Donderdag 16 september: Palermo-Monreale-Palermo

De volgende dag fiets ik terug naar het Palazzo dei Normanni en vandaaruit oostwaarts naar het bergachtige binnenland rond Monreale. Ver ligt mijn eindbestemming niet, nauwelijks 10 km, maar de weg is steil. Monreale ligt immers 320 meter boven de zeespiegel. Maar eerst wil ik een kijkje nemen bij het buitenverblijf van de Normandische koningen, La Zisa, dat middenin de Genoardo lag, een enorm exotisch park. Daarvoor neem ik  de via Danissini op de Piazza della Independenza. Die heeft een verlengstuk in de Vicolo Zisa en even verderop in de Via Zisa. De Zisa is onlosmakelijk verbonden met Willem II, de kleinzoon van Roger II, die ook een heel bijzondere vorst was.

Palermo onder de laatste Normandiërs Willem I en Willem II

Roger II stierf in 1154 en had tegen het eind van zijn koningschap zijn enige overlevende zoon Willem I (Guglielmo I) klaargestoomd voor de machtsoverdracht, nadat diens drie oudere broers vroegtijdig waren gestorven. Willem zette de politiek van zijn vader voort en liet zich adviseren door een schare getrouwen aan het hof zonder zijn adellijke vazallen inspraak te gunnen. Nauwelijks op de troon moest Willem al afrekenen met opstanden van zijn vazallen in continentaal Zuid-Italië, die daarin werden aangemoedigd door paus Adrianus IV, de enige Engelse paus die er ooit is geweest. Bovendien had de Byzantijnse keizer Manuel I Kommenos zich voorgenomen om het oude Byzantijnse rijk te herstellen en zette de verovering in van de Balkan. Dat lukte gedeeltelijk, maar zijn pogingen om delen van Turkije op de Seldzjoeken te veroveren mislukten. Ook zijn verovering in Puglia van Bari, Brindisi, Andria en andere nederzettingen was van korte duur. Willem I trok met zijn leger naar Puglia en heroverde de steden een voor een, waarop de paus zijn steun aan de rebellen liet vallen en het koningschap van Willem I erkende. Maar ook in Noord-Afrika kreeg Willem het zwaar te verduren. Berberse troepen van het Almohadenkalifaat die in het westen van de Maghreb (het huidige Marokko) en in Andalusië heersten, vielen zijn Noord-Afrikaanse nederzettingen aan. De laatste stad in handen van de christenen, Mahdia in het huidige Tunesië, moest hij uiteindelijk opgeven. Nauwelijks bekomen van die buitenlandse invasies, werd hij het doelwit van een rebellie van de normandische baronnen onder leiding van Matteus Bonellus, die het vooral gemunt hadden op de groeiende invloed aan het koninklijke hof van de minister Maio di Bari, in het bijzonder op koningin Margaretha van Navarra. Ze overvielen Maio en vermoordden hem. Maio di Bari was de bouwer van de Sint-Cataldo-kerk op de piazza Bellini.  Ook Willems halfbroer Simon en zijn bastaardneef Tancred, graaf van Lecce, spanden samen tegen hem. Ze belegerden het koninklijk paleis en namen hem gevangen met de bedoeling diens zoon Roger op de troon te plaatsen. Maar het leger en het volk schaarden zich achter Willem en versloegen de rebellen. 

Zijn opvolger Willem II, ‘de Goede’ (Guglielmo II) was nog niet meerderjarig toen zijn vader stierf, zodat het bestuur tijdelijk werd ingevuld door Stéphane du Perche, die Willems moeder, Margaretha van Navarra uit Normandië liet overkomen. Stéphane werd aartsbisschop en kanselier en vervulde zijn taak heel nauwgezet en plichtsbewust. Hij zuiverde het rechtsapparaat, trad op tegen corruptie en buitensporige uitbuiting, maar maakte daarmee zoveel vijanden bij de adel en de bisschoppen dat ze een samenzwering tegen hem opzetten en hem dwongen met zijn aanhangers Sicilië te verlaten.   De opponenten van Du Perche grepen daarop zelf de macht en plaatsten  Walter Ofamilio op de lege stoel van aartsbisschop van Palermo. Van geboorte een Engelsman (Walter of the Mill) was Ofamilio indertijd door de Engelse koning Henry II aangeprezen bij het Siciliaanse hof en was jarenlang de mentor van de minderjarige Willem II. Door die invloed zou Henry II er uiteindelijk in slagen zijn dochter Joan (Plantagenet) uit te huwelijken aan Willem II. Ofamilio liet de kathedraal bouwen, maar leefde op gespannen voet met de moeder van Willem, die altijd zijn voorganger Du Perche had gesteund. Ook de relatie tussen Ofamilio, die op de steun van de paus kon rekenen, en Willem verzuurde. Willem vond dat Ofamilio teveel macht naar zich toe trok.  

Palermo was inmiddels een soort modelstad van zijn tijd geworden met brede wegen, parken en steeds meer kerken en palazzi. Dat was in elk geval de indruk van Ibn Jubayr, de Spaans-Moorse schrijver en geograaf uit Valencia die in 1184 op zijn bedevaart naar Mekka in Palermo belandde en van zijn reisverslag, bekend als de Rihla, een boeiend tijdsdocument maakte. Hij prees de godsdiensttolerantie en de islamofilie aan het hof van Willem II , die zich liet omringen door islamitische officieren en kamerheren. Over Palermo schreef hij: ‘Het is een oude en elegante stad,  prachtig, gracieus en verleidelijk. Hij is oogverblindend perfect. Het is een wonderlijke plek, gebouwd in de stijl van Cordoba, helemaal uit khardan (een soort zachte kalksteen) opgetrokken’ .. en over de vrouwen voegt hij eraan toe: ‘De christen vrouwen volgen de mode van de moslimvrouwen, ze praten vlot, vouwen hun mantels rond zich en zijn gesluierd’. Hij klaagt wel over het verzwakte geloof van de moslims sinds de verovering door de Normandiërs. Een kopie van zijn werk bevindt zich in de bibliotheek van de Leidense universiteit. 

 

La Zisa: het zomerverblijf van Willem II

Hij is ook bijzonder ingenomen voor het Gennat-al-Ard (Genoardo), wat aards paradijs betekent in het Arabisch, een enorm park in een vallei met een grote variatie aan exotische planten en fauna ten westen van Palermo dat uitkeek op de bergen rond Monreale. Het park had twee bronnen die visvijvers en andere grote waterpartijen van water voorzagen. Rivieren, beken en kanalen vloeiden door het park en vormden het weelderig groene decor voor verschillende kastelen, die werden gebouwd door Arabische architecten. Het meest zichtbare overblijfsel van dit enorme park is het recent gerenoveerde Zisa-paleis - van het Arabisch Aziza, ‘de geliefde’ - met zijn keurig aangelegde Giardino. 

Dit  was ooit het zomerverblijf van Willem II en was ingedeeld zoals de Moorse paleizen uit die tijd. Eerst en vooral een iwan, een centrale, overdekte toegangspoort die uitgeeft op een ruimte met een fontein, wat de moslims hadden overgenomen uit de Perzische moskeeën. Hier zijn nog  nissen met de typische moorse stalactietenplafonds, de muqarnas, mozaïeken en muurschilderijen die jachttaferelen voorstellen.  Het bevatte zes vertrekken, twee per verdieping en een atrium op de bovenste verdieping waar het regenwater werd opgevangen en naar een cistern geleid. Elk vertrek beschikte over stromend water en een latrine en tegen het paleis was een hammam, een arabisch badhuis, en een kapel gebouwd. De buitenmuren zijn versierd met hoefijzervormige blinde bogen met daarin slechts kleine vensteropeningen, die de warmte moesten buitenhouden. 

De Iwan in La Zisa, het zomerverblijf van Willem II

De Genoardo had waarschijnlijk ook zijn eigen zoo met exotische vogels zoals papegaaien, flamingo’s, pauwen, tortelduiven en pelikanen, maar ook wilde Afrikaanse dieren als krokodillen, leeuwen, luipaarden, apen en giraffen. Het park had een brede waaier aan citrusbomen, kastanjebomen en notelaars, vijgen- en olijfbomen en de rivieroevers waren bezaaid met papyrus en riet. Achter het park in de richting van de heuvels waren de koninklijke  jachtgronden gelegen waar op hazen, patrijzen, herten en everzwijnen werd gejaagd. 

Willem II was godvruchtig, maar was vooral  uit op rust en vrede in het Sicilië dat jarenlang was geteisterd door samenzweringen en revoltes van de baronnen. Hij sloot bondgenootschappen met Genua en Venetië en met de Lombardische liga uit Noord-Italië die vocht voor meer rechten tegen de Duitse keizer Frederik Barbarossa. Uiteindelijk zouden de Noord-Italiaanse steden na vele veldslagen en opstanden het pleit winnen en Frederik in het verdrag van Venetië dwingen om hun rechten te erkennen.  Zelf trouwde Willem II met Joan Plantagenet, de dochter van de Engelse koning Henry II en de zus van Richard Lionheart, maar het huwelijk bleef kinderloos. Willems veldtochten tegen Saladin in Egypte en de Byzantijnse keizer Isaac Angelus waren geen onverdeeld succes. Hij moest na een veroveringstocht op Byzantijnse bodem en de inname van Thessaloniki een  nederlaag slikken tegen de Byzantijnse keizer en zich terugtrekken uit diens grondgebied. Maar zijn admiraal Margaritus van Brindisi wist met zijn vloot te beletten dat Saladin, die Jeruzalem had veroverd, ook nog de havensteden langs de Palestijnse kust kon innemen. Dat was Willems bijdrage aan de derde kruistocht. Willem II stond hoog aangeschreven, niet alleen bij Arabische reizigers, die de aanwezigheid van zoveel Arabieren aan het hof prezen, maar ook bij de christelijke Sicilianen die een eeuw later, in de tijd van Dante onder het weinig geliefde huis van Anjou leefden en vol nostalgie terugdachten aan zijn koningschap. Dante gaf hem in zijn Divina Comedia zelfs een plaatsje in het paradijs. In Canto 20, vers 61-66 situeert Dante hem als het vierde licht van de sterrenconstellatie die de oogkam van de arend vormt in de (sterren)hemel. 

De vierde die u daar ziet gloriëren

is Willem, vorst om wie het zuiden rouwt,

Waar Frederik en  Karel thans regeren. 

Hij weet nu dat de Hemel van hem houdt 

En staat hier in mijn oogkas zo te stralen 

Dat u die liefde in zijn licht aanschouwt

Vanaf het Zisapaleis rij ik langs de via Edrisi, de Via Cipressi en de Via Gaetano La Loggia naar de Corso Calatafimi en de SP69 naar Monreale. Vooral de laatste drie à 4 km zijn een flinke klimpartij en ik arriveer onder het zweet op de piazza Vittorio Emmanuele, het plein voor de dom.

De kathedraal van Monreale

Het was Willem II die in 1172 de bouw van de kathedraal van Monreale startte, het meesterwerk van Normandisch-Arabisch-Byzantijnse kunst dat kan wedijveren met de Cappella Palatina in het Palazzo dei Normanni maar eigenlijk bedoeld was om te concurreren met de kathedraal van Palermo waarvan Walter Ofamilio de bouwheer was. De koning en de aartsbisschop leefden op gespannen voet met elkaar en er wordt gezegd dat Willem met de Dom van Monreale vooral erop uit was om Ofamilio te overtroeven. Het lijdt geen twijfel dat hij daarin is geslaagd. Of het interieur van de kathedraal mooier is dan de Cappella die door zijn grootvader Roger II was gebouwd is een andere vraag. Maar ze is in elk geval indrukwekkender en omvangrijker. Om een idee te geven: Het interieur telt 6500 m² mozaïeken, de Palatina slechts 1800. En het gebouw is enorm : 102 meter bij 40 meter

Kathedraal van Monreale, Façade westkant

De oorspronkelijke kathedraal met zijn Arabische apsis en koorafsluiting aan de oostkant en zijn Romaanse façade met twee ongelijke torens aan de westkant, die doet denken aan de kathedraal van Cefalù, is opvallend goed bewaard gebleven. Aan de zuidkant was er oorspronkelijk ook een benedictijner abdij en een bisschoppelijk paleis tegenaan gebouwd. Maar van de abdij is alleen de kloostergang bewaard gebleven. Aan de noordkant stond het koninklijk paleis, maar ook dat is verdwenen. De kathedraal was dus oorspronkelijk een abdijkerk die door Paus Lucius III tot de rang van kathedraal werd verheven.  Het witmarmeren portiek met zijn drie bogen aan de voorgevel aan de Piazza Guglielmo II is in de cinquecento van de renaissance tussen de twee massieve Romaanse torens ingevoegd en werd ontworpen door Giovanni Domenico Gagini. In het portiek is de bronzen poort in het portaal van de hand van Bonanno Pisano. Ze beeldt onderaan scènes uit het Oud Testament uit met de verdrijving van Adam en Eva uit het paradijs als eerste en scènes uit het nieuwe testament aan de bovenkant. Aan weerskanten van de poort staan prachtig versierde zuilen en daarbovenop is een kroonlijst in de vorm van een rond spitsboog met geometrische Arabische figuren versierd. De hoofdingang bevindt zich echter niet aan de facadekant, maar aan de noordkant, waar eveneens een zestiende-eeuws portiek werd gebouwd boven een twaalfde-eeuws portaal met een bronzen poort van de beeldhouwer Barisano da Trani, die geïsoleerde, nogal statische religieuze figuren afbeeldt. De ingang geeft uit op de Piazza Vittorio Emmanuele. De drie apsissen aan de oostelijke buitenkant zijn met Arabische motieven versierd in de vorm van blinde spitsbogen die door elkaar heen lopen en cirkels die geometrische figuren in gele kalksteen en asgrauwe basalt omsluiten. 

Binnenin is de kathedraal minstens even oogverblindend als de Palatina, door de gigantische mozaïek wanden in het middenschip vanaf de kapitelen van de zuilen tot aan het houten plafond, maar ook in het transept, in de zijbeuken en in het koor. Het brede middenschip rust op 18 grijze granieten zuilen met weelderig versierde kapitelen, waarvan de onderkant uit acantusblaren bestaat en het bovenste deel uit  gebeeldhouwde portretten tussen hoornen des overvloeds. De mozaïeken van de voorgevel en het middenschip vertellen het goddelijke plan om de mensheid te redden te beginnen met het scheppingsverhaal en de Hof van Eden en de tussenkomsten van God op zijn volk te redden zoals verhaald in het Oud Testament: de ark van Noah, zijn nakomelingen die de toren van Babel bouwen, het leven van aartsvader Abraham, de verwoesting van Sodom en Gomorra enz. In de mozaïeken van de linkerbeuk wordt de val in de erfzonde verteld, de moord van Kain op Abel, het bevel van God aan Abraham om zijn zoon Isaak te offeren, het gevecht van Jacob met de engel en het ontstaan van Israël. In het transept en het koor wordt het leven van Christus, de verlosser, verteld, de stichting van de Kerk en de heiligen die zijn boodschap uitdragen.

 

Willem II schenkt de kathedraal aan Maria, mozaïek Duomo van Monreale

Onder de triomfboog zijn twee tronen afgebeeld: de schenking van de kathedraal aan Maria en de kroning van Willem II door Christus zelf met de twee leeuwen die naar elkaar toegekeerd staan als teken van de wereldlijke macht. In de zijapsissen ten slotte bevinden zich links en rechts Petrus en Paulus met scènes uit hun leven. Centraal boven het altaar staat zoals steeds Christus Pantocrator met daaronder Maria met kind geflankeerd door aartsengelen en heiligen.   De afgebeelde menselijke figuren en heiligen in de mozaïeken zijn opvallend minder statisch in hun houding en bewegen natuurlijker dan in de mozaïeken van de Palatina.

De met prachtige motieven gedecoreerde houten zoldering werd in de 19de eeuw gerestaureerd. De vloer en het onderste deel van de muren zijn van marmer met mooi meestal geometrisch  inlegwerk. In het transept aan de noordkant staan de sarcofagen van Willem I en II.

Van de abdij is aan de zuidkant van de duomo de kloostergang overgebleven. Hij telt 94 dubbele zuilen die versierd zijn met mozaieken met geometrisch motieven en kapitelen die spitsbogen ondersteunen. Vooral de Romaanse kapitelen zijn uniek en zijn de reden dat deze kloostergang een van de meest waardevolle in de wereld wordt geacht. De beelden in de kapitelen vertellen scènes uit het Oude en Nieuwe testament of zijn allegorisch zoals de de boom van goed en kwaad in het aards paradijs, een adelaar met een haas in zijn klauwen, waarbij de adelaar verwijst naar de Hohenstaufer Frederick II. Verder: de kindermoord in Betlehem, Jozef die door zijn broers wordt verkocht, de vlucht uit Egypte, de ark van Noach enz. 

Terugweg van Monreale

Op de terugweg van Monreale neem ik op de corso Calatafimi nog een kijkje op La Cuba, een ander in oorsprong Arabisch bouwwerk uit het park van Willem II. La Cuba of een ander Arabisch palazzo, de Scibene, zijn veel minder goed bewaard gebleven dan La Zisa.  Er werden nauwelijks pogingen ondernomen om ze deftig te restaureren. Net als de Zisa heeft La Cuba, de ‘kubus’, blinde bogen in de buitenmuren, maar ook risalieten, uitkragende muurpartijen, die aan de binnenkant nissen hadden met muqarnas en een centraal atrium. Op een fries bovenop het gebouw vertelt een Arabische inscriptie over de voltooiing van het gebouw.  Helaas is het gebouw sinds de aankoop door de staat in 1921 slechts mondjesmaat gerestaureerd en staat het grotendeels leeg. La Cuba lag oorspronkelijk in een kunstmatig meer, ten zuiden van la Zisa en 500 meter ten westen van het Palazzo dei Normanni. Het is bereikbaar vanaf de Piazza di Independenzia achter het Palazzo via de  Corso Calatafimi. Zowel La Zisa als La Cuba lagen vroeger buiten Palermo, vandaag zijn ze ondanks wat groen in hun omgeving ingesloten door wat troosteloze buitenwijken. 

La Cuba

La Cuba, Arabisch Palazzo, Palermo

Palermo onder de Hohenstaufen

Om de vrede met het Heilig Roomse Rijk te verzekeren liet Willem II zijn tante Constance uit het klooster weghalen en huwelijkte haar uit aan Heinrich VI, de zoon van de keizer van het Heilig Roomse Rijk, Frederik Barbarossa. Een gepland huwelijk dat ook moest beletten dat zijn neef Tancred, graaf van Lecce aanspraak zou kunnen maken op de troon. Twee jaar na de dood van Willem II werden Heinrich en Constance in 1191 keizer en keizerin gekroond door paus Celestius III en hield het koningshuis Hauteville op te bestaan.

Troonpretendent Tancred pleegt militaire coup

De keerzijde van het huwelijk van Constance met Hendrik VI was dat het koninkrijk Sicilië in handen kwam van een Hohenstaufer. Zoals verwacht liet Tancred, die andere troonpretendent en een bastaardzoon van Willems jong gestorven broer Rogier III, dat niet zomaar gebeuren. Als bevelvoerder over de Normandische vloot had hij samen met Margaritus van Brindisi expedities geleid naar Egypte en Cyprus en toen Willem II stierf in 1189 pleegde hij een militaire coup en nam de macht over. Hij wist aanvankelijk het keizerlijke leger van Heinrich VI dat naar Sicilië trok buiten te houden en gijzelde Constance in Napels. Paus Celestius III pleitte voor vrijlating bij Tancred en verkreeg die ook in ruil voor diens kroning tot koning. Maar Tancredi moest al snel een opstand van moslims neerslaan en daarna ook nog vijandige baronnen vrezen die het voor Constance opnamen. Tot overmaat van ramp landde Richard II Leeuwenhart in 1191 met een gigantische vloot in Messina op zijn kruisvaart naar Palestina en eiste de schepen, uitrusting en geldelijke steun op die Willem II hem had beloofd. Zijn zus was immers Joan Plantagenet, de weduwe van Willem II.  Tancredi had ze echter onder huisarrest geplaatst en Richard eiste haar vrijlating. Die vrijlating wou Tancredi wel toestaan, maar hij weigerde hem de beloofde steun  voor de kruistocht te geven. Intussen was Messina de locatie geworden waar de deelnemers aan de derde kruisvaart samentroepten, want ook Philip August, de Franse koning had er zijn troepen gestationeerd met alle overlast vandien voor de lokale bevolking. De locals kregen het al vlug aan de stok met de Engelsen en probeerden ze buiten de stadsmuren te houden. Richard meende dat hij hen een lesje moest geven en viel de stad binnen en liet zijn troepen de stad plunderen en delen ervan in as leggen. Tancred die geen partij was voor het Engelse leger en die zowel tegen de rebellie in Sicilië als tegen de Duitse troonpretendent Heinrich VI moest opboksen, had geen keuze en deed een aantal toegevingen. De dood van Tancred in 1894 deed de machtsstrijd kantelen in het voordeel van Heinrich VI en Constance. Ze riepen daarbij de hulp in van een vloot uit Genua en Pisa, die Napels en later ook Palermo opnieuw innamen.

 

Hendrik VI, Codex Manesse, Heidelberg

Heinrich VI koning van Sicilië

Uiteindelijk trok Heinrich VI In 1194 met zijn leger naar Palermo en  werd hij als eerste Hohenstaufer in de kathedraal van Palermo tot koning van Sicilië gekroond, nadat hij de troonpretendent Willem III en Margaritus op beschuldiging van samenzwering in Duitsland gevangen zette en liet blind maken. Met de paus onderhandelde hij om Sicilië in het Heilig Roomse Rijk op te nemen in ruil voor het ondernemen van een nieuwe kruistocht, maar de onderhandelingen liepen spaak, onder meer door een nieuwe rebellie van Siciliaanse opstandelingen. Die werd genadeloos neergeslagen door de ridders van de Teutoonse orde, zowat het keurkorps van de keizer, dat bekend stond om zijn bikkelharde represailles tegen haarden van opstandigheid. Hoewel Hendrik VI in Sicilië vooral herinnerd wordt als de genadeloze onderdrukker van opstanden, wordt hij door heel wat historici geprezen als een bekwaam heerser die een immens rijk wist samen te houden. 

Heinrich VI, keizer van Heilig Roomse Rijk tegen de pausen

De 10de, 11de en 12de eeuw staan in de kerkgeschiedenis bekend voor het groot aantal tegenpauzen die ze voortbrachten. Soms waren er meningsverschillen tussen kardinalen onderling, maar meestal flakkerde een latent conflict tussen paus en keizer op.  De Duitse keizers zagen het Roomse Rijk als de voortzetting van het West-Romeinse Rijk en zichzelf als de opvolgers van de laatste christelijke Romeinse keizers. Pausen vochten een investituurstrijd uit met de Duitse keizers over de vraag wie de prinsbisschoppen, de bisschoppen, abten en andere hogere geestelijken mocht benoemen.  In 1122 kwam er een voorlopig eind aan de ruzie met het Concordaat van Worms, waar de paus de priesters het recht gaf om in hun bisdom de bisschop te verkiezen. Maar Keizer Frederik I Barbarossa daagde de paus uit door zijn Roomse Rijk ook voortaan Heilig te noemen en daarmee duidelijk te maken dat hij de wereldlijke macht rechtstreeks van God kreeg en de kroning tot keizer door de paus een ceremoniële bijkomstigheid was. Heinrich VI, zijn tweede zoon, wilde het keizerschap zelfs erfelijk maken binnen het huis van de Hohenstaufen, maar dat was niet naar de zin van paus Celestinus III en de Duitse keurvorsten. Bovendien 

en keizer van het Heilig Roomse Rijk nu ook koning van Sicilië werd, was allesbehalve het gewenste scenario voor paus Celestinus, want nu lagen zijn eigen pauselijke staten ingesloten tussen Noord-Italië en Zuid-Italië, twee gebieden waar Hendrik VI het voor het zeggen had. Bovendien beschouwde hij Sicilië als een pauselijk leen. De vete tussen keizer en paus kreeg een nieuw elan. Na zijn overwinning op de aanhangers van Tancred van Lecce, trok Hendrik VI naar Rome , zette de paus af en installeerde een tegenpaus, Clemens III, die hem vervolgens tot keizer kroonde.

Frederik II

In 1197 stierf Hendrik aan de gevolgen van een malaria-aanval nadat hij zijn driejarige zoon Frederik II als troonopvolger en keizer van Duitsland had aangeduid. Kort daarna stierf ook moeder Constance, zodat Frederik II in Palermo werd opgevoed door vreemde leraars en mentoren. Hij bleek al vlug een erg begaafde, nieuwsgierige jongen te zijn die vlot talen leerde, zijn kennis van de wetenschappen en de toenmalige wereld gretig bijwerkte en zo een zeer erudiete indruk maakte. Op zijn vijftiende trouwde hij met de dochter van koning Alfons II van Aragon door toedoen van Paus Innocentius III. 

 

Frederik II, koning van Sicilië en keizer Heilig Roomse Rijk

Pas in 1212 trok hij naar Duitsland en in 1220 werd hij door paus Honorius III tot keizer gekroond, maar hij moest plechtig beloven dat hij een nieuwe kruistocht zou ondernemen om Jeruzalem te bevrijden en er het christelijk gezag te herstellen. Frederik was echter zo doordrenkt van de Arabisch-Byzantijnse hofcultuur uit zijn jeugd dat hij zich eerst een tijdlang in Palermo ging vestigen. Al vlug kwam het tot een hoog oplopende ruzie met de nieuwe paus Gregorius IX, die hem herinnerde aan zijn belofte  van een kruistocht en hem uiteindelijk in de ban van de kerk sloeg. De kruistocht kwam er toch maar verliep heel anders dan de paus zich had voorgesteld. Frederik onderhandelde met sultan Malil Al Kamil en wist zonder slag of stoot zich in Jeruzalem tot koning te laten kronen in de Heilige-Grafkerk en ook nog eens een respectvol bezoek te brengen aan de Al-Aqsamoskee aldaar. Een verzoeningsgebaar dat allerminst door de paus en de daar aanwezige ridderordes van de Tempeliers en de Hospitaalridders werd gesmaakt. De paus vond dat hele vriendschappelijk gedoe met de moslimheersers zo wansmakelijk dat hij een ware leugencampagne startte tegen de keizer. Een tweede reden voor de haat tegen de keizer was zijn initiatief met het Liber Constitutionum Regni Siciliae, een soort codex Napoleon avant la lettre waarin de rechtspraak aan onafhankelijke rechtbanken werd overgedragen en de invloed van het kerkelijke canonieke recht werd ingeperkt en de landeigenaren hogere belastingen moesten betalen. Maar hij regeerde ook met ijzeren hand en sloeg elk verzet van adel of volk neer. Toch wordt hij ervaren als de laatste grote Sicilaanse vorst die affiniteit had met zijn volk. Hij werd begraven in de kathedraal van Palermo samen met zijn jong gestorven vrouw Constance van Aragon en zijn vader Hendrik VI. In zijn regeerperiode kende het eiland de laatste opflakkering van de eeuwenlange bloei op Sicilië.

Pausen willen geen Hohenstauf meer op de troon in Sicilië

Na de dood van Frederik II in 1250 probeerde de paus in Rome weer vat te krijgen op Zuid-Italië door zich te bemoeien met diens opvolging. In geen geval mocht nog een Hohenstaufer op de troon komen. Aanvankelijk gebeurde dat wel, eerst met Conrad, een zoon uit zijn huwelijk met Yolanda van Brienne, daarna toen Conrad aan malaria overleed, met Manfred, een zoon die hij had met Bianca Lancia een Piëmontese minnares waarmee hij op zijn sterfbed in het huwelijk was getreden. Manfred trad op als regent van Conrads minderjarige zoon Conradin. Om te voorkomen dat Manfred op de troon kwam, bracht paus Alexander VI zelfs een leger op de been en trok tegen Manfred ten strijde, met weinig succes evenwel.  Manfred werd populair en met de steun van de Sicilianen liet hij zich in de kathedraal van Palermo tot koning kronen in 1258.

Maar de pauzen gaven niet op. In 1266 richtte Clemens IV een coalitie op met soldaten uit alle windstreken in een poging om Manfred alsnog militair te verslaan. Datzelfde jaar kroonde hij Karel van Anjou, broer van de Franse koning Louis IX tot koning. Het kwam tot een treffen bij Benevento en de pauselijke troepen gesteund door Karel van Anjou wonnen ditmaal wel. Manfred stierf op het slagveld, zijn vrouw Helena na vijf jaar gevangenschap en zijn jonge zoontjes bleven dertig jaar opgesloten in het fort van Castel del Monte in Puglia. De enige erfgenaam van de Hohenstaufen, Conradin, zoon van Conrad, trok toen met een leger vanuit Beieren naar Italië waar hij in 1268 werd verslagen in Tagliacozzo. Conradin zelf werd opgepakt en op de markt van Napels onthoofd. Na de dood van deze laatste Hohenstauf zouden de belangrijkste Duitse graven, hertogen en aartsbisschoppen, de zogenaamde keurvorsten uit de hoge adel, de keizer verkiezen. Met de Habsburger Albrecht II zou het Habsburgse huis pas in 1438 opnieuw de erfelijkheid van de keizer invoeren. 

Slag bij Benevento waarbij de Hohenstauf Manfred het leven liet, miniatuur uit de Cronica Nuova, bibliotheek van het Vaticaan

Het schrikbewind onder Karel van Anjou en de Siciliaanse Vespers in 1282

Na de onthoofding in Napels van de laatste Hohenstauf, Conradin kon Karel van Anjou nu ongehinderd naar Sicilië trekken, maar daar werd hij heel erg koel onthaald. Het grootste deel van de bevolking had achter de Hohenstauf Manfred gestaan en Karels leger trad bijzonder repressief en wreed op tegen opstandelingen onder de adel en onder het volk. Bovendien had Karel van Napels de nieuwe hoofdstad gemaakt en nam op Sicilië Messina de plaats in van Palermo als zetel van de onderkoning. Palermo daarentegen zou onder de Fransen een tweederangsrol gaan spelen. Karel van Anjou had overigens de volledige steun van de paus in zijn machtsstrijd met de keizer van het Heilig Roomse Rijk. Hij had ook tal van bondgenoten in Noord-Italië bij de pausgezinde stadstaten en republiekjes zoals Genua en Firenze. 

 Zijn schrikbewind zette de morrende elite van Siciliaanse baronnen ertoe aan om nieuwe anti-Franse samenzweringsplannen te smeden. Ze zochten een tegenkandidaat en vonden die in de echtgenoot van Manfreds dochter Constance van Hohenstaufen, Pedro III van Aragon en Catalonië. Omdat hij nauwelijks in Sicilië verbleef en weinig voeling had met de Siciliaanse bevolking, kon Karel van Anjou onvoldoende inschatten hoe diep de haat tegen de Franse soldaten was. Na de verovering van grote delen van Frankrijk had hij zijn zinnen gezet op een oorlog tegen Constantinopel.  Met dat doel voor ogen had hij al een vloot klaarliggen in Albanië. Vanwege hun onverzettelijke houding had hij de Sicilianen verboden wapens te dragen en toen Franse soldaten weer eens een vrouw lastigvielen voor de Chiesa del Santo Spirito in Palermo en haar ziedende echtgenoot dat wou wreken, trokken de Siciliaanse omstaanders hun wapens die ze onder hun kleren verborgen hielden en slachtten de soldaten af. Dat incident had plaats vlak voor de Vespers, het avondgebed en was het signaal voor een algehele volksopstand, die sindsdien bekend staat als de Siciliaanse Vespers van 1282. Over heel Sicilië werden Fransen opgespoord en afgemaakt. Ze werden gedwongen ‘Cicero’ uit te spreken. Wie dat niet kon, ging eraan, zo wil de overlevering. Of de Brugse opstandelingen hun inspiratie in Sicilië hadden gehaald toen ze tijdens de Brugse Metten  de Franse bezetters van hun bed lichtten en hen dwongen ‘schild en vriend’ te zeggen is niet bekend.  Tijdens het machtsvacuum dat toen ontstond zonden de opstandelingen gezanten naar Pedro III van Aragon en zijn vrouw Constance en nodigden hen uit naar Sicilië.  Aragon was toen een machtig koninkrijk dat vanuit Barcelona met zijn vloot rivaliseerde met de Italiaanse opkomende steden Genua en Pisa. Constance werd aangesteld als regentes en haar zoon Jacobus van Aragon zou de volgende koning van Sicilië worden. De paus bleef echter het huis van Anjou steunen zodat er tot in 1302 officieel twee koningen van Sicilië waren, die bovendien geen van beiden op Sicilië verbleven.

De bloei van Napels onder Robert van Anjou 

De bevolking erkende de Aragonese koningen als de rechtmatige erfgenamen. Alleen Messina dat zijn belang als belangrijke handelshaven zag afnemen, was veeleer voor aansluiting bij het Italiaanse vasteland. Maar daarvan kwam voorlopig niets in huis. Sicilië onder Aragonees bewind en Zuid-Italië onder het huis van Anjougingen elk hun eigen weg en het kwam regelmatig tot een militair treffen, waarbij de Aragonezen meestal het pleit wonnen.  Even kwam er een tijdelijk bestand toen Robert I van Anjou trouwde met Yolanda, de zus van de Aragonees-Siciliaanse koning Jacobus. Maar de Sicilaanse baronnen weigerden Robert van Anjou als koning en hesen Frederik II, de broer van Jacobus op het schild. In de Vrede van Caltabellota (1302) zag het huis van Anjou uiteindelijk af van zijn aanspraken op Sicilië. Robert I van Anjou regeerde van 1310 tot 1343 en maakte Napels tot een cultureel bloeiende stad, onder meer door het dynamisme van de Florentijnse handelaars en kunstenaars. Robert I werd in Italië gelauwerd als ‘De wijze’, omdat hij de oorlogszuchtige Italiaanse stadstaten vaak door zijn tussenkomst wist te verzoenen. De pausgezinde Noord-Italiaanse steden (de Welfen), beschouwden hem als hun leider, maar het opstandige Sicilië dat niet wou weten van zijn aanhechting bij Napels, bleef een vlek op zijn blazoen.

 Robert van Anjou trad ook op als beschermheer van paus Clemens V, die de pauselijke zetel verhuisde naar Avignon in 1309. Rome was toen een onveilig wespennest met rivaliserende aristocratische families en  de kerk stond sterk onder de invloed van de Franse koning Filips de Schone. Uiteindelijk zouden de volgende pausen allemaal Fransen zijn die zich vestigden in Avignon en in 1335 er het gigantische Palais des Papes lieten optrekken. Het graafschap Provence was toen al ingelijfd bij Anjou. In 1377 keerde de paus terug naar Rome, maar dat was van korte duur, omdat de kardinalen het in conclaaf niet eens konden worden over wie de nieuwe paus zou worden, wat leidde tot het Westers schisma met een paus in Rome, die erkend werd door het Heilig Roomse Rijk, Engeland en Noord-Italië en een paus in Avignon die de steun kreeg van Frankrijk, Napels, Aragon en Bourgondië. Het gevolg was een regen van wederzijdse excommunicaties. Die schizofrene toestand zou blijven duren tot in 1417 op het concilie van Konstanz, waar de bestaande pausen de plaats moesten ruimen voor de nieuwe paus Martinus V. 

 

Simone Martini, portret van Robert van Anjou, koning van Napels

Belangrijke rol van Sicilië uitgespeeld in 14de eeuw

Algemeen wordt aangenomen dat na de Siciliaanse Vespers de teloorgang van het eens zo rijke en welvarende Sicilië werd ingezet. Met stadstaten als Syracuse en Agrigento in het oosten en zuiden die deel uitmaakten van Magna Graecia was het de schakel die de Romeinen met de rijke Griekse cultuur lieten kennismaken. In het Romeinse Rijk was het voor de miljoenenstad Rome daarna een tijdlang samen met Egypte de graanschuur. Onder de Arabieren, de Normandische Hautevilles en de Hohenstaufen was het de bakermat van een mediterrane, tamelijk diverse cultuur, maar nu werd het geregeerd vanuit Barcelona in het verre Spanje en zakte het gevoelig in de belangstelling van de regerende vorsten, Intussen was het zwaartepunt van de handel in de Middellandse Zee, de koopvaardij en de economische welvaart al een tijdje naar de Noord-Italiaanse steden Genua, Pisa, Firenze en Venetie en naar de Vlaamse en Duitse Hanzesteden verschoven en waren Messina en Palermo gedegradeerd tot havens die als tussenstop op de handelsroutes dienst deden.  

 

Tot overmaat van ramp meerden in 1347 in Messina enkele Genovese schepen aan die van Kaffa kwamen, een handelspost op de Krim met aan boord alleen maar doden en een doodzieke bemanning die onder afgrijselijke gezwellen zat. Zij waren het die de pest die al in Azië had huisgehouden langs de Zijderoute naar Sicilië brachten.  Stedelingen vluchtten naar het binnenland, maar daar bleek dat ook ganzen, schapen en koeien besmet waren. Uiteindelijk zou naar schatting de helft van de Siciliaanse bevolking onder deze erg besmettelijke ziekte bezwijken. Enkele maanden later teisterde de pandemie ook de steden in Noord- en Midden-Italië. In zijn Decamerone, die hij schreef in 1352, geeft Giovanni Boccaccio een levendige beschrijving van hoe de ziekte zich ontwikkelde: ze begon met gezwellen in de liesstreek en de oksels, die zich over het hele lijf verspreiden en daarna plaats maken voor zwarte en grauwe vlekken. Volgens zijn getuigenis had ze al in 1348 Firenze bereikt en maakte op enkele maanden tijd honderd duizend dodelijke slachtoffers, waarna de stad zo goed als leeg liep. De pest zou in golven terugkeren tot in de 18de eeuw. Pas tegen het einde van de 19de eeuw werd ontdekt dat beten van vlooien die op ratten en andere knaagdieren leven de ziekmakende bacterie overbrachten op mensen.   

 

Pest in Firenze met Petrarca op voorgrond

Sicilië onder het huis van Aragon

De Aragonese dynastie regeerde over een gebied dat zich uitstrekte rond het Westelijke deel van de Middellandse zee, van Valencia tot in Zuid-Frankrijk en over eilanden als de Balearen, Malta, Sicilië en later ook Sardinië. Sicilië was het verst gelegen van het bestuurlijke centrum in Barcelona en Zaragossa en werd geregeerd door een onderkoning, terwijl de koning in Aragon verbleef en vooral veel oorlog voerde. De lokale Siciliaanse baronnen zetelden nog wel in een parlement in Palermo maar hadden weinig inspraak en werden gesust met wat privileges. De onderkoning besliste. De belangrijkste vorst van Aragon was de ambitieuze Alfons V, die regeerde van 1416 tot 1468,  ongeveer in de periode dat de Nederlanden onder de hertogen van Bourgondië een hoge bloei kenden en de macht van de Franse koningen een dip kende omdat ze tot in 1453 met Engeland in de Honderdjarige Oorlog verwikkeld waren. Zowel het Engelse koningshuis Plantagenet als het Franse adellijke huis Valois eisten namelijk de Franse troon voor zich op. Alfons V zou in 1420 Sardinië kopen, maar zijn poging om Corsica in te lijven stuitte op hevig verzet van Genua. In 1442 zou hij Zuid-Italië en Napels bij zijn rijk inlijven nadat hij een alliantie van de pauselijke staten, Venetië en Firenze had verslagen. Sicilië en Zuid-Italië vormden onder Alfons V van Aragon weer één koninkrijk, maar Palermo moest de plaats ruimen voor Napels als hoofdstad. Alfons V vestigde er zijn hof, leefde er met opeenvolgende minaressen met wie hij drie kinderen had en liet Aragon besturen door zijn vrouw, Maria, die kinderloos bleef. Het iconische en imposante Castelnuovo in Napels werd door hem gebouwd. Als katholieke vorst voerde hij ook oorlog tegen de Ottomanen die in 1453 Constantinopel hadden ingenomen. Maar vreemd genoeg liet hij zijn rijk, inclusief Sicilië aan zijn broer Juan II over, terwijl hij het koninkrijk Napels aan zijn bastaardzoon Ferrante schonk. Sicilië en Napels waren weer even gescheiden. 

Alfons V van Aragon

-------------------------------------

Ik laveer tussen de voetgangers en de paardenkoetsen met (meestal Amerikaanse) toeristen van de Maqueda naar de stationsbuurt, waar ik me een gigantische gelato van limone, pistache en moka bestel. Hij is als balsem op mijn droge mond en de smaken zijn zo intens dat ik mijn ogen dichtknijp om ervan te genieten op een speciaal daarvoor gekozen zitbank in een parkje met mijn fiets op de pikkel voor me. Aangekomen bij mijn nieuwe hotel is de avond al gevallen. Na mijn douche begeef ik me naar de Maqueda, want ik wil ergens op een terras voor het eerst een Negroni proeven. Lekker is hij niet, maar hij komt wel hard aan. Maar morgen hoef ik toch niet te fietsen.