosse)

De Rode Brigades werden in 1970 opgericht door Renato Curcio en Margherita Cagol, twee studenten aan de universiteit van Trente. Ze recruteerden hun leden zowel onder arbeiders, bedienden als studenten. Ze  organiseerden zich volgens een marxistisch-leninistische doctrine die met kidnappingen, bomaanslagen en gerichte ‘terechtstellingen’ tegen politie-inspecteurs, hoge magistraten en ondernemers als een soort revolutionaire voorhoede de staat wilden ontwrichten in de veronderstelling dat het proletariaat hen daarin zou volgen. Ze zochten inspiratie bij Zuid-Amerikaanse stadsguerillabewegingen als de Tupamaros in Uruguay en in het gewapende verzet van de Partigiani tijdens de oorlog. Vooral enkele praktische vademecums van de Tupamaros gepubliceerd door de linkse uitgever Giangiacomo Feltrinelli lazen als een praktische handleiding voor terroristische activiteiten.  Dit mondde uiteindelijk uit in oorlog  met de staat, die ze onmogelijk konden winnen. Linkse terroristische groeperingen waren ook actief in Duitsland (Rote Armee Fraktion), Frankrijk (Action Directe) en zelfs België (Cellules Communistes Combattantes), maar geen enkele had de reikwijdte en de omvang van de Rode Brigades in Italië. In totaal werden meer dan 1300 personen door justitie als lid van de Rode Brigades veroordeeld.

14 jaar actief : 1970 - 1984

De strijd tegen de Rode Brigades boekte een eerste overwinning toen een generaal van de Carabinieri, Carlo Alberto Dalla Chiesa er in 1974 in slaagde Renato Curcio op te pakken. Maar de geweldspiraal bleef tot in de jaren tachtig aanhouden, ook na de moord op Aldo Moro in 1978.  Dalla Chiesa slaagde er ook in gedesillusioneerde terroristen aan het praten te krijgen door hen als pentiti mildere straffen voor te spiegelen, zodat een aantal cellen van de Brigades konden worden opgerold. In enkele processen in 1983 kregen 32 Brigadisten levenslang, waaronder de leider Mario Moretti, hoewel voor veel van de moorden bewijsmateriaal ontbrak. Maar intussen bleven de overgebleven brigadisten actief. In 1984 verklaarden de voormalige leiders Renato Curzio en Mario Moretti de gewapende strijd zinloos en in 1988 ontbonden de brigades zich na massale arrestaties, hoewel er in de de jaren negentig enkele lone wolves in de naam van de BR nog enkele moordaanslagen pleegden, waarvoor ze levenslang kregen. In totaal maakten hun aanslagen een tachtigtal dodelijke slachtoffers, inclusief de slachtoffers van de collateral damage zoals politieagenten bij antiterreuracties.

 

Wat dreef de brigadisten om zo driest tewerk te gaan en de oorlog te verklaren aan ondernemers, magistraten, politie en extreem-rechts? Er zijn verschillende analyses gemaakt van het fenomeen, o.a. door de socioloog Alessandro Orsini in zijn ‘Anatomy of the Red Brigades’, die de Rode Brigades als model opvoert van hoe een terroristische organisatie zich ontwikkelt. Hij beschrijft hoe individuen uit de marge die ideologisch radicaliseren, worden opgenomen in een soort sekte en zich volledig losmaken van de maatschappij, een ontmenselijkt vijandbeeld ontwikkelen en geloven dat het doel - de revolutie - de middelen rechtvaardigt, en dat  moorden tot die middelen behoort. Heel wat historici vinden dat Orsini de historische en maatschappelijke context volledig negeert en het fenomeen moet worden verklaard tegen de achtergrond van de vrees voor een autoritaire machtsgreep, de dominante rol die de DC al decennia lang in de Italiaanse politiek speelde en de weinig strijdbare houding van de PCI, die uit was op samen regeren met de DC. Sommige historici als Phil Edwards in ‘More Work! Less Pay!: Rebellion and Repression in Italy, 1972–77’ verweten Orsini rechtse vooringenomenheid. 

 

Het verschil tussen links en rechts terrorisme

Orsini scheert rechts, links en jihadistisch terrorisme over één kam. Maar je hoeft geen socioloog of polititoloog te zijn om vast te stellen dat rechts en jihadistisch terrorisme blind tekeer gaat en niet terugschrikt voor aanslagen waarbij onschuldige slachtoffers vallen, terwijl links terrorisme duidelijk gericht vertegenwoordigers van het kapitalisme, het klassengerecht, het repressieapparaat of het politieke establishment viseert. De bomaanslagen  op de Piazza Fontana in Rome (1969, 17 doden, tientallen gewonden), de Piazza della Loggia in Brescia (1974, 8 doden, meer dan honderd gewonden), de nachttrein de Italicus Express (1974, 12 doden, 50 gewonden) en de aanslag op het station in Bologna (1980, 85 doden, meer dan 200 gewonden) worden alle toegeschreven aan extreem-rechtse groepen als Ordine Nuovo, Ordine Nero en Nuclei Armati Rivoluzionari (NAR). 

De liquidatie van compromisfiguur Aldo Moro

Het trieste dieptepunt van het linkse, gerichte terrorisme was de ontvoering van Aldo Moro op 16 maart 1978, waarbij drie politieagenten en twee carabinieri met een machinegeweer werden doorzeefd. 55 dagen later, op 9 mei, werd het lijk van Aldo Moro in de kofferbak van een Renault 4 teruggevonden. Uit de persberichten die de Rode Brigades achterlieten, blijkt hoe ze hun terreur als een onvermijdelijke eerste fase in de revolutionaire klassenstrijd zagen. Het toont hoezeer ze in hun tunnelvisie alle voeling met de werkelijkheid verloren hadden. 

De dag van de ontvoering, 16 maart 1978 was niet willekeurig gekozen. De morgen van zijn ontvoering begaf Moro zich naar het parlement waar gestemd zou worden over gedoogsteun van de communistische PCI aan de nieuwe regering van de Democrazia Cristiana onder leiding van Giulio Andreotti. De PCI was sinds 1968 nauwelijks betrokken geweest in de straatprotesten en de wilde stakingen. De Rode Brigades eisten de vrijlating van de Brigadeleden in ruil voor Aldo Moro, de erkenning als een politieke organisatie in plaats van een terroristenbeweging en van de PCI eisten ze specifiek dat de partij de gewapende strijd van de Rode Brigades niet zou veroordelen.   De PCI weigerde categoriek op de eisen in te gaan. De Democrazia Cristiana, die Moro moest opofferen, maar niet wilde onderdoen voor de PCI, weigerde uiteindelijk ook elk overleg. Alleen de socialisten van Craxi pleitten voor onderhandelingen met de Brigades. Het gevolg was dat 55 dagen na de ontvoering het lijk van Moro werd teruggevonden in de kofferbak van een R4 in het centrum van Rome. De dood van Moro deed zelfs in de radicaal linkse beweging elke sympathie voor de Rode Brigades verdampen. De regering Andreotti viel in 1979 en het historisch compromis met de PCI werd begraven. 

Het orgelpunt van de Anni di Piombo was niet van linkse maar van rechtse makelij. Op 2 augustus 1980 doodde een tijdbom in de wachtzaal van het station van Bologna 85 onschuldige slachtoffers en maakte 200 gewonden. Leden  van de extreemrechtse Nuclei Armati Rivoluzionari (NAR) en Terza Posizione werden als de daders veroordeeld.  

De autonomen

Naast de Rode Brigades en andere marxistische splintergroepen ontstond vanuit een heel andere invalshoek in de buitenparlementaire linkse beweging in de eerste helft van de jaren zeventig nog een ander fenomeen, namelijk de autonome beweging, de Autonomia Operaia. 

 Diep teleurgesteld in de PCI en de vakbonden maakte deze beweging van autonomen met de hulp van een net van vrije radio’s opgang in steden als Rome, Bologna, Milaan en Padua. Er ontstonden ludieke groepen zoals de Indiani Metropolitani in Rome die lak hadden aan het marxistisch militantisme van het begin van de jaren zeventig. De autonomen trokken werklozen, marginalen en werkenden aan die gemeen hadden dat ze zich aan de rand van de samenleving bevonden. Ze gingen op zoek naar zogenaamde ‘bevrijde sociale ruimtes’, zoals universiteitsgebouwen onder een bezetting, leegstaande panden enz. 

Tegen de 'reformisten' van de PCI en de vakbond

De autonomen baalden van de traditionele politiek en pleitten voor directe controle van de werkplek. Directe actie zoals fabrieks- en campusbezettingen en confrontaties met de politie moesten die autonome ruimtes en werkplekken veroveren, waar autonoom zelfbestuur en zelforganisatie werden ingevoerd. Bezettingen van leegstaande gebouwen waren plaatsen waar die antiautoritaire en anarchistische zelforganisatie kon worden toegepast. De krakersbewegingen in Amsterdam, Berlijn en andere Europese steden in de jaren tachtig  waren eigenlijk de erfgenamen van die autonome beweging. 

De Italiaanse autonomen hadden het in het bijzonder gemunt op de ‘reformisten’ van de PCI en hun vakbond CGIL. Toen de communistische vakbondsleider Luciano Lama kwam speechen aan de Romeinse La Sapienza-universiteit  kwam het zelfs tot een gewelddadige botsing tussen de autonome studenten en de ordemacht van de vakbondsleider.

Antonio Negri, de ideoloog

Figuren van de autonomistenbeweging  als  Oreste Scalzone, Franco Piperno en hun ideoloog, de hoogleraar filosofie van de universiteit van Padua, Antonio Negri, liepen alle zware gevangenisstraffen op voor het aanzetten tot geweld. Negri bepleitte autonome initiatieven voor de strijd van de arbeiders als autonome bewegingen, los van de instituten als vakbonden en partijen en basisdemocratie in plaats van parlementaire democratie. Hij werd in 1979 opgepakt op beschuldiging van actieve medewerking met de rode brigades bij de ontvoering en terechtstelling van Aldo Moro. Hij zat vier jaar in voorhechtenis in een Romeinse gevangenis, liet zich verkiezen tot parlementslid bij de Partito Radicale en kon zo immuniteit tegen verdere vervolging verwerven, die echter kort daarna door een nieuwe parlementaire wet werd tenietgedaan. Er kwamen nieuwe aanklachten, omdat er geen bewijs was voor zijn medewerking bij de ontvoering van Moro en hij ging in 1983 in vrijwillige ballingschap naar Frankrijk, waar hij de steun genoot van de postmoderne filosofen Gilles Deleuze en Felix Guattari. Frankrijk weigerde hem uit te leveren aan Italië. Toen hij in 1997 het dan toch waagde om terug te keren, werd hij opnieuw opgepakt en gevangen gezet, omdat hij bij afwezigheid schuldig was bevonden.  Samen met Michael Hardt schreef hij in de gevangenis de wereldwijde bestseller Empire die in 2000 uitkwam, volgens de marxistische filosoof Zizek een ‘communistisch manifest’ in tijden van globalisering.  Empire staat voor een gedecentraliseerd mondiaal machtsnetwerk in een geglobaliseerde wereld van staten, multinationale bedrijven, internationale organisaties en financiële instellingen, waartegen verzet alleen mogelijk is door een veelheid van verschillende groepen zoals kenniswerkers, migranten, arbeiders en kansarmen georganiseerd in netwerkdemocratie.

Besluit: romantische politiek is gevaarlijk

De studentenbeweging van 68 en haar uitlopers in de buitenparlementaire oppositie en haar revolutionaire overmoed had haar wortels in een hunkering naar een alomvattende bevrijding, maar zo stelt Rüdiger Safranski  in Romantik, eine Deutsche Affäre: "De studentenbeweging heeft imaginair de hele wereld voor het tribunaal van haar kritiek gedaagd, ze heeft zichzelf als revolutionair subject misverstaan en zich soms in het gewaad van de oude arbeidersbeweging gehuld. Om maar te zwijgen van de dwaallichten die naar de wapens grepen...Het romantische hoort bij een levende cultuur, maar romantische politiek is gevaarlijk. "

Antonio Negri, ideoloog van de Autonomistenbeweging

1980-1994: De pentapartito, Craxi en de steekpenningenschandalen

Met de moord op Aldo Moro, een brugfiguur tussen de christendemocratie en de communistische oppositie, was de kans op een historisch compromis voorgoed van de baan. Twee jaar later dreef extreemrechts de spanning naar zijn hoogtepunt met de bomaanslag in het station van Bologna, waarbij 85 doden vielen.

Propagande Due, een duistere macht achter de schermen

Toeval of niet, een jaar later werd een clandestiene loge ontdekt, die een netwerk had met tentakels in de politiek, het leger, de geheime diensten, de captains of industry en de banken en al jaren actief was. Haar naam was Propaganda Due (P2), haar leider Licio Gelli. In 1981 werd bij een huiszoeking bij Gelli thuis de ledenlijst ontdekt. Het opzet van P2 was een parallelle machtsstructuur uit te bouwen die anticommunistisch was en die de democratie herstructureerde naar een meer autoritaire regeringsvorm. Er waren aantoonbare banden tussen P2-leden in de geheime diensten en extreem-rechts, wat het vermoeden versterkte dat P2 de hand had in de strategie van de spanning die angst en instabiliteit creëerde. Ook waren er aanwijzingen dat het netwerk betrokken was bij het camoufleren van extreemrechtse netwerken en het beïnvloeden van de onderzoeken naar aanslagen gepleegd door extreemrechts. P2 had ten slotte ook banden met Operation Gladio, een clandestiene stay-behind organisatie van de Nato opgezet met de medewerking van christendemocratische toplui als Francesco Cossiga en Giulio Andreotti tijdens de Koude Oorlog om mogelijk Sovjet-activiteiten in West-Europa te traceren en  uit te schakelen.  Dit voedde het gevoel bij de Italiaanse burgers dat ze in een dubbele staat leefden, een democratie die gemanipuleerd werd door een clandestiene machtselite.

Licio Gelli, leider van de loge P2

Pentapartito-regeringen: stabiliteit zoek

Dat er in de jaren tachtig alleen al 11 regeringen waren, droeg niet bepaald bij tot de stabiliteit van de democratie. Meestal ging het om ‘pentapartito’-kabinetten, regeringen met vijf partijen. Een historisch compromis met de communisten was dan wel uitgesloten, maar de mogelijkheid bestond nog steeds dat meer gematigde linkse partijen en centrumpartijen met de communisten een regering zouden vormen zonder de christendemocraten.

Andreotti en Forlani  (DC)gooien het op een akkoordje met Craxi (PSI)

De DC-toplui van dat ogenblik, Forlani en Andreotti gooiden het daarom in 1981 op een akkoordje met Bettino Craxi, de sterke man van de socialistische PSI, in het zogenaamde C(raxi)A(ndreotti)F(orlani)-akkoord voor de vorming van pentapartito-kabinetten. De dominante partij bleef de Democrazia Cristiana, die acht keer de premier leverde, maar als tegenprestatie kregen nu ook de andere partijen de kans om het premierschap op te eisen. De andere partijen, dat waren de republikeinen, de socialisten, de liberalen en de sociaaldemocraten. De republikein Giovanni Spadolini en de socialist Bettino Craxi zouden de eerste niet-christendemocratische premiers worden.  

Het schandaal rond de P2 deed de regering Forlani vallen in 1981, omdat regeringsleden lid bleken te zijn van het P2-netwerk en toen verscheen de eerste niet-christendemocratische premier op het toneel sinds de aanvang van de Republiek in 1948: Giovanni Spadolini, een republikein die het vertrouwen moest herstellen na de P2-affaire, maar na coalitieconflicten met de socialisten viel de regering al in 1982.

Craxi

Daarna brak een relatief stabiele periode aan onder het premierschap van Bettino Craxi die twee regeringen leidde tot in 1987. Het was de langste legislatuur sinds het ontstaan van de Republiek. Craxi was een erg pragmatische socialist, die sterk leiderschap uitbouwde en veel persoonlijke invloed gebruikte, ook achter de schermen, toen hij geen premier meer was. Zijn sociale hervormingen waren naar socialistische maatstaven beperkt. Hij zette in op modernisering en schuwde marktgerichte maatregelen niet. Craxi probeerde de hoge inflatie af te remmen door overleg met de centrale bank die hogere rentes op kredieten invoerde. Hij streefde ook naar kleinere begrotingstekorten door bezuinigingen op sociale programma’s en loonstijgingen, maar botste daardoor met de vakbonden. De economische groei steeg van 2% in 1983 naar 3,2% in 1987 en de inflatie daalde in die periode van 12,2 naar 5%, maar de staatsschuld nam snel toe. In zijn buitenlands beleid vaarde hij een koers weg van de VS en naar grotere Europese integratie.

Na Craxi volgden weer jaar na jaar nieuwe regeringen geleid door de christendemocraten Fanfani, Goria, De Mita en Andreotti, die eveneens regeerden met de socialisten, want Craxi wist zijn kleinere PSI zo te positioneren, dat ze in elke coalitie onmisbaar werd, maar meer dan 15% scoorde ze nooit, omdat de meeste linkse kiezers de communistische PCI trouw bleven. 

 

Bettino Craxi

Tangentopoli, het rijk van de DC en de PSI is uit

Begin 1992, tijdens de tweede regering Andreotti,  barstte de bom (ditmaal figuurlijk). In Milaan werd de socialist Mario Chiesa gearresteerd wegens het aannemen van steekpenningen en dat leidde tot een kettingreactie van onthullingen over het inzetten van tangenti (steekpenningen) bij het toewijzen van overheidsopdrachten voor ziekenhuizen, wegen, metrolijnen of publieke gebouwen. Meestal liep het bedrag van de steekpenningen op tot 5 à 10% van het contract voor de opdracht. Geen enkele regeringspartij bleek vrijuit te gaan. Daarnaast bleken partijen systematisch smeergeld te ontvangen voor verkiezingscampagnes. Het omkopen van politici door bedrijven, de corruptie, het cliëntelisme bleek zo wijdverbreid dat ongeveer een derde van het parlement in verdenking werd gesteld.

Openbaar aanklager Di Pietro

Onder leiding van openbaar aanklager Antonio Di Pietro werden honderden gerechtelijke onderzoeken gestart naar corruptie, steekpenningen- en smeergeldaffaires, die de naam Mani Pulite (propere handen) kregen. Di Pietro maakte dankbaar gebruik van de pers om uit zijn onderzoeken het ene schandaal na het andere te laten lekken. Overal stroomden verontwaardigde menigten naar de piazza’s. Honderden processen van Tangentopoli of steekpenningenschandalen volgden elkaar op tegen ongeveer 3000 politici en zakenlui met als apotheose de veroordeling van premier Bettino Craxi tot 8 1/2 jaar gevangenisstraf. Bij verstek welteverstaan, want toen hij moest voorkomen in Milaan in 1994 bevond hij zich al in vrijwillige ballingschap in Tunesië en weigerde hij om gezondheidsredenen naar Milaan te komen.

 

Onderzoeksrechter Antoni di Pietro, voorman van de Mani Pulite

De Tangentopoli beheersten van 1992 tot 1994 de krantenkoppen en de nieuwsjournaals, waardoor zowel de Democrazia Cristiana als de Partito Socialista  implodeerden. De DC, die de Italiaanse politiek sinds de oorlog had gedomineerd en in staatsbedrijven en bureaucratie de touwtjes in handen had, werd verantwoordelijk gehouden voor de decennialange corruptie. Ze was jarenlang een dam tegen het communisme van de Partito Communista, maar met de val van de Berlijnse muur in 1989 en het uiteenvallen van de Sovjet Unie, had de PCI zich omgevormd tot een partij die zich niet langer communistisch noemde (Partito Democratico di Sinistra) en was de DC als ideologische dam niet meer nodig. Ze viel uiteen in drie partijen, de sociale linkervleugel vormde de PPI, de conservatieven de CCD en centrumrechts werd de CDU. Maar electoraal kwamen ze er bij de parlementsverkiezingen van 1994 niet meer aan te pas. Er was een alternatief waar de centrumrechtse DC-kiezer massaal naartoe migreerde: de Forza Italia van Silvio Berlusconi. Bij de PSI was de schade mogelijk nog groter omdat Craxi het gezicht was van de partij en persoonlijk veroordeeld was in de corruptieschandalen. Haar kiezers vluchtten naar de nieuwe linkse alliantie, de Alleanza dei Progressisti of naar Forza Italia.

De invloed van de Tangentopoli was zo vernietigend dat hij volgens politologen en journalisten het einde van de Eerste Republiek inluidde (1948-1992), gedomineerd door de DC, de uitsluiting van de PCI en instabiele coalitieregeringen. Constitutioneel veranderde er weinig en ook aan de parlementaire democratie en de staatsvorm werd niet getornd. De Tweede Republiek zonder de DC kende wel een nieuw kiesstelsel en de polarisatie in een centrumrechts en centrumlinks blok, waarin links voor het eerst ook aan regeren kon denken. 

Italië wil in de eurozone: de technocratische regering Ciampi  1993

Ondanks zijn slechte economische boordtabel wilde Italië kost wat kost lid worden van de Eurozone. Op 7 februari 1992 tekende de toenmalige christendemocratische premier Andreotti het Verdrag van Maastricht dat strenge voorwaarden tot toetreding oplegde: de overheidsschuld mocht niet meer dan 60% van het bnp bedragen, de jaarlijkse overheidsbegroting mocht niet boven de 3% van het bnp uitkomen en de inflatie mocht niet hoger liggen dan 1,5% boven het gemiddelde van de drie eurolanden met het laagste inflatiecijfer. Maar in Italië was de overheidsschuld in de jaren tachtig onder de pentopartito gestegen van 60 naar 100% van het bnp en in 1992 was er een inflatie van 7% en een begrotingstekort van meer dan 9%. Er was dus werk aan de winkel en er moest bezuinigd worden. Maar omdat politieke partijen niet staan te springen om onpopulaire besparingen aan te kondigen en de tangentopoli de geloofwaardigheid van de traditionele partijen als de DC en de PSI die in het vorige decennium hadden geregeerd zwaar hadden aangetast stelde president Scalfaro voor het eerst een technocraat als premier aan, ook al omdat de voor de hand liggende kandidaat premier, Giuglio Andreotti werd verdacht van banden met de maffia.  De voormalige Centrale Bankier Carlo Azeglio Ciampi moest  een regering van nationale eenheid op de been brengen die de pijnlijke maatregelen moest treffen die Italië in de eurozone zouden loodsen. Voor het eerst bevatte die ook 3 ministers van de PDS, de opvolger van de communistische partij en een groene minister. Maar al na 3 dagen stapten de linkse ministers op omdat ze er niet in slaagden het proces tegen Bettino Craxi in gang te zetten. Ciampi regeerde dertien maanden en moest ook de verkiezingen van 1994 voorbereiden.

 

Silvio Berlusconi, van mediatycoon tot populist 

 

Over het fenomeen Berlusconi zijn al boeken vol geschreven maar er is één rode draad doorheen zijn zakelijke en politieke leven: aan wetgeving en regels stoorde hij zich nauwelijks en het vrije ondernemerschap en de lage belastingen die hij vurig verdedigde  interpreteerde hij bijzonder ruim in zijn eigen bedrijven, zelfs toen hij al premier was.

Van illegaal netwerk van lokale TV-zenders naar media-imperium

Voor hij in de politiek stapte liet hij in de jaren tachtig zijn commerciële netwerk van lokale televisies al nationaal uitzenden, waardoor hij zijn TV-reclamespots aan grote adverteerders nationale dekking kon garanderen. Er was echter één detail, dat hem dwars zat. Hij beschikte wel over vergunningen om regionaal uit te zenden, maar niet over een  landelijke zendvergunning, waardoor zijn hele business illegaal was. Alleen de publieke omroep RAI mocht nationaal uitzenden en deed dat aanvankelijk in de jaren zeventig over twee kanalen Rai 1, een door de christendemocraten gecontroleerde conservatieve zender en RAI 2 waarin de toenmalige socialistische PSI een progressievere koers vaarde. Vanaf 1979 kwam daar RAI 3 bij, een zender die aanleunde bij de grote communistische oppositiepartij, de PCI. Na enkele waarschuwingen haalde de mediawaakhond enkele van Berlusconi's regionale zenders uit de ether. Maar daar wist hij al vlug een mouw aan te passen door zijn vriendschapsbanden met  de eveneens Milanese socialistische premier Bettino Craxi in te schakelen. Diens regering van christendemocraten, liberalen, sociaaldemocraten, republikeinen en socialisten vaardigde in 1984 een decreet uit dat de RAI haar monopolie op nationale uitzendingen ontnam. Met zijn lichtvoetige tv-shows vol 'ravissante' vrouwen in glitterjurken en opzichtige cleavages, met zijn soaps, Amerikaanse series en spelprogramma’s overspoelde hij de Italiaanse huiskamers en haalde hij torenhoge kijkcijfers, wat de RAI ertoe aanzette dezelfde toer op te gaan. Met zijn reclamebedrijf Publitalia wist hij massaal reclamebudgetten voor TV-spots van de grote adverteerders binnen te halen. Op nauwelijks een decennium werd Berlusconi één van de grootste mediatycoons in Europa en dat media-imperium zou hij in de jaren negentig handig inzetten voor zijn al even stormachtige politieke carrière. 

Zijn mediabedrijf Mediaset (nu MediaForEurope) omvat in Italië de commerciële zenders Canale 5, Italia 1 en Rete 4, verschillende TV-themakanalen, radiozenders, reclamebedrijf Publitalia, filmproductie- en distributiebedrijf Medusa en in Spanje de commerciële zenders Telecinco en Cuatro en verschillende themakanalen. In Duitsland heeft het Berlusconi-concern vandaag een meerderheidsbelang in ProSiebenSat1, de grootste commerciële TV-groep van het land en in Portugal is hij minderheidsaandeelhouder in het mediabedrijf Impresa SGPS dat verschillende commerciële zenders heeft.De familie Berlusconi controleert vandaag MediaForEurope via de holding Fininvest.

Van zijn zakenimperium maakte ook de voetbalploeg AC-Milan deel uit, die hij in 2017 verkocht. Daarnaast controleert Fininvest de grootste Italiaanse boeken- en tijdschriftenuitgeverij Mondadori naast de bank Mediolanum ( 30%-participatie), waarvan hij het belang na zijn veroordeling moest terugbrengen tot 10%. Forbes schatte Berlusconi's fortuin op het eind van zijn leven op 6,8 miljard dollar. 

Mani Pulite, een aardverschuiving in het politieke landschap

Eind 1993 stichtte Berlusconi de nieuwe politieke beweging Forza Italia, die probeerde de leegte op te vullen die de Democrazia Cristiana (DC) en de Partito Socialista Italiana (PSI)hadden achtergelaten nadat ze de tol moesten betalen voor hun ongebreideld cliëntelisme, voor de corruptie, de steekpenningen- en smeergeldaffaires die tijdens de gerechtelijke Mani Pulite-onderzoeken onder leiding van openbaar aanklager Antonio Di Pietro  aan het licht waren gekomen in 1992 en 1993.

Berlusconi, ritselaar wordt populist

 

 Berlusconi snijdt links de pas af met anti-politiek discours

De communisten van de PCI, inmiddels na de val van de Berlijnse muur herdoopt tot de Partito Democratico di Sinistra waren relatief ongeschonden uit de gerechtelijke onderzoeken van Di Pietro gekomen en leken op weg om voor het eerst de verkiezingen te zullen winnen, nu de anti-communistische  pentapartito van Republikeinen, Christendemocraten, Socialisten, Liberalen en Sociaaldemocraten op sterven na dood was. De DC was immers uiteengevallen in een linkse (PPI onder leiding van Romano Prodi, de goede vriend van Jean-Luc Dehaene) en een rechtse formatie (UDC). Craxi zelf kon nog voor zijn veroordeling tot vele jaren cel naar zijn villa in Tunesië vluchten waar hij de bescherming genoot van dictator Ben Ali. De overgebleven politici van de zwaar getroffen PSI die buiten schot waren gebleven, zochten andere partijen op.

Nieuwe kieswet

Intussen hadden de Italianen zich in een referendum uitgesproken voor een nieuwe kieswet, omdat ze de instabiliteit onder de talloze regeringen beu waren. Sinds de tweede wereldoorlog had Italië meer dan 50 regeringen gehad met een gemiddelde regeerperiode van minder dan een jaar.  Het proportioneel kiesstelsel werd vervangen door een meerderheidsstelsel volgens het principe 'first past the post' waarin elk kiesdistrict slechts één afgevaardigde naar het parlement kon sturen, de winnaar. Dit meerderheidsstelsel leverde 75% van de parlementairen, terwijl nog eens 25% op basis van proportionaliteit werden verkozen. Daarnaast  werd er een kiesdrempel ingevoerd van 4%, zodat te kleine partijen automatisch werden uitgesloten voor deelname aan de macht. 

Berlusconi, handige strateeg smeedt alliantie

Berlusconi’s stap naar de politiek zou zijn ingegeven door de vrees dat een linkse regering hem zijn feitelijk monopolie op commerciële televisie zou ontnemen en doordat een reeks onderzoeken dreigde naar belastingfraude en corruptie. In de machtscenakels van dat ogenblik had hij zijn weg al gevonden. Hij was lid geweest van de  clandestiene P2-loge en was zeer goed bevriend met die andere Milanees, Bettino Craxi, die hem een handje toestak bij de uitbouw van zijn mediaimperium. 

Bij de oprichting van zijn Forza Italia speelde Berlusconi de afkeer van partijpolitiek handig uit. Hij liet overal in Italië FI-clubs oprichten van lokale ondernemers en zelfstandige beroepen en zette daarvoor zijn publiciteitsbedrijf Publitalia in, dat werd geleid door Marcello dell’Utri, die een jaar later de cel in vloog door zijn banden met de maffia. Forza Italia was dus aanvankelijk geen partij, maar een netwerk van clubs met aan de top Berlusconi zelf.  Na zijn zege werden er zelfs een vijftigtal Publitalia-managers naar het parlement gestuurd. De beweging was anti-communistisch, tegen de zogenaamde beroepspolitici en tegen de inefficiënte bureaucratie maar voor de vrije onderneming en lage belastingen.

Berlusconi maakte dankbaar gebruik van het nieuwe meerderheid-kiesstelsel. Hij zag in dat hij alleen met zijn Forza Italia moeilijk voldoende districten kon binnenhalen om te winnen, maar met een verenigd rechtse coalitie wel. In regio’s als Lombardije en Veneto sloot hij een akkoord met de regionalisten van Lega Nord, die werden geleid door de flamboyante Umberto Bossi en in het zuiden met de Alleanza Nazionale, de post-fascistische partij van Gianfranco Fini die de opvolger was van de postfascistische MSI, twee partijen die ook profiteerden van de teloorgang van de DC.

Umberto Bossi (Lega Nord), Silvio Berlusconi (Forza Italia) en Gianfranco Fini (Alleanza Nazionale)

Linkse verdeeldheid speelt rechts in de kaart

Voortaan zouden telkens een links en een rechts blok tegenover elkaar staan en wie erin slaagde met een alliantie de verkiezingen in te gaan had meteen een flinke voorsprong. Berlusconi slaagde daar verschillende keren in aan de rechterzijde. Bij het linkse blok lukte dat veel minder vaak. Links heeft in Italië een bijzonder taaie gewoonte om zijn meningsverschillen tussen partijen en tussen fracties binnen dezelfde partij in de openbaarheid te gooien en er een breekpunt van te maken, wat electorale akkoorden aartsmoeilijk maakte. Ook de recente geschiedenis staat er bol van. Daarom ook won de coalitie van Berlusconi de verkiezingen in 1994. Het politieke landschap zag er ineens heel anders uit. 

Berlusconi en Bossi verkondigden dat het tijdperk van de corrupte partijen voorbij was, maar na nauwelijks 7 maanden regeren trok Bossi de stekker uit de regering omdat Berlusconi zelf in opspraak kwam in Mani Pulite-onderzoeken.

Drie regeringen-Berlusconi en twintigtal rechtszaken verder

Pas in 2001 slaagde Il Cavaliere er in om opnieuw premier te worden, maar hij houdt het ditmaal wel 5 jaar lang vol met de langstzittende regering sinds de oorlog. Daarna volgt in 2005 een korte regering Berlusconi III en in 2008 een regering Berlusconi IV. Die regering blijft ad hoc wetgeving uitvinden om zijn media-imperium te beschermen en hem uit de wind te zetten in de vele lopende rechtszaken. Ongeveer twintig rechtszaken voor corruptie, omkoping, belastingontduiking, illegale partijfinanciering en zelfs seks met minderjarigen hangen hem boven het hoofd.  De onthullingen over decadente bunga bunga seksfeesten met (minderjarige) prostituees in zijn Sardische villa hielden wekenlang Italië in hun greep. Maar op zijn commerciële TV-stations Canale 5 en Retequattro stuurde hij dagelijks zijn neoliberale en conservatieve politieke boodschappen uit, gelardeerd met grappen en fake news en dat miste zijn uitwerking niet. De Italianen vergaven hem veel.

Staatsschuld dreigt Italië te doen kapseizen

Veel reden voor guitigheid in zijn TV-optredens was er nochtans niet. Economisch was het eerste decennium van het nieuwe millenium voor Italië een beproeving. De groei lag steevast rond of onder 1% en het land verzeilde in een recessie bij het begin van de financiële crisis in 2008. In 2009 was er een negatieve groei van -5%. Het Europees groeigemiddelde lag steevast hoger. Ook op het vlak van tewerkstelling scoorde Italië minder goed dan het EU-gemiddelde. Maar ronduit rampzalig was de staatsschuld, die steeg van 100% van het bruto binnenlands product in 2000 tot 120% van het bbp in 2011, terwijl het EU-gemiddelde dat jaar rond 87% schommelde.  

 

Opgebouwde staatsschuld en financiële crisis doen Berlusconi de das om

Wanneer Berlusconi's regering dan toch valt in 2011, is dat niet door de vele schandalen van haar leider, maar door zijn weigering om zich in de financiële crisis aan een afgesproken begrotingstekort met Europa te houden. Populisten als Berlusconi nemen het immers niet nauw met begrotingsdiscipline. De staatsschuld steeg onder de laatste regering-Berlusconi van 105% naar 120% in 2011 en de begrotingstekorten piekten op -5,1% in 2009 en -4,2% in 2010. Dat was grotendeels te wijten aan de recessie (negatieve economische groei) als gevolg van de financiële crisis van 2008-2009, waardoor de belastinginkomsten tegenvielen. 

De financiële markten verloren hun vertrouwen in de kredietwaardigheid van het land, verkochten massaal Italiaans schuldpapier en de rente op tienjarige staatsobligaties steeg boven de alarmdrempel van 7%. Met een staatsschuld van meer dan 120% van zijn BBP, gingen ook binnen Berlusconi's coalitie de alarmbellen af.  Italië dreigde zijn schuld niet langer te kunnen financieren en stevende op het faillissement af. Berlusconi verloor een vertrouwensstemming in het parlement  en diende zijn ontslag in.  Ook voor Europa was het vijf over twaalf.  Italië was too big to fail en dreigde de hele eurozone midscheeps te treffen. Om de euro te redden plaatste de EU Italië op verscherpt toezicht en dwong het land te bezuinigen. Om de rente op Italiaanse staatsobligaties te doen zakken, kocht de Europese Centrale Bank op de secundaire markt op grote schaal Italiaanse staatsobligaties, zodat ze weer in waarde gingen stijgen. Uiteindelijk wist  ECB-voorzitter Mario Draghi in 2012 de financiële markten tot rust door te dreigen met Outright Monetary Transactions, een potentieel vangnet dat beleggers ervan weerhield om hun Italiaanse staatsobligaties te dumpen. Voortaan legde Europa aan Italië een strakke begrotingsdiscipline op en controleerde de effectiviteit van zijn hervormingen en bezuinigingen, waardoor de druk van interne lobby's als vakbonden en de patroonsorganisatie Confindustria sterk verminderde en populistische verkiezingsbeloftes minder kans maakten.

 

Berlusconi veroordeeld

Nadat eerst een technocratische regering en daarna een linkse regering weer de touwtjes in handen kreeg, was Berlusconi's rol uitgespeeld. In 2013 werd Il Cavaliere na 19 jaar parlementslid te zijn geweest veroordeeld tot vier jaar gevangenis voor belastingfraude, maar daar moest hij maar 1 jaar van uitzitten omdat hij 76 was en bovendien mocht hij onbetaalde gemeenschapsdienst in een rusthuis verrichten in plaats van in de cel te gaan zitten. Hij mocht 6 jaar lang geen politiek mandaat meer bekleden als gevolg van nieuwe anti-corruptiewetgeving. 

Comeback in 2018 niet helemaal geslaagd

Maar Berlusconi was niet weg te slaan uit de politieke arena. Heel wat van zijn processen waren intussen verjaard of na ellenlange juridische uitputtingsslagen nog steeds aan de gang. Op 81-jarige leeftijd en na een nieuwe facelift smeedde hij in zijn villa in Arcore een nieuwe centrumrechts verbond  voor de verkiezingen van 2018 met Georgia Meloni van Fratelli d'Italia en de extreem-rechtse populist Matteo Salvini, die zijn Lega had omgevormd van een separatistische partij voor Noord-Italië tot een anti-immigratiepartij. Premier worden mocht Berlusconi echter niet meer vanwege zijn veroordeling. Bovendien was niet zijn Forza Italia, maar de Lega de grootste partij op rechts geworden door de felle anti-immigratiecampagne van Salvini. 

Kortom, sinds de Tweede Wereldoorlog was niemand langer premier dan Silvio Berlusconi. Hij was negen jaar eerste minister in vier regeringen van 1994 tot 1995, van 2001 tot 2005, van 2005 tot 2006 en van 2008 tot 2011.

 

 

Meloni, Salvini en Berlusconi, de alliantie van centrumrechts die in 2018 naar de verkiezingen trekt

De hoop van links: eerst Prodi, dan Renzi

Prodi wint tweemaal van Berlusconi

Links wist Berlusconi tot drie keer toe uit het Palazzo Chigi te verdrijven en regeerde tussen 1996 en 2026 alles samen vijftien jaar. Dat gebeurde telkens met een alliantie van linkse en centrumlinkse partijen. Een eerste keer gebeurde dat met de Olijfboomcoalitie van Romano Prodi, die in april 1996 de verkiezingen won. De voormalige communisten van de Partito Democratico di Sinistra, de linkse christendemocraten van de Partito Popolare, de progressieve liberalen en republikeinen en de groenen sloegen de handen in elkaar en regeerden twee jaar met gedoogsteun van de Partito della Rifondazione Comunista. 

Romano Prodi, premier 1996-1998 en 2006-2008

Links regeert volle vier jaar, maar met drie premiers

De regering-Prodi kon echter niet de teugels vieren, want moest Italië klaarstomen voor toetreding tot de zone van de eenheidsmunt, de euro, en aan de Maastrichtcriteria voldoen. Het begrotingstekort moest onder de 3% uitkomen, wat forse overheidsbezuinigingen met zich meebracht en zelfs de verkoop van overheidsaandelen in staatsbedrijven als ENI, Telecom Italia en Banca Commerciale Italiana waren nodig om de rekeningen te doen kloppen. Daarnaast moest ze het dure pensioenstelsel hervormen, de pensioenleeftijd verhogen en voerde een eurotaks in. In mei 1998 besliste de EU dat Italië voldeed aan de voorwaarden voor de Economische en Monetaire Unie. Ze bezorgde Italië weer wat internationale geloofwaardigheid na de Tangentopoli-schandalen. 

Maar omdat de Rifondazione Communista haar steun introk voor de begroting van 1999 wegens te zware bezuinigingen, viel de regering in oktober 1998. Nieuwe verkiezingen kwamen er echter niet, aangezien een deel van de Rifondazione zich afsplitste en wel bereid werd gevonden om de regering te steunen. President Scalfaro stemde ermee in dat er met een nieuwe linkse meerderheid een nieuwe regering werd samengesteld onder Massimo d'Alema, de leider van de PDS en de eerste voormalige communist die premier werd in West-Europa. Hij regeerde tot 2000. Na de zware begrotingssaneringen waren de Italianen het beu om offers te brengen voor Europa. Bij de regionale verkiezingen in 2000 leed links een zware nederlaag en bood d'Alema zijn ontslag aan. Hij werd vervangen door Giuliano Amato, een gematigde overgangsfiguur die een economisch beleid voor de eurozone moest uitstippelen en die de verkiezingen van 2001 moest voorbereiden, die werden gewonnen door Berlusconi. Links wist dus een volle legislatuur te regeren, maar wel met drie regeringen onder drie premiers.

De tweede regering Prodi 2006-2008

In de 'noughties', het eerste decennium van de 21ste eeuw, regeerde centrumlinks amper 2 jaar, tussen 2006 en 2008. Romano Prodi leidde weer een coalitie, L'Unione, die nipt won van Berlusconi. De tweede regering-Prodi kon weer beginnen om het stijgende begrotingstekort binnen de perken te houden, die door de belastingverlagingen onder Berlusconi was ontstaan. Opmerkelijk toch dat centrum-links zich veel meer aan de fiscale discipline hield, die Europa oplegde dan Berlusconi, die kwistig belastingverlagingen uitdeelde voor bedrijven en de hogere inkomens. De regering Prodi trok ook de Italiaanse troepen terug uit Irak. In eigen land investeerde ze meer in het onderwijs en voerde enkele hervormingen door in de pensioenen en sociale voorzieningen, maar viel na 2 jaar nadat ze een vertrouwensstemming in de Senaat verloor en er vervroegde verkiezingen werden uitgeschreven, die Berlusconi, eens te meer, won. 

 

Premier Massimo d'Alema: 1998-2000

I

Crisis: technocratische regering is weer de oplossing

Na de val van de regering-Berlusconi in 2011, droeg president Giorgio Napolitano de voormalige Eurocommissaris en economiehoogleraar Mario Monti op om een technocratische regering van experten op de been te brengen die de door Europa geëiste besparingen zou uitvoeren. Monti sneed in de pensioenen, verhoogde de pensioenleeftijd, trok de inkomstenbelastingen en de onroerendgoedbelastingen op en versoepelde de arbeidsmarkt. De centrumpartijen steunden hem omdat dit de enige haalbare optie leek om het vertrouwen van Europa en de markten terug te winnen. Maar de bezuinigingen raakten de Italiaan diep in zijn portemonnee en Monti's populariteit daalde zienderogen.

2013: linkse premier

De Vijfsterrenbeweging, die zich profileerde als een anti-establishmentpartij, leverden felle kritiek op de regering die niet verkozen was en werd daarvoor electoraal beloond in de verkiezingen van 2013, die geen uitgesproken meerderheid opleverde. De linkse Partito Democratico werd de grootste in de Kamer, het blok rond Berlusconi in de senaat. Uiteindelijk kwam de sociaaldemocraat Enrico Letta van de Partito Democratico aan het hoofd van een regering van nationale eenheid te staan, die het nauwelijks een jaar uithield door voortdurende interne conflicten tussen het rechtse en linkse blok. 

Enrico Letta: premier in 2013

Renzi: sloper of hervormer?

Matteo Renzi, premier van 2014 tot 2016

Na het tijdperk Berlusconi, dat nu voorgoed voorbij leek, zou de linkse Partito Democratico tot in 2017 de dominante politieke partij blijven, die telkens de eersteminister leverde. Enrico Letta werd eerst premier, maar  de ambitieuze partijvoorzitter Matteo Renzi, burgemeester van Firenze en de wonderboy van links Italië vond dat het allemaal niet opschoot in die regering van nationale eenheid. Hij liet het bestuur van zijn partij de partijgenoot Letta wegstemmen en eiste in februari 2014 zelf het eersteministerschap op. Het tekende meteen zijn onstuimige bestuursstijl van ongeduldig hervormer. Met alles wat het besturen vertraagde of inefficiënt maakte wilde hij komaf maken. Tact, compromissen sluiten, geduldig overleggen was niet zijn sterkste kant. Il Rottamatore, de sloper, was zijn bijnaam. Gesterkt door de fabelachtige score van zijn partij (41%)  in de  Europese verkiezingen van 2014 was hij vastbesloten schoon schip te maken in de vastgeroeste instituten en de amechtige arbeidsmarkt van zijn land. Hij joeg eerst de syndicale vleugel van zijn eigen partij tegen zichzelf in het harnas met zijn Jobs Act waarmee hij de arbeidsmarkt flexibeler en bedrijfsvriendelijker maakte.

Daarna wilde hij nog eens de bezem halen door het inefficiënte tweekamersysteem en de senaat hervormen. Aan die hervorming verbond hij zijn lot als premier en dat bleek een blunder. Hij zou aftreden als de hervorming in een referendum werd weggestemd, zei hij. Berlusconi en rechts zagen hun kans schoon om Renzi te tackelen en voerden een massale campagne tegen het referendum. Gevolg: Renzi  verloor het referendum. Hij hield woord, trad af en zijn partijgenoot, de minzame Paolo Gentiloni, nam de fakkel eind 2016 van hem over, maar hijzelf bleef partijvoorzitter tot in 2018.

Paolo Gentilone Premier van 2016 tot 2018

Terwijl Renzi en Gentiloni vrij gedisciplineerd de Europese richtlijnen voor begroting en hervormingen volgden, was Berlusconi, die de financiële puinhoop had laten ontsporen, alweer bezig met een rechtse alliantie te vormen. Ditmaal met de Fratelli d'Italia van Georgia Meloni en de uiterst rechtse Lega van Matteo Salvini. Het was niet eerder gezien in Europa: centrum-rechts dat samen met extreem-rechts in een alliantie naar de kiezer trekt. En met weer eens de belofte van een belastingverlaging, ditmaal een vlaktaks die de Italiaanse schatkist naar schatting 27 miljard euro zou kosten. 

Renzi's ondiplomatische aanpak in zijn eigen partij had intussen een uittocht van de oude garde rond Pierluigi Bersani en Pietro Grassi op gang gebracht, die een eigen partij hadden gevormd. Die verdeeldheid woog op het slechte verkiezingsresultaat van de PD in 2018 en Renzi moest noodgedwongen aftreden als partijleider. De grote overwinnaar van de verkiezingen was de Vijfsterrenbeweging (Movimento 5 Stelle).  

De opkomst van de Movimento 5 Stelle (Vijfsterrenbeweging)

 

Heel wat Italianen hadden hun buik vol van de oude politiek: nadat de jarenlange corruptie van de Tangentopoli had huisgehouden was er de belangenvermenging en corruptie van Berlusconi. En toen moesten de Italianen de onvermijdelijke bezuinigingen van Monti en Renzi ondergaan. De Vijfsterrenbeweging, opgericht door de flamboyante Beppe Grillo en zijn 'socialmediapartner' Gianroberto Casaleggio fulmineerden tegen de traditionele politieke en beweerden een alternatief te hebben voor de beleidspartijen met hun achterkamerpolitiek. Hun vernieuwende aanpak sloeg aan bij het jonge kiespubliek.  Milieubewust, antibureaucratisch en basisdemocratisch liet ze haar programma samenstellen via directe onlinedemocratie op haar Rousseauplatform. Ze beloofde een leefloon van 780 euro, belastingvrijstellingen voor lage inkomens en besparingen op politieke instellingen.

Beppe Grillo, charismatisch boegbeeld van M5S

Populisten aan de macht: de eerste regering Conte

Om de steile opgang van M5S wat wind uit de zeilen te halen had de linkse meerderheid rond de PD met de steun van Forza Italia en de Lega een nieuwe kieswet, de Rosatellum, gestemd om te vermijden dat M5S via de oude kieswet (de Italicum) alleen kon regeren. Volgens die oude kieswet kreeg de grootste partij een forse bonus Kamerzetels en dat bleek volgens de peilingen de Vijfsterrenbeweging te zijn. Wat de traditionele partijen vreesden, kwam uit: de Vijfsterrenbeweging met hun lijsttrekker, de Napolitaan Luigi Di Maio, haalde een monsterscore van 33%. Maar de regeringsvorming zou aartsmoeilijk worden, omdat de PD niet met M5S wou regeren en M5S niet met Berlusconi wilde in zee gaan. Door de vele veto's van de ene partij tegen de andere bleef er maar een optie over: M5S zou het erop wagen met de Lega, de radicaal rechtse anti-immigratiepartij van Matteo Salvini.

De Lega had haar campagne opgebouwd rond forse anti-immigratie-ingrepen. Italië had van 2014 tot 2016 een golf van bootvluchtelingen uit Libië op zijn kusten zien landen en het ongenoegen over de aanpak zat diep bij de publieke opinie. De regering-Gentilloni had het in 2017 weliswaar op een akkoordje kunnen gooien met de Libische autoriteiten om een kustwacht uit te rusten die de vluchtelingen in de Libische wateren rechtsomkeer deed maken, maar dat was niet overtuigend genoeg voor de Italianen, die het leger vluchtelingen in hun voorsteden zagen aanzwellen.  Salvini zou 500.000 illegalen naar hun land terugsturen, pochte hij  en ging met 17% van de stemmen aan de haal. Zijn anti-Europese stemmingmakerij ging erin als zoete broodjes. Het aarzelende Europese vluchtelingen- en asielbeleid, dat maar niet op gang kwam, samen met het strenge EU-bezuinigingsbeleid op de eurocrisis vormde een vruchtbare voedingsbodem voor een brede anti-Europese stemming in het land

Aangezien de Lega de grootste partij was van de rechtse alliantie mocht zij haar kandidaat premier naar voren schuiven, wie anders dan Matteo Salvini. Berlusconi kon daar weinig tegen inbrengen en stemde in met een regering M5S-Lega. De lijm van die knotsgekke coalitie was het euroscepticisme en het voornemen om komaf te maken met de door Europa opgelegde bezuinigingen. Het stond in de sterren geschreven dat de geldverslindende verkiezingsbeloftes - een vlaktaks voor de rijken en een soort leefloon van 780 euro voor elke werkzoekende, het terugschroeven van de pensioenhervormingen, samen goed voor 100 miljard euro - de regering op ramkoers zou zetten met Europa. 

Een verkoopgolf van Italiaanse staatsobligaties op de financiële markten dwongen hen echter al van bij de regeringsvorming tot voorzichtigheid. Italië had op dat moment 2300 miljard schulden, 132 procent van zijn bruto binnenlands product, en zijn schuldpapier had een kredietwaardigheid bij de rating agentschappen Fitch en Standard & Poor's van BBB. Dat is net iets hoger dan rommelobligaties. Als die quotering verder was gezakt dan had zelfs de Europese Centrale Bank (ECB) geen Italiaanse staatsobligaties meer kunnen kopen. Op dat ogenblik had de ECB al 340 miljard euro schuldpapier gekocht en was nog eens 750 miljard in handen van Italiaanse banken en verzekeraars. De financiële markten maakten meteen duidelijk dat ze een machtsfactor van formaat geworden waren en dat populisten niet zomaar hun zin kunnen doen. De onafhankelijke rechtsprofessor Giuseppe Conte werd door M5S als eersteminister naar voren geschoven en beëdigd , maar het was duidelijk dat Di Maio en Salvini, allebei vice-premiers naast hun ministerschap op Sociale Zaken (Di Maio) en Binnenlandse Zaken (Salvini) de touwtjes in handen hadden.  De bedoeling was om beide partijen te laten scoren op hun terrein en daarbij elkaar niet teveel in de weg te lopen. De ‘regering van de verandering’ was een verstandshuwelijk dat berustte op hun gemeenschappelijke afkeer van de traditionele nationale en Europese politieke elite. Maar hun DNA en politieke programma’s botsten zo vaak met elkaar dat ze in tal van regeringsbeslissingen vaak dagenlang als kemphanen tegenover elkaar stonden. En in die tweestrijd wist de sluwe Salvini in de perceptie vaak het laken naar zich toe te trekken

Het werd ook steeds duidelijker dat Salvini een dubbele agenda had en verkiezingen wou uitlokken om uiteindelijk alleen met rechts te regeren. Hij voerde als minister van Binnenlandse Zaken voortdurend campagne, greep elk fait divers waarbij asielzoekers betrokken waren aan om op zijn facebookpagina migratie te linken aan overlast en criminaliteit en verscheen overal waar de camera's draaiden. Hij zocht de grenzen op van het wettelijke in eigen land met zijn stoere immigratie- en veiligheidsdecreet, waarvan de helft niet uitvoerbaar was. De detentiecentra waar hij illegalen wou in opsluiten moesten nog worden gebouwd en bilaterale akkoorden voor het terugsturen naar het land van herkomst  bestonden niet. Hij sloot tegen alle internationale verdragen in de havens voor schepen met vluchtelingen en hij schafte humanitaire verblijfsvergunningen af. Maar elke poging van Europa om vluchtelingen te spreiden en Italië wat te ontlasten, dwarsboomde hij, terwijl premier Conte en M5S dat net toejuichten. De Vijfsterrenbeweging, die in ruil voor het invoeren van een leefloon Salvini soms ook zijn gang lieten gaan,  maakte een halfslachtige, onsamenhangende indruk.  Na nauwelijks een jaar regeren, tal van openlijke disputen met M5S en breed uitgesmeerde onenigheid trok Salvini de stekker uit de Italiaanse regering. Nadat hij enkele maanden eerder met zijn Lega de Vijfsterrenbeweging het nakijken gaf in de Europese verkiezingen, verklaarde hij nu openlijk dat hij alle macht via verkiezingen wou veroveren. Maar die verkiezingen kwamen er niet, want Giuseppe Conte sloot een nieuwe coalitie met de Partito Democratico met de zegen van Matteo Renzi, Romano Prodi en Beppe Grillo en even later ook van president Sergio Mattarella. De regering Conte II was een feit en zou regeren van september 2019 tot februari 2021. En Salvini stond schaakmat.  

 

 

Giuseppe Conte: eersteminister van 2018 tot februari 2020

Conte II: strijd tegen de Covid-19-pandemie

Nauwelijks was de tweede regering Conte gestart of de corona-crisis sloeg begin 2020 toe in Italië. In Codogno in Lombardije stelde men vast dat het virus er lokaal circuleerde. Het moet zijn binnengekomen via reizigers uit China, maar Lombardije werd het epicentrum van de Europese pandemie. De regering reageerde met een nationale lockdown, verbod op verplaatsingen, sluiting van scholen, restaurants en niet-essentiële winkels, verbod van openbare evenementen. Reizen tussen regio's werd verboden en quarantaine en isolatie werden verplicht voor besmette personen en hun contacten. De grenzen en luchthavens werden gesloten. De mondmaskerplicht werd ingevoerd en afstand houden werd de regel. Er werden testen en contactopsporing ingevoerd. De PD-minister van Volksgezondheid Roberto Speranza zette de richtlijnen uit voor de ziekenhuizen, het test- en quarantainebeleid, en de vaccinatiestrategie via nooddecreten.

Maar in Italië is het gezondheidsbeleid sterk gedecentraliseerd  en in de meest getroffen regio, Lombardije, werd de regionale regering geleid door Attilio Fontana van de oppositiepartij Lega, die vaak bevoegdheidsconflicten had met de nationale regering. De gezondheidszorg in Lombardije was sterk geprivatiseerd en de specialistische private ziekenhuizen bleken minder goed geschikt om een epidemie als Covid op te vangen, omdat ze minder Covid-patiënten wilden behandelen dan publieke ziekenhuizen. Omdat ze met prestatie- en behandelingsvergoedingen werkten, was preventieve gezondheidszorg onderontwikkeld en  waren de lokale gezondheidsdiensten, de eerstelijnszorg en de netten van huisartsen er minder uitgebouwd, zodat er onvoldoende werd getest en de patiënten minder thuis of in hun gemeenschap werden opgevangen. De regio Veneto, nochtans ook bestuurd door de Lega, gold als voorbeeld van hoe wel effectief kon worden getest en gemonitord en patiënten thuis werden opgevolgd. 

De regering Conte II voerde in tegenstelling tot de vorige regering een pro-EU-beleid en werkte nauw samen met de instellingen van de Europese Unie. Ze plukte er ook de vruchten van. Europa zette een coronaherstelfonds op, het NextGenerationEU, na de pandemie en de regering Conte II wist van de in totaal 750 miljard euro 194 miljard euro binnen te rijven omdat de economische impact van de pandemie in Italië het grootst was. De economie kromp er met 9% in 2020 en het land was met zijn grote staatsschuld en lage groei het zorgenkind van de EU.

Van die 194 miljard waren 71,8 miljard subsidies en 122,6 miljard leningen. Verder bouwde de regering Conte II het Reddito di Cittadinanza uit, het leefloon voor de minstbedeelden en verschillende sociale programma's voor steun aan gezinnen getroffen door de pandemie. Het was Matteo Renzi, die intussen vertrokken was uit de PD en zijn eigen Italia Viva partij had opgericht die de regering deed struikelen om dat hij het oneens was met het beheer van de EU-herstelfondsen. Dat gebeurde in januari 2021 toen de coronacrisis nog volop woedde, er vaccinatiecampagnes moesten starten en de ziekenhuizen nog steeds onder druk stonden. President Matarella wou verkiezingen vermijden tijdens de pandemie en vroeg daarom voormalige Europese Centrale Bankier Mario Draghi om een regering te vormen met een brede meerderheid.  Draghi had de Europese Centrale Bank door de eurocrisis geloodst en had een reputatie als crisismanager opgebouwd. Bovendien boezemde hij de financiële wereld vertrouwen in, wat de nieuwe regering met haar torenhoge staatsschuld  de nodige stabiliteit garandeerde. Na Ciampi, Monti was Draghi de derde technocraat die zijn land door woelige wateren moest leiden. De regering die ongeveer alle grote partijen van links en rechts vertegenwoordigde, viel uiteindelijk omdat sommige partijen niet langer tegen hun belangen in de consensus wilden steunen, die Draghi eiste. De enige partij die weigerde tot de regering toe te treden, de Fratelli di Italia van Georgia Meloni, waardoor zij alle ontevredenheid over hoge energieprijzen (als gevolg van de oorlog in Oekraïne), inflatie en lockdownmaatregelen kon verwoorden, terwijl de andere rechtse partijen moeilijke keuzes die links beter uitkwamen, moesten verdedigen. 

 

 

Meloni, voor God, familie en vaderland en tussen Trump en von der Leyen

 

Meloni en Von der Leyen, EU-Commissie

Tegen woke en lgbtq

De Presidente del Consiglio, Giorgia Meloni, is de eerste vrouwelijke premier in Italië. Maar of ze dat doet in dienst van de vrouwenemancipatie  is nog maar de vraag. Midden in haar campagne zette ze een video op twitter van een Oekraïense vrouw die zogezegd door een Afrikaan was verkracht in Piacenza. Achteraf bleek dat daar niets van aan was, dat de vrouw gewoon schreeuwde uit wanhoop. UIt onderzoek blijkt dat het meeste geweld op vrouwen niet door immigranten maar door autochtone Italianen gebeurt.

In haar jonge jaren dweepte ze met Mussolini, maar doet dit nu af als een jeugdzonde en noemt zichzelf, vrouw, moeder, Italiaanse en christen. Ze zweert m.a.w. nog steeds bij God, familie en vaderland en met haar uitstraling van de vriendelijke buurvrouw met gezond verstand slaat dat aan. Zoals conservatieve leiders overal doen, haalt ze graag uit naar de woke- beweging en de lgbtq-gemeenschap. 

In 2023 stuurde ze een circulaire naar de burgemeesters om slechts de biologische ouder van lgbtq-paren te registreren op de geboorteakte en de niet-biologische ouders een langdurige adoptieprocedure te laten doorlopen. Maar in mei 2025 veroordeelde het Grondwettelijk Hof de maatregel als ongrondwettelijk. Daarnaast weigert ze lessen over genderidentiteit op scholen toe te laten en verzet ze zich tegen wetgeving die hate crimes tegen homoseksuelen en lesbiennes strafbaar wil stellen. 

 

Meer baby's

Meloni spreekt zich verder uit tegen abortus, voor de traditionele familie en moedigt vrouwen aan om baby's te krijgen. Dat laatste is niet alleen haar conservatieve overtuiging, maar is ook ingegeven door  een economische noodzaak. Italië kampt immers met een uitzonderlijk laag geboortecijfer van 1,20 kinderen per vrouw, terwijl een stabiele bevolking 2,1 kinderen vereist. Dat doet het land in snel tempo vergrijzen en ondernemingen vrezen een tekort aan arbeidskrachten, wat er hen in sommige plaatsen toe aanzet om de kosten van kinderopvang van jonge werknemers op zich te nemen. Komt daarbij dat heel wat jonge, afgestudeerde Italianen, vooral uit het Noorden in Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk of Zwitserland hun carrière proberen uit te bouwen, omdat hen op de weinig aantrekkelijke Italiaanse arbeidsmarkt lage lonen en ondergekwalificeerde jobs wachten.

 

van eurosceptisch naar pragmatisch

Tijdens haar legislatuur bewees Meloni totnogtoe een handig politicus en een geslepen strateeg te zijn, wat haar partij in de peilingen na twee jaar constant boven haar verkiezingsresultaat van 26% laat scoren.   Haar tirades tegen Europa in haar verkiezingscampagne en als oppostieleidster tijdens de regering Draghi was ze als premier op slag vergeten. Ze benoemde de voormalige voorzitter van het Europese parlement, de gematigde Antonio Tajani van Forza Italia tot haar minister van Buitenlandse Zaken en op de Europese Raad van ministers in Brussel herhaalde ze bijna woordelijk de beloftes van Mario Draghi aan Europa dat ze de begrotingsnormen zou respecteren en de gevraagde hervormingen zou uitvoeren. Daarnaast keerde ze het Kremlin de rug toe, zegde ze openlijk haar steun toe aan Oekraïne en hielp ze de grote lidstaten om haar vriend, de Hongaarse premier Viktor Orban, ervan te overtuigen om zijn veto tegen 50 miljard euro hulp aan Oekraïne op te geven.

 

Schipperen tussen Trump en Europa

 Meloni moet ook schipperen tussen Trump en Europa. Ze was het enige Europese staatshoofd dat op de inauguratie van Trump aanwezig was en werpt zich sindsdien op als de bruggenbouwer tussen Europa en de Trump administration. Ze heeft nog steeds het vertrouwen van de Europese Commissievoorzitter Ursula van der Leyen en halvelings ook dat van Trump met wie ze zich ideologisch verwant weet. Zo blijft ze zich opwerpen als een go between die de eenheid van het Westen blijft verdedigen in een periode dat de kloof nog nooit zo diep geweest is, maar ze is opvallend afwezig in the coalition of the willing die Frankrijk, Duitsland, Polen en Groot-Brittannië hebben opgezet om Oekraïne te blijven steunen, terwijl de VS zijn militaire steun aan dat land op bevel van Trump tijdelijk on hold had gezet. 

Meloni en Trump

Salvini, een fan van Trump en Musk

De jongste tijd laat haar vicepremier  en minister van Infrastructuur en Transport, Matteo Salvini van de Lega, zich echter opmerken binnen de regering door de politieke aanvallen van Trump op de Amerikaanse grondwet, de overheid, de universiteiten en het gerecht door dik en dun te verdedigen. Zo interviewde hij in april 2025 op het congres van de Lega Elon Musk, die in een groteske video call kwam verkondigen dat links teveel overheid wil en geen vrijheid van meningsuiting verdraagt en dat zoiets leidt tot fascisme (?!). Voorts heeft Salvini, in zijn jonge jaren al zeer actief in de Lega Nord en later een Poetinfan, het nog steeds bijzonder moeilijk om ook maar enige kritiek te uiten aan het adres van Vladimir Poetin. Met diens partij, Verenigd Rusland, had de Lega jarenlang een samenwerkingsakkoord tot Salvini het pas twee jaar na de Russische inval in Oekraïne in 2024 verbrak. Het moet voor hem moeilijk te verkroppen zijn dat Meloni dankzij haar oppositie tegen de regering Draghi, waar hij deel van uitmaakte,  in de nationale parlementsverkiezingen van 2022 het gros van zijn kiespubliek inpikte en dat een jaar later in de regionale verkiezingen in Lombardije, het bolwerk van de Lega, nog eens overdeed.

Meloni voert een harde immigratiepolitiek, maar overlegt met Europa, haar sponsor 

 

Europese asiel- en migratiepact

In tegenstelling tot Legaleider Matteo Salvini, die voortdurend Europa de schuld gaf van de vele bootmigranten die in Italië landden vanuit Libië en Tunesië en schepen met vluchtelingen de toegang tot Italiaanse havens versperde, zocht Georgia Meloni voor haar immigratiepolitiek steun bij Europa en vond die in het nieuwe en strengere Europese asiel- en migratiepact van april 2024Italië en andere aankomstlanden zaten daar al jaren op te wachten. Het pact maakt het mogelijk om aan de buitengrenzen van Europa (Italië, Spanje, Griekenland) snellere asielprocedures uit te voeren, zodat migranten zonder asiel kunnen worden teruggestuurd in plaats van in de illegaliteit op Europese bodem onder te duiken. Die controles gebeuren voortaan in detentiecentra. Op die manier wil Europa  economische migratie ontmoedigen. Daarnaast moeten alle EU-landen immigranten overnemen van landen die lijden onder hoge immigratiedruk, zoals Italië. Per jaar moeten er minimaal 30.000 vluchtelingen worden gereloceerd. Weigeren bepaalde EU-lidstaten voor vluchtelingenopvang in te staan, dan worden ze verplicht een bijdrage van 20.000 euro per geweigerde asielzoeker te betalen of operationele steun te leveren in de vorm van grensbewaking of bemanning van detentiecentra. De Italiaanse, Spaanse en Griekse kustwachten kunnen op zee ook op meer steun rekenen van een uitgebreide Europese grensbewakingsdienst Frontex. 

Partnerakkoorden met Tunesië en Egypte

Met die hulp van Europa alleen al kon Meloni scoren bij haar kiespubliek, maar ze profileerde zich ook als een voorvechtster van onderhandelde partnerakkoorden die Europa met Tunesië, Lybië en Egypte afsloot. In ruil voor financiële en economische steun beloofden deze landen om meer grens- en kustcontroles in te voeren. Daarvoor trok ze samen met EU-Commissievoorzitter Ursula Von der Leyen onder grote mediabelangstelling naar Tunis om met dictator Kais Saied het akkoord te tekenen.

In haar eerste regeringsjaar 2023 moest Meloni vaststellen dat er maar liefst 155.000 migranten waren geland op de Italiaanse kust - waarvan 95.000 uit Tunesië - een stijging van meer dan 50% tegenover 2022. Mede door het nieuwe Europese asielpact daalde het aantal bootmigranten in 2024 tot 66.000 en bleef in 2025 stabiel. Italië heeft haar immigratiepolitiek al grotendeels afgestemd op het nieuwe Europese Migratiepact en ontpopt zich tot een voortrekker in de toepassing ervan door het operationeel maken van detentiecentra. Dat betekent dat de nationale wetgeving werd aangepast, dat er een lijst van veilige herkomstlanden is opgesteld met het oog op een terugkeerbeleid, dat er versnelde grensprocedures zijn voor asielzoekers die weinig kans maken op asiel

Meloni's omstreden maatregelen

Maar veel van haar maatregelen zijn omstreden, in strijd met Europese wetgeving of met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). In eigen land versnelde ze de asielprocedures en verlengde ze de detentieperiode voor migranten van 3 naar 18 maanden om voldoende tijd te bieden voor de behandeling van de asielaanvragen. Volgens het Europees pact kan dat tot hooguit 6 maanden voor uitgewezen asielzoekers.  Daarvoor richtte de regering Meloni  nieuwe detentiecentra in, waar asielzoekers tijdens de behandeling van hun asielaanvraag of in afwachting van hun repatriëring worden opgesloten. Deze verlengde opsluiting is in strijd met de EU-richtlijnen in verband met de terugkeerprocedure, de asielprocedure en het EVRM.  Asielzoekers die worden opgevist in internationale wateren kunnen bovendien naar detentiecentra in Albanië worden overgebracht, waar Italiaanse ambtenaren via een videoconferentiesysteem asielzoekers laten communiceren met Italiaanse rechters en advocaten. Ook dat initiatief is aan kritiek onderhevig, omdat Albanië geen EU-land is, wat in strijd is met een EU-regel die bepaalt dat asielaanvragen in een EU-lidstaat moeten gebeuren.  Meloni voerde ook strengere voorwaarden in voor gezinshereniging van erkende asielzoekers en migranten met een legaal verblijf. Ze moeten minstens 2 jaar verblijven en aan huisvestingsvereisten voldoen en ook dat is in strijd met de Europese Gezinsherenigingsrichtlijn. En in Tunesië voert dictator Saied een ware heksenjacht op migranten en voert ze vervolgens met bussen af naar de woestijn, waar ze worden gedumpt en aan hun lot worden overgelaten. 

Meloni verliest referendum

Sinds kort voert Meloni een kleine oorlog met het gerecht over het in werking treden van de Albanese detentiecentra, die de rechtszaken doorsturen naar het Europees Hof van Justitie. Ze verwijt de rechters tegen het nationaal belang in te gaan. Ze meende dat haar oorlogje met het gerecht ‘haar strijd tegen de illegale migratie’ haar alleen maar aan populariteit kon doen winnen. Dat bleek aanvankelijk ook in de peilingen. Die strategie was immers ook die van Salvini in het piekjaar van zijn populariteit. Maar het draaide anders uit. Ze verloor het referendum over de hervorming van Justitie in 2026. Ze wilde dat er een striktere scheiding kwam tussen rechters en openbare aanklagers, dat  de Hoge Raad voor de Magistratuur werd gesplitst en op een andere manier werd samengesteld. Maar ze was het vooral beu dat rechters haar migratiebeleid dwasboomden. De oppositie voerde campagne tegen de hervormingen omdat ze vond dat Meloni vooral haar greep op de rechterlijke macht wilde versterken en de autonomie van het gerecht wilde inperken, dat notabene de jongste decennia de politiek hard had aangepakt. Dat was het geval met de tangentopoli, de steekpenningenaffaires, de belangenvermenging en corruptie van politici zoals Berlusconi, Bossi en Craxi enz.

Mensenrechtenorganisaties vinden het systeem van detentiecentra aan de Europese buitengrenzen, waar de controles gebeuren, onvoldoende humaan. Door de snelle procedure is de kans op onjuiste afwijzingen groot, hebben asielzoekers nauwelijks toegang tot juridische bijstand, is er geen tijd om hun trauma's uit te leggen en worden er minderjarigen soms vastgehouden. Het Europese Hof in Luxemburg en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg moeten erover waken in hoeverre het pact in de feiten degelijk wordt uitgevoerd aan de hand van klachten over de duur van de detentie, toegang tot onafhankelijke rechters, advocaten, onvoldoende ruimte voor individuele uitzonderingen. Italië heeft ook een zwak trackrecord voor de behandeling en de leefomstandigheden in de detentiecentra. Kortom de bezwaren van de Hoven zullen zich niet richten tegen het Migratiepact, maar tegen de manier waarop Italië het toepast.