Woensdag 22 september: Ghilarza-Pattada

De volgende dag zit ik bij mijn gastvrouw aan bij het ontbijt en ze vertelt me haar leven of toch ongeveer vanaf haar studententijd. Ze heeft verschillende relaties achter de rug, maar heeft met haar huidige partner, een Sard, eindelijk het leven gevonden waar ze naar op zoek was, in de rust van het platteland, ver van de drukte en de stress van de grote industriestad, die Turijn is. Ze doet voor bedrijven wat binnenhuisinrichting en runt een B&B. Haar vriend werkt in Sassari en verblijft daar ook het grootste deel van de week. Ik vertel haar dat ik een gepensioneerd journalist ben die zo gek is om alleen met de fiets door Italië te trekken en daarbij zijn partner vijf weken achterlaat. Dat ik evenmin met haar samenwoon en dat me dat uitstekend bevalt. Vanzelf glijdt het gesprek af naar de plus- en minpunten van de LAT-relatie: meer kwaliteit met elkaar delen, autonomie en bewegingsvrijheid, een eigen ruimte, minder gekibbel over huishoudtaken, opruimen en netheid, eigen vriendschappen, film- en theatervoorkeuren, tv-programma’s enz. Uiteindelijk gingen we het roerend eens uit elkaar. 

 

Ik verken nog even het stadje  en houd even halt bij het dertiende-eeuwse Romaanse kerkje gewijd aan San Palmerio in prachtig wit-zwart-rood vulkanisch trachietgesteente opgetrokken.

Romaanse San Palmeriokerk, Ghilarza

Antonio Gramsci, de vader van het Italiaanse communisme, bracht zijn jeugd door in Ghilarza

Maar meer verering dan Palmerio valt hier Antonio Gramsci te beurt, die hier van zijn zevende tot zijn twintigste in 1911 woonde, terwijl hij middelbare school liep in Santu Lussurgiu en Cagliari. Gramsci is zowat de oervader van het Italiaanse communisme en heeft hier op de Corso Umbertu I gewoond. Het statige woonhuis is nu een museum dat aan hem gewijd is. Over dat huis en de tijd die hij in Ghilarza doorbracht, schrijft hij uitvoerig in zijn ‘Alle Mensen zijn intellectuelen. Notities uit de gevangenis’, de vertaling van de ‘Quaderni del Carcere’. Na zijn jeugd in Ghilarza kreeg hij een studiebeurs voor de universiteit van Turijn en kwam daar in contact met het socialisme.

Antonio Gramsci en Casa Museo Antonio Gramsci, Ghilarza

In 1915 verliet hij de universiteit en werd journalist en socialistisch activist bij de Partito Socialista Italiana.  Hij schreef voor de socialistische krant Avanti!, pleitte tegen deelname van Italië aan de Eerste Wereldoorlog, wat ook de officiële lijn van de PSI was, maar zag in de oorlog wel een momentum voor radicale hervormingen in Italië. Mussolini, ook een socialist van het eerste uur, was tot 1914 hoofdredacteur van Avanti!, maar werd dat jaar uit de partij gezet omdat hij openlijk de Italiaanse deelname aan de Wereldoorlog bepleitte tegen het officiële partijstandpunt in. 

Toen de Russische revolutie uitbrak in 1917 publiceerde Gramsci teksten van de leiders van de Bolsjewieken,  Lenin en Trotski, en steunde hij de fabrieksbezettingen en stakingen in Turijn tijdens het zogenaamde Bienno Rosso in 1919 en 1920. Een van zijn medestanders was Nicola Bombacci, de secretaris van de Socialistische partij en de leider van de radicale vleugel (Massimalisti) van de PSI. In 1919 behaalde de PSI haar grootste electorale zege ooit met 32% van de stemmen, maar intern groeiden de spanningen tussen de radicalen en de rechtervleugel van de partij onder leiding van Filippo Turati. Bombacci verliet de partij en toen de sociale opstanden in Turijn werden neergeslagen door het leger stichtte hij samen met Gramsci en Amadeo Bordiga de communistische partij (PCd’I), die de revolutionair-marxistische weg insloeg op een stichtingscongres in Livorno. De PCd’I sloot zich aan bij de Derde Internationale van de Komintern, die door Lenin en de Russische revolutionairen werd opgericht in 1919.

Nicola Bombacci

Het was op zijn zachtst gezegd een turbulente tijd voor de prille partij. Het patronaat en de monarchie vreesden de import van de Russische revolutie en vonden Mussolini’s gewelddadige fascisten handige stoottroepen om de communistische dreiging de kop in te drukken. Daarom legde koning Victor Emmanuel III Mussolini en zijn zwarthemden geen haarbreed in de weg toen ze hun mars op Rome organiseerden. Even later op 31 oktober 1922 zou hij Mussolini zelfs tot eersteminister benoemen. Het gemak en de kritiekloosheid waarmee conservatieve en gematigd rechtse partijen het fascisme lieten begaan had alles te maken met wat ze als de grootste bedreiging voor Europa zagen: de Russische revolutie en het goddeloze communisme. Mussolini kon op hun heimelijke of zelfs openlijke sympathie rekenen. Van Churchill is de uitspraak bekend dat hij Mussolini prees voor de manier waarop “he had raised the Italian people from the Bolshevism into which they were sinking in 1919 to a position in Europe such as Italy has never held before”.

Amadeo Bordiga

Voor de prille communisten waren de jaren twintig een lijdensweg. Ze moesten het eerst op straat opnemen tegen de knokploegen van de fascisten, daarna werd de partij bij de invoering van de totalitaire fascistische staat in 1926 zoals alle andere oppositiepartijen buiten de wet gesteld en werden hun leiders opgesloten of gingen in ballingschap naar Frankrijk of Moskou.  

En dan moesten de verschillende strekkingen binnen de partij nog hengelen naar de erkenning door hun internationale leider, de Russische communistische partij.

Op een communistencongres in Lyon wist Gramsci’s gematigde fractie in 1926 uiteindelijk het pleit te beslechten in haar voordeel en werd Bordiga, de leider van de ‘linkse’ stroming in de partij als dissidente ‘Trotskist’ uit de Komintern gezet. Maar lang kon Gramsci daar niet van genieten. Nog datzelfde jaar werd hij opgepakt en gevangen gezet, ondanks zijn parlementaire onschendbaarheid. Voor de partijleden zat er niets anders op dan zich ondergronds te organiseren in kleine cellen.

Voor de socialisten werd de situatie onder het Italiaanse fascisme al bijna even dramatisch. De PSI, in 1919 nog de grootste partij, werd in 1926 eveneens verboden, buiten de wet gesteld en verdween uit het parlement. Haar leiders vluchtten naar het buitenland bij de zusterpartijen in de democratische landen of doken onder. Maar de meesten werden gevangengezet.

Gramsci werd in 1928 op beschuldiging van betrokkenheid bij een moordpoging op Mussolini tot 20 jaar gevangenis veroordeeld in een showproces en verbleef tussen 1929 en 1935 in de gevangenis tot zijn opname in een ziekenhuis. In 1937 stierf hij aan een hersenbloeding. Ter vergelijking, De Gasperi, de leider van de christendemocratische Partito Populare werd tot 4 jaar cel veroordeeld en zat er slechts 16 maanden van uit.

Volgens Gramsci, die het fascisme om zich heen aan invloed zag winnen bij het volk, nadat Mussolini zijn zachte staatsgreep had uitgevoerd, dringt de heerser zijn wereldbeeld op via culturele en ideologische kanalen en zoekt zo de instemming van zijn volk. Daarom volstaat het niet dat de werkende klasse de macht verovert in de staat en de economie via een gewelddadige omwenteling. Het is evenzeer de taak van intellectuelen en hoger opgeleiden om via een langzame stellingenoorlog de culturele hegemonie te heroveren en hun gedachtengoed, waarden, ideologie  ingang te laten vinden via het onderwijs, media en cultuur  bij de meerderheid.    Elk politiek regime aan de macht probeert macht niet alleen economisch en politiek te verankeren, maar ook via media, onderwijs en cultuur te consolideren, zo stelde Gramsci vast.  Zijn wereldbeeld  dringt het subtiel op als de 'keuze van het gezond verstand'. Gramsci’s ideeën over de culturele hegemonie hebben vandaag nog invloed bij zowel rechtse als linkse politieke ideologen.

 

Lago Omodeo, stuwmeer, Sardinië

Het wordt de zwaarste rit op het eiland vandaag. Ik moet in Borrore de SP 33 op en bij het verlaten van de stad volg ik de richting Sedilio/Nuoro, maar de SS 131 blijkt een expressweg te zijn met een pechstrook. Een blik op google maps maakt me duidelijk dat ik bij de volgende afrit een weg heb die noordwaarts  naar Aidomaggiore loopt. De auto’s en vrachtwagens razen me weer voorbij en het wordt me benauwd. Nergens een verkeersbord dat fietsers deze weg niet op mogen. Ik voel me opgelucht als ik bij de volgende afrit aankom. Naast de afrit strekt zich het Lago Omodeo uit, het grootste stuwmeer van Sardinië, dat eigenlijk een afdamming is van de rivier de Tirso. Het meer voorziet landbouw van irrigatie, drijft een hydro-elektrische centrale aan en zorgt voor drinkwater. 

'Geen verbodsteken voor fietsers nodig, want niemand fietst hier'

De landweg naar Aidomaggiore is voor het grootste deel ongeasfalteerd, maar rotsachtige, puntige stenen en los grint zorgen plaatselijk voor enige verharding. Het wegdek is een gesel voor mijn banden en in het losse grint moet ik vooral zien niet uit te schuiven. Na negen kilometer kom ik in Aidomaggiore aan, blij dat ik er zonder pech ben geraakt. Ik neem me voor eens navraag te doen naar de staat van de wegen verder op mijn traject. Ik loop een bar binnen, bestel me een koffie en raak aan de praat met een vriendelijke local die naar eigen zeggen hier in de omgeving vaak aan mountain biking doet. Een mountainbike kan je hier best gebruiken en ik doe hem mijn relaas van de hobbelige rit die ik net achter de rug heb.  Hij wil mijn fiets zien en we gaan op het terras zitten. Het is tien uur ‘s morgens en hij bestelt zijn eerste biertje en biedt me een koffie aan. Ik vraag hem wat uit over zijn leven. Hij is een automonteur, en heeft zijn atelier wat verderop. De kortste weg was voor mij de SS 131 naar  Nuoro geweest, maar zo vertel ik hem, die ziet er uit als een autosnelweg. Dat is ook een autosnelweg, zegt hij, je mag er niet op als fietser. Waarom is er dan nergens een verbodsteken voor fietsers te bespeuren, vraag ik hem. 'Dat hoeft niet want niemand fietst hier', lacht hij smakelijk. Dit is Sardinië, zegt hij, niet België. Ik betaal hem nog een biertje en vertrek richting Borore.

Monti del Marghine

We komen weer in een gebied met Nuraghe, eerst die van Sanilo, daarna die van Imbertighe met bijhorende Tomba dei Giganti. Voor ik Borrore bereik kan ik al links afslaan naar de SP 33 richting Noragugume tot aan de kruising met de SS 129, zo’n dertig kilometer verderop. De weg loopt door een golvend landschap in de vallei van de Fiume Tirso met niet al te veel hoogteverschillen. Het is al een eind na de middag als ik uitgehongerd bij een pizzeria aankom, die gesloten blijkt te zijn. Even verderop, langs de SS 129 is er wel een barretje open. Een zwijgzaam barmeisje zit er moederziel alleen wat op haar telefoon te staren. Ze kan me enkele stukken pizza opwarmen die ik ter plaatse verorber. Er valt hier weinig logement te vinden in de streek. Het meest geschikt lijkt me een agriturismo bij Pattada en het Lago Lerno. Ik neem nog wat spuitwater en wat koekjes mee voor de opname van koolhydraten onderweg. Vanaf hier volg ik de SP M10 die in noordoostelijke richting tussen de fiume Tirso rechts en de Monti del Marghine links loopt. De Monti Marghine zijn een keten die diagonaal van de westkust naar de oostkust van het eiland loopt met toppen tot 1250 meter. Dat hier in de vallei een weg loopt komt goed uit, want het alternatief is een nationale route, de SS128 die kronkelend op de flanken van de Marghine de stadjes Burgos, Bono, Anela en Bultei verbindt, een veel lastigere weg. Ik heb al teveel kilometers in de benen om er nog eens extra hoogtemeters bij te nemen. Op de SP 10 m is er al genoeg klimwerk in het verschiet. Van zodra de weg de loop van de Tirso verlaat, gaat het snel hogerop. Ik rij door uitgestrekte  kurkeikbossen en kom occasioneel voorbij een klein boerderijtje of de woonst van een herder, waar meestal een vervaarlijke hond woest blaffend - gelukkig achter een omheining - de volle afstand van zijn domein met me meeloopt. Rechts in de berm ligt een uit de kluiten gewassen exemplaar van een dode vos. Dat doet me denken aan zio. Ik vroeg hem waarom die herders toch zo’n grote, intimiderende honden hadden in Sardinië. Dat hoefde toch niet, want de wolf was in Sardinië uitgestorven of beter, uitgemoord. Ja, maar er zijn wel grote vossen die lammetjes durven buit maken, antwoordde hij toen. Maar er zijn nog twee andere redenen waarom de herders zoveel grote honden hebben. De eerste is het aantal zwerfhonden dat op het eiland rondloopt. Voor de mens zijn ze niet gevaarlijk, maar voor de schapen des te meer. Instinctief vormen ze hordes, zoals wolven dat doen. Voor hun overleven zijn ze aangewezen op aas, vuilnisbelten en ook jacht en dan moeten de herdershonden de kuddes beschermen. Een tweede reden, die echter aan belang verliest is dat Sardische herders van oudsher af te rekenen hebben met veeroof, vooral in afgelegen bergen is bewaking met vervaarlijke honden aangewezen. Vandaag zijn rovers steeds minder actief, omdat kuddes kunnen worden uitgerust met GPS trackers.  

Monti del Marghine, Sardinië

 

Klimmen

Vanaf de kruising met de SP 7 naar het dorp Benetutti stijgt de SP 10m geleidelijk aan naar 700 meter bij Patadda, de gemeente waar mijn agriturismo zich bevindt. Het is een lange klim van 15 km, die na een rit van 70 km zwaar gaat wegen. Regelmatig houd ik halt om mijn koekjes aan te spreken. En telkens ik wat kleiner schakel, schiet mijn ketting door op het achterste tandwiel. Soms moet ik eerst twee versnellingen hoger schakelen en dan weer één achteruit om in de juiste te belanden. De mechaniek eist zijn tol na meer dan 1900 km, duizenden hoogtemeters en de 90 kg last met de reistassen meegerekend die de fiets moet dragen. Het koelt snel af op deze hoogte en wanneer ik uiteindelijk bij een tankstation annex bar halt houd, trek ik mijn fleeze aan. Ik voel me leeg en uitgeput en mijn benen zijn stram. Zelfs stappen lukt maar moeizaam. Ik plof me neer op een barkruk en ik bestel me een focaccio uit de toonbank, laat die opwarmen en neem een liter spuitwater uit de koelkast.

Op de bres voor Europa

'Duro, no' zegt de barkeeper. Waar kom je vandaan? Ghilarza, zeg ik. Maar je bent geen italiaan, toch, vraagt hij. Neen, een Belg zeg ik. En hij schakelt meteen over op Frans. Hij heeft een tijd in La Lorraine gewoond, in Longwy, vlak over de Belgische grens. Op de fiets komen er hier niet zoveel toeristen voorbij, en dat ik pompaf ben, daar heeft hij begrip voor na de lange klim naar de ‘Everest’, want zo heet de bar naast zijn pompstation. Zevenhonderd meter hoogte is niet bepaald de Everest, maar voor mij is het de laatste echte berg van deze fietsreis. De volgende dag wenkt mijn eindpunt: Olbia, waar ik de ferry neem naar Civitavechia op het Italiaanse vasteland. En die laatste rit, dat is nog wat heuvels over en dan een lange afdaling naar de kust. 

Hij wil ook weten hoe oud die krasse knar is die hier eenzaam door Sardinië fietst en wat hij deed voor hij met pensioen ging. Een journalist? Kom ik om de parlementsverkiezingen te verslaan? Neen, Intussen zit het hele café ons gesprek mee te volgen, want ze zijn ook nieuwsgierig en vragen hem voortdurend wat ik vertel. Nu en dan antwoord ik hem even in het Italiaans om hen duidelijk te maken dat ze het ook rechtstreeks aan mij mogen vragen. En ineens regent het vragen. Wat ik van Europa vind, wat ik van de Italiaanse regering vind. Uit de linkerhoek komt ‘Ricatatori, rubano la gente’. Het lijkt wel een verkiezingsmeeting bij momenten. No, sta esagerando, klinkt het uit de andere hoek, 'Draghi ascolta Europa, non ascolta la gente', zo luidt het verdict over de Presidente del Consiglio, de eerste minister. 'Draghi luistert niet naar de mensen, hij luistert naar Europa', luidt het verdict. Goedkeurend gemompel. Europa is de zondebok. Ik ga in de verdediging. Het Europees fonds voor regionale ontwikkeling (European Fund for Regional Development) heeft vast ook al projecten in Sardinië lopen. Dat is Europees geld dat rechtstreeks naar Sardinië gaat. En in het Europees covidherstelfonds is tot in 1927 192 miljard voorzien aan goedkope leningen en subsidies om de Italiaanse economie na de covidcrisis er opnieuw bovenop te helpen, vertel ik erbij. Geen enkel land in Europa krijgt zoveel steun. Dat is grotendeels te danken aan meneer Draghi. En Draghi wordt heel erg gerespecteerd in Europa, voeg ik eraan toe. En in de voorwaarden voor de toekenning van die subsidies en leningen staat dat Zuid-Italië een flink deel van de leningen en investeringen mag opeisen, ga ik even verder. In Sardinië lopen er projecten van het European Fund for Regional Development, van het European Social Fund, voor Groene Energie enz. Ik lijk wel op een Europese promotietour.  Ze zijn even onder de indruk en knikken dan aarzelend. Maar waar lopen die projecten? Dat weet ik nu even niet, maar kijk op het internet, raad ik hen aan. Ik diep mijn I-pad op en toon hen de ERFD-pagina van de Europese Commissie en de samenwerking met de Regione Sardegna, maar dat maakt niet zo’n indruk. Het is zover gekomen dat ik hier een voormalig centraal bankier zit te verdedigen om mijn kleine bijdrage te leveren aan het weerwerk tegen de rechtse golf die bij de verkiezingen over het land gaat rollen. Het komt me voor dat de Fratelli d'Italia van Meloni zelfs enkele van deze arme Sarden hebben kunnen overtuigen dat alle onheil van Brussel komt. Wanneer ik aanstalten maak om te vertrekken, ontwaar ik blijken van erkentelijkheid en zelfs genegenheid. Ik neem hartelijk afscheid van de barkeeper en hij geeft me nog enkele aanwijzingen hoe ik mijn agriturismo kan bereiken.

Het sermoen op de berg

Wanneer ik moeizaam weer op mijn fiets spring om de 8 resterende kilometers naar Lago Lerno af te werken, denk ik in een bui van zelfspot onwillekeurig terug aan de bergrede van Christus. Gezeten op een berg legde Christus aan een menigte de diepere betekenis van zijn leer uit, volgens de evangelist Mattheus, te beginnen met de Zaligsprekingen: Zalig de armen van geest, zalig de treurenden, zalig de hongerigen naar gerechtigheid enz. (Matt. 5,1-12) . Zo voelde het even op mijn barkruk in ‘de Everest’ of all places. Meloni kon  vanuit de oppositie ongehinderd alle bezuinigingsmaatregelen van de regering van nationale eenheid onder leiding van Draghi op de korrel nemen die door de Italianen werden uitgespuwd.  Draghi, zo beweerde ze, was het schoothondje van Europa. Maar toen werd ze dankzij haar monsterscore zelf eersteminister. Ze slikte braaf alle kritiek op Europa in uit vrees dat ze de 192 miljard Europese steun zou mislopen. Italië kreeg een oerconservatieve tante, die aanknoopte bij de waarden van de oude katholieke moral majority. Haar nostalgische oprispingen naar het autoritaire fascisme van weleer borg ze op. Of hield ze in bedwang. Ze kwam ermee weg.

 

Lago Lerno, Sardinië

Een agriturismo aan de rand van Lago Lerno

De duisternis is ingevallen als ik over de hobbelige, onverharde weg het meer heb bereikt. Er is een weg die de linkeroever volgt en een ander de rechteroever. Ik twijfel, maar dan komt een pickup opdagen. Dovè il agriturismo, roep ik. ‘Dall altro lato’ (‘aan de andere kant’) klinkt het boven het gebrom van de motor uit. Zat ik weer eens verkeerd, dus. Leuk is anders op deze hobbelige onverharde weg met stroken mul zand, waarin mijn banden moeilijk richting houden en ik moeite heb om mijn evenwicht niet te verliezen. Ik rijd rond het meer naar de andere kant een bos in. Plots loopt schuin voor mij een groot donker dier met rustige tred voor me uit. Het lijkt wel een wolf, maar nee, in Sardinië zitten er nu eenmaal geen wolven meer. Misschien een verwilderde zwerfhond, die op jacht is. Ik begin al te vrezen dat ik in het bos zal moeten overnachten, want bij enkele splitsingen van de weg heb ik bijna intuïtief de richting gekozen, waarvan ik dacht dat het de goeie was. Na twintig minuten fietsen komt de verlossing. Er doemen lichtjes op in de duisternis en een rotsachtig pad tussen naaldbomen leidt er in een grote bocht naartoe. Bestemming bereikt, een agriturismo aan de rand van het meer. Met een onvermijdelijke Nuraghe ernaast. 

Ik voel de adrenaline nog stromen wanneer ik onder de douche sta en kom pas tot rust wanneer ik me laat wegzakken in de veel te zachte matras van het oude boerenbed op mijn kamer. Beneden hebben ze in de keuken een zeer calorierijke maaltijd klaargemaakt met veel vlees, bonen en paprika’s. Een soort mix van goulash en chili con carne. Ik eet het hele bord leeg en drink nog een halve liter Peroni erbij. Een bejaard Italiaans koppel vraagt me waar ik vandaan kom. Licht beneveld vertel ik honderduit over mijn lange fietsreis door Zuid-Italië. Bravo, bravo klinkt het de hele tijd. Zij zijn een gepensioneerd koppel leerkrachten uit Genova, die de rust van de Sardische bergen verkiest boven de drukte van de Ligurische en Toscaanse stranden. Hijzelf heeft een koersfiets, maar zoals de meeste Italianen fietst hij alleen op zondagvoormiddag. 

Nog even wat tijd uitgetrokken voor mijn avondwandeling langs het meer voor het slapengaan. De gloed van het maanlicht doet het wateroppervlak glinsteren. Hier en daar weerklinkt de kreet van een uil en het ijle gepiep van nachtdiertjes. In deze door kunstlicht onbezoedelde omgeving ontvouwt de sterrenhemel zijn pracht. Het is even alsof de natuur mij zijn geheimen wil influisteren, alsof ik een inkijk krijg in een wereld die voor de mensheid in drukke steden meestal gesloten blijft. Op zo’n zeldzame momenten is het alsof voelsprieten ontwaken die  een glimp van de magische band ontwaren die animistische volkeren met de natuur ontwikkeld hebben. Natuurfenomenen maken deel uit van hun vertrouwde leefwereld en door  rivieren, meren, bergen, bomen en dieren een ziel te geven gaan ze er een sociale band mee aan, communiceren ze ermee en ontwikkelen ze er een diep respect voor. Mooie gedachte om mijn voorlaatste dag mee af te sluiten, toch.  Van zodra ik op mijn bed ga liggen, zink ik weg in een diepe slaap.