10 september: Van Bivona naar Bagnara Calabra
‘s Anderendaags ga ik nog een kijkje nemen op de prachtige baai vanop het strand van Bivona waar nu hooguit een drietal bejaarde badgasten op hun strandstoel onder een parasol naar de zee turen. Een blauw geverfd muurtje en enkele oleanderstruiken scheiden het strand van het dorpsplein en een mysterieus dakloos betonnen terras op het strand, met grote gaten voor vensterramen, waarvan me volkomen onduidelijk is waarvoor het ooit zou hebben gediend zet de serene desolaatheid van het plaatsje in de verf, waar toeristen en horeca afwezig of vergeten zijn en de oude glorie van een Albergo zijn beste tijd gehad heeft.
In een kruidenierswinkeltje in het dorp koop ik me enkele maaltijdrepen om wat energie op te doen voor de beklimming die volgt. Mijn plan is om niet langer de kust te volgen naar de drukke beach pleisterplaatsen Tropea en Capo Vaticano, maar in een rechte lijn zuidwaarts door het binnenland te trekken en weer bij de kust te belanden in Palmi. Daarmee vermijd ik de meest toeristische strook van de in totaal 800 km Calabrese kust. De weg die ik kies is 20 km korter, maar achteraf beschouwd zeker niet minder lastig. Een volwaardig ontbijt ben ik van plan in Vibo Valentia te nemen, 11 km verderop, maar 500 meter hoger. Het wordt een helse beklimming langs de SS118, gelukkig vaak in de schaduw van de bomen, want de zeebries in Spiaggia Bivona had me even doen vergeten hoe warm het die dag zou worden. De anderhalve liter water die ik bij de kruidenier heb gekocht, heb ik helemaal opgedronken als ik in de stad aankom. Zo’n abrupte klimpartij zonder aanloop op een halflege maag valt me bijzonder zwaar. Als ik de stad eindelijk binnnenrijd na meer dan een uur klimmen doemt een cafetaria voor me op waar ik door de grote ramen de koeltoog vol de lekkerste klaargemaakte schotels, rijkelijk belegde broodjes, focaccia’s en pizza’s zie. Ik zet mijn fiets op slot met de fietszakken goed zichtbaar voor het raam en storm naar binnen, naar de kassa, want het is eerst betalen en dan pas bestellen, zoals vaak in Italië. Ik heb nauwelijks de menukaart bestudeerd en bestel lukraak twee broodjes, want het is dringend. Ik wil de hongerklop voor zijn. Ik ga op een barkruk zitten aan een toog met zicht op mijn fiets, werk de broodjes naar binnen en kom tot rust. 500 hoogtemeters met alleen enkele maaltijdreepjes in mijn maag: dat zou me niet meer overkomen, zweer ik. Naast me komt een priester in een soutane zitten. Hij spreekt voorwaar begrijpelijk Italiaans en is een zwakbegaafde uit zijn instituut de les aan het spellen. De arme stakker had blijkbaar zonder toelating de instelling verlaten en nu dreigen er sancties. Dat wist hij toch! Met gebogen hoofd staat de geïnterneerde onderdanig de preek te aanhoren en kijkt nu en dan eens heel even schichtig vanuit zijn ooghoeken op. Het lijkt een scene uit mijn allerprilste jeugd, uit een ver verleden: een geestelijke in soutane die ongestoord in het openbaar zijn onbetwist, paternalistisch gezag kan laten gelden.
Vibo Valentia: De Duomo di Santa Maria Maggiore e San Leoluca en het monument voor Luigi Razza
Als ik Vibo Valentia verlaat ga ik nog even een kijkje nemen bij de Duomo di Santa Maria Maggiore e San Leoluca, die overschaduwd wordt door een torenhoog monument ter nagedachtenis van ene Luigi Razza, dat werd opgetrokken in 1938.
Het monument voor een voormalig fascistisch minister
Het torenhoge monument naast de Dom werd gebouwd voor een fascistisch minister die zijn thuisbasis had in Vibo Valentia. Razza was een fascist van het eerste uur die deelnam aan de Mars op Rome in 1922 die Mussolini aan de macht bracht. Onder het fascisme was hij een gevierd organisator van fascistische landbouwcorporaties en hij was zelfs even minister van Openbare werken, maar stierf vroegtijdig in 1935 in een vliegtuigcrash. Nooit werd er ook maar even actie ondernomen om dit monument af te breken na de oorlog. Het hoort nog steeds tot de officiële bezienswaardigheden van het stadje.
De omgang met het fascistisch verleden in de jonge republiek Italië na de oorlog was wat tweeslachtig, maar toch zat er een zekere lijn in. Afbeeldingen van Mussolini en expliciete fascistische propaganda werden verwijderd, maar niet alle herinneringen aan het regime werden uitgewist (damnatio memoriae). Er werd een onderscheid gemaakt tussen het schrikbewind onder de Duitse bezetting en de Italiaanse Sociale Republiek tussen 1943 en het fascisme onder Mussolini voor de oorlog. En Razza, die al stierf in 1935, wordt gewoon geframed als een technocraat, een bestuurder onder het fascisme. Bovendien is het meestal de stedelijke overheid die beslist of een fascistisch monument al dan niet verwijderd moet worden. In steden waar links lang bestuurde zijn nog maar weinig monumenten of symbolen te vinden die refereren aan het fascisme. Onder katholiek of conservatief bestuur zoals hier in Vibo Valentia is dat duidelijk niet het geval. Calabrië is een regio waar 'centrodestra' (rechts) sinds 1995 maar twee keer niet de regionale verkiezingen won.
-----------------------------
Terwijl ik richting Mileto fiets, brandt de middagzon ongenadig en hier op het plateau is geen schaduw. Lastige stukken langs de SS118 zijn er gelukkig niet en na 5 km begint een kilometerslange afdaling naar Mileto. Gek genoeg brengt de wind in de afdaling nauwelijks enige koelte, het is alsof mijn hoofd voor een heteluchtoven hangt. Ik blijf maar zweten. Als ik de stad binnenrijd, valt me op dat het naambord Mileto doorzeefd is met … kogelgaten. Wil de maffia hier duidelijk maken dat bezoekers hun territorium betreden of is dit gewoon macho cowboygedrag van het mannenvolk alhier dat wil bewijzen dat ze zich niet storen aan vertegenwoordigers van de wet of de overheid?
Het stadje ligt er verlaten bij. Door de verzengende hitte valt er op straat zelfs geen hond of kat te bespeuren. Ik houd halt bij het marktplein. Een kerk opzoeken lijkt me een goed idee, al was het maar voor de koelte. Ver moet ik niet zoeken. De Dom van Mileto, ligt 100 meter verder en toornt boven de hele stad uit. Hij is vrij recent, van 1930 en is gewijd aan San Nicola di Bari en de Santa Maria Assunta.
De Dom van Mileto
De vorige dom werd verwoest in aardbevingen in 1905 en 1908 en die werd pas amper 80 jaar eerder ingezegend, in 1823, nadat de vorige ook al met de grond gelijk was gemaakt door de aardbeving van 1783. Hoewel buitenproportioneel groot voor een klein stadje als Mileto, heeft hij weinig kunsthistorisch te bieden, maar des te meer koelte. Even verderop naar het oosten op twee heuveltoppen ligt de site van Mileto antico, anders dan de naam laat vermoeden, geen oud-Griekse, maar een middeleeuwse archeologische site, waar je ruïnes van de middeleeuwse stad met zijn abdij, zijn bisschoppelijk paleis en kerken kan ontwaren. Eveneens allemaal vernietigd in opeenvolgende aardbevingen. Het oorspronkelijk stadje werd gesticht in de elfde eeuw door Roger de Hauteville, de Normandische vorst van deze regio, die er een versterkte burcht liet bouwen. Op het grote plein voor de kathedraal, al even buitenproportioneel, bevindt zich een Mariabeeld bovenop een hoge zuil.
Weinig tijd heb ik niet om dit stadje te bezoeken, dat me door de stijl van de huizen, het smeedwerk voor de ramen en van de balkonnetjes soms doet denken aan Andalusië. Maar uiteraard roept die ondraaglijke hitte ook Zuid-Spaanse herinneringen op. Het is de eerste keer dat ik me in het binnenland van Calabrië waag buiten de koelte van de Tyrrheense zeebries. Het is 10 september en een thermometer van een apotheek geeft hier 40° aan. Bomen planten zijn ze hier in Mileto duidelijk vergeten. Het stadje is een bakoven van gebetonneerde straten, muren en daken. Wat groen en vooral wat bomen zou de leefbaarheid hier aanzienlijk verbeteren, komt het in me op. Ik vul mijn drinkbus bij een fonteintje en rij verder zuidwaarts richting Rosarno.
Rosarno: het verhoor
De zon brandt ongenadig hard en ik voel dat mijn hoofd steeds suffer wordt onder mijn fietshelm. Als ik Rosarno binnen rij, groeit het besef dat het voor mijn eigen welbevinden geraden is om even de schaduw op te zoeken, weg van deze bakoven. Plots komt van de overkant van de straat uit een garage een man op me af en roept wild gesticulerend “troppo caldo per fare la bice, viene” (‘het is te warm om te fietsen, kom mee’) en hij wenkt mij naar het barterras aan de overkant. “Che idea di pedalare con questo tempo” zegt hij hoofdschuddend, terwijl hij plaatsneemt aan een tafel onder een ventilator en mij uitnodigt. Hij biedt me een drink aan en stelt zich voor, Enzo, een gommista, ongeveer mijn leeftijd schat ik. Zijn bandencentrale bevindt zich aan de overkant. En dan begint hij vragen op me af te vuren. Hij kan er maar niet bij dat iemand op een fiets zich in het binnenland van Calabrië waagt. Veel te bergachtig toch en wat valt hier te zien? In Rosarno, niets toch? Naar de zee moet ik, daar is het klimaat beter en zijn er badplaatsen met voorzieningen voor toeristen. Ik beaam alles en probeer hem uit te leggen dat ik een shortcut maak om niet via de kust langs Tropea te hoeven rijden, want die weg maakt een wijde boog en is veel langer dan de SS118 over Mileto en Rosarno. Waar wil ik slapen vanavond, wil hij weten. Even verder langs de kust, zeg ik. Hij raadt me enkele plaatsen aan en begint me uit te vragen over mijn beroepsleven. Als ik uiteindelijk laat vallen dat ik ook journalistiek bezig was, wil hij weten of het de bedoeling is om over Calabrië iets te schrijven. De toeristische bezienswaardigheden kan ik toch moeilijk allemaal met een fiets gaan bezoeken. Hij vindt het o zo vreemd dat ik deze route door het binnenland gevolgd ben. Ik maak er me vanaf met de bewering dat ik niet van plan ben om over Calabrië iets te schrijven. Hij lijkt wat gerustgesteld en begint over zijn leven als zeeman op de lange omvaart en hoe hij uiteindelijk naar Rosarno is teruggekeerd. Hij heeft het wat over het Engelse koningshuis, wat voor een feeks hij Camilla, de gemalin van Charles, vindt en als we afscheid nemen gaat hij me nog even voorstellen aan de mollige barmeisjes op een manier waar mijn maag van keert. Als ik een van de twee meisjes zou moeten kiezen, wie van beide zou ik nemen? vraagt hij. Ik heb daar nu te weinig tijd voor, zeg ik en ik ken ze nauwelijks. Wat vraag je me nu, Enzo? Geen van beiden, niet, want ze zijn te dik, antwoordt hij zelf en buldert het uit, terwijl de meisjes ongemakkelijk en met een ontredderd gezicht wegkijken. Afrekenen doet hij niet, de bar blijkt ook van hem te zijn. Na zijn smakeloos grapje en de kleinerende behandeling van zijn personeel wil ik zo snel mogelijk uit zijn buurt weg. Je bent een harteloos, zielig macho varken, Enzo. Wie behandelt zijn personeel nu zo? Dat zeg ik niet, dat denk ik. Ciao Franco roept hij nog vanuit zijn garage. Ik zwaai nog even zonder hem een blik te gunnen en vertrek.
Ndrangheta in Rosarno
Het is wat bewolkter geworden en de zon steekt minder, maar het blijft broeierig. Het vragenhalfuurtje van Enzo doet me denken aan wat een Calabrees die ik ken, de zoon van een Limburgse mijnwerker, me ooit zei over Calabrië: ze regelen er hun zaakjes onder elkaar, willen geen pottenkijkers, ook niet uit Rome en willen er vooral gerust gelaten worden. Na wat onderzoek ontdek ik dat Rosarno op zijn minst wat maffiafiguren en -families heeft voortgebracht.
De Capo Crimine van de Ndrangheta, Domenico Oppedisano woonde in Rosarno en genoot de steun van de Pesce-clan uit Rosarno, maar werd in 2010 gearresteerd.
Een verband met het halfuurtje opdringerige vragen die Enzo op mij afvuurde is misschien wat ver gezocht, misschien ook niet. In elk geval, ik wil hiermee geen fiets- en andere toeristen schrik aanjagen. Ze hebben in Calabrië niets te vrezen. De maffia houdt zich bezig met drugs- en wapenhandel, vastgoed, het bouwbedrijf en heeft een stevig aandeel in de plaatselijke economie, maar laat de toeristen met rust, ook al zijn ze nieuwsgierigen liever kwijt dan rijk.
Domenico Oppedisano
Gioia Tauro, een haven gecontroleerd door de maffia
Even later rij ik langs de gigantische containerhaven van Gioia Tauro, de grootste in zijn soort van Italië en de nummer 9 van Europa. Ook in deze haven heeft de maffia een dikke vinger in de pap. Volgens een rapport van het ministerie van Binnenlandse Zaken (antidroga.interno.gov.it) werd van de 14 ton ontdekte cocaïne die in 2021 overzee Italië was binnengekomen 97% in de containerhaven van Gioia Tauro in beslag genomen. 14 ton onderschepte cocaïne doet Antwerpenaars alvast niet meer opschrikken, nu er in hun haven alleen al in 2023 ongeveer het tienvoud werd ontdekt. Zo uitzonderlijk veel cocaïne komt er in Gioia Tauro Italië dus niet binnen, tenzij de handelaars er natuurlijk in slagen om dat veel ongemerkter te doen. De bouw zelf van de haven werd door bedrijven uitgevoerd die in handen zijn van de Ndrangheta.
Maar uit een rapport van de Italiaanse Antimaffia Commissie blijkt ook dat de Ndrangheta ongeveer alle interne activiteiten van deze haven en onderaannemingen controleert, ‘van de verdere distributie tot de containeropslag en de expeditieadministratie voor de douane tot aanwervingen en contacten met de havenvakbonden’. En nu komt het. De ndrine (familienetwerken) in kwestie zijn de beruchte Pesce en Bellocco clans uit Rosarno, en de Piromalli-Molé-clan uit Gioia Tauro. Deze clans controleren overigens de meeste activiteiten aan de Tirreno. Aan de zuidkant van de containerterminals is er een aansluiting op de autosnelweg E45, die hier dicht bij de zee loopt.
E45
Ook in de bouw van de snelweg tussen Salerno en Reggio di Calabria heeft de Ndrangheta een hand. Ze infiltreerde in de bouw- en wegenwerkenbedrijven die de aanleg voor hun rekening namen, manipuleerde de aanbestedingen en zette hen aan om minderwaardige materialen te gebruiken om de winsten op te drijven. Publieke middelen verdwenen spoorloos, waarop juridische vervolgingen de herstelwerken verder vertraagden. Naast slechte afspraken tussen regio en nationale administratie en tekortschietende financiering leidde dat lange tijd tot de jammerlijke staat waarin de E45 zich bevond.
Kortom, de Ndrangheta heeft bij de overheid van lokaal tot bovenlokaal haar pionnen geplaatst die ervoor zorgen dat aanbestedingen en overheidsopdrachten steevast naar door hen gecontroleerde bedrijven gaan. De jongste decennia hebben de Ndrine familiebanden in Noord-Italië, Duitsland, Nederland, Frankrijk, België tot zelfs in Australië en Columbia uitgebouwd. Dat heeft hen geen windeieren gelegd. Vandaag controleren ze dankzij hun relaties met de Colombiaanse cocaïnekartels het grootste deel van de cocaïnetrafiek van Colombia naar Europa en wordt de omzet van de organisatie op 50 miljard euro en meer geschat. Het geld uit de drugshandel wordt witgewassen in Noord-Italiaanse, Nederlandse en Duitse bouwondernemingen, pizzeria’s en restaurants. In het Oosten van Calabrië komen de maffiafamilies als de Pelle, de Vottari’s uit de dorpen San Luca, Gioiosa Ionica, Plati en Siderna. Intussen heeft de Italiaanse politie ook de hulp van Europol en Eurojust ingeroepen en deelt ze haar informatie over de organisatie met internationale speurders.
Catanzaro zou zowat de nieuwe hoofdstad zijn van de Ndrangheta. Die eer viel vroeger Reggio di Calabria te beurt. Vandaag is de Ndrangheta machtiger dan de Napolitaanse Camorra of de Siciliaanse Cosa Nostra.
Voorbij de containerhaven kom ik bij het badplaatsje Gioia Tauro dat een prachtig strand heeft, maar tijd om hier even te verwijlen heb ik niet. Wat verderop maakt het strand plaats voor een rotskust en gaat het weer bergop, waarvoor Enzo me had verwittigd en dus heb ik als voorzorg wat bananen en maaltijdrepen ingeslagen. En dat blijkt nodig want wat volgt is een kilometerslange klim naar het stadje Palmi en daarna nog eens naar een heuveltop in Sant Elia di Palmi, op 550 meter. Een groot deel van de klimpartij gebeurt onder het bladerdek van een bos, gelukkig maar. Op de top word ik beloond met in het oosten een zicht op de indrukwekkende bergkammen van de Aspromonte. Het ijle gevoel in mijn hoofd na een tweede zware inspanning brengt me in een roes, die ik even laat uitwerken. De endorfines die in mijn afgejakkerde lijf vrijkomen, hullen mijn waarneming van de paars gekleurde bergen en de nevels over de valleien in een dromerige waas van gelukzaligheid. Ik ledig mijn drinkbus en eet gulzig het weinige aan repen op dat me nog rest. Het kan nu alleen nog snel bergaf gaan naar mijn eindbestemming, Bagnara Calabra. Na enkele bochten zie ik enkele auto’s halt houden bij een panoramisch uitkijkpunt. Ik stop ook even. Het uitzicht over de Costa Violetta zoals deze baai tussen de bergen wordt genoemd, is adembenemend. Bagnara ligt helemaal beneden als een lichtbaken in het schemerdonker. Ik vervolg mijn afdaling waar maar geen eind lijkt aan te komen. De eerste wat armere volkswijken zijn tegen de helling op gebouwd. Er hangt een feestelijke sfeer, want het is vrijdagavond. De terrasjes van de volkscafés zitten bomvol. Als ik uiteindelijk in een wirwar van straatjes beneden aankom, is het b&b makkelijk te vinden, want het ligt op enkele tientallen meter van de promenade langs de zeedijk. Dit is het wat mondainere, toeristische deel van het stadje, dat hier bijna plompverloren tussen zee en bergen ligt. Hoog in de bergen is de E45 zichtbaar en wat lager loopt er een spoorweg en natuurlijk ook de Strada Statale 18 die ik heb afgefietst.
Het was een zware dag met 1250 hoogtemeters en voor september ongewoon hoge temperaturen. Onder de douche hef ik ‘Happy Birtday to me’ aan, want het is vandaag mijn verjaardag. Ik trek mijn beste short aan, een kleurige polo en mijn sandalen en begeef me linea recta naar het visrestaurant op de hoek van mijn straat en de zeedijk. Want zonder ook maar de menukaart te bekijken weet ik blindelings wat ik wil: pesce spada, zwaardvis, die hier tot in Palermo gevist wordt.
Spada
Bagnara heeft een traditie van zwaardvis vissen met felucca’s, vreemde vissersboten - die geen uitstaans hebben met de gelijknamige nijlboten - die uitgerust zijn met een hoge uitkijktoren op een 25 meter hoge mast en een even lange loopbrug die vooraan aan de boeg is bevestigd. In de uitkijktoren gaan drie man postvatten om de heldere zee te overschouwen naar zwaardvissen die dicht bij de oppervlakte zwemmen. Op het uiteinde van de loopbrug neemt een visser plaats met een harpoen die wat lijkt op de drietand van de zeegod Posseidon maar wel vijf of zes tanden heeft. Van zodra de torenwachters een zwaardvis hebben gespot, geven ze een sein aan de stuurman en de harpoenvisser vooraan op de loopbrug. De eerste stuurt de boot in de goede richting en de tweede maakt zich klaar om de vis op zijn harpoen te spiesen. Als dat lukt, wordt de vis vervolgens via een lijn die aan de harpoen is bevestigd, binnengehaald. Dat kan een zware karwei zijn want sommige zwaardvissen kunnen tot meer dan 300 kg wegen en vier meter lang worden. Die vistechniek heeft het voordeel dat de vis van op grote afstand kan worden waargenomen in het kraaienest en dat hij niet door de boot wordt opgeschrikt en wegzwemt, zodat de harpoenwerper er bijna bovenop kan komen, voor hij zijn harpoen in de vis mikt. Toch vergt het heel wat vaardigheid want de vissen kunnen behoorlijke snelheden halen, soms tot 90 km per uur. En bovendien kunnen ze erg agressief uit de hoek komen als ze een harpoen in zich krijgen. Er zijn verhalen bekend van zwaardvissen die met hun zwaard de plankbodem van kleine boten doorboorden.
felucca
Spada - niet diepgevroren dus, maar vers gebakken in de olijfolie met kleine tomaatjes, zwarte olijven, kappertjes en veel look, zoals ze dat hier lokaal bereiden. Tenminste, dat wordt de secondo piatto. De primo wordt een spaghetti met frutti di mare. Dat lijkt alles samen een wel hele zware maaltijd zo voor het slapengaan, maar het is niet alle dagen feest en ik schat dat ik vandaag weer tussen de 3500 en 4000 kcal heb verbruikt. De Siciliaanse witte wijn is lekker koel en valt diep. Al na één glas wordt het me licht in het hoofd. Na 10 minuten rukt een vrouwelijke cameriera met de spaghetti aan, waarop overvloedig scampi’s, mosselen, vongole en zelfs kleine inktvisjes en tomaatjes gestrooid liggen. Ik stort me op de pasta en met mijn reuzenhonger, altijd al de beste saus, heb ik moeite om het beschaafd te houden. De smaken en geuren van de zeevruchten bedwelmen me. Daarna volgt de spada. Heerlijk stevig van structuur en in pittige olijfolie met veel look. Ik vind look heerlijk, ook als de looksmaak na de maaltijd blijft hangen. Een dessert hoeft niet meer. Ik leeg mijn karaf wijn, betaal met mijn kaart en geef de cameriera een tip. Ze ruilt even haar professionele glimlach in voor een molto grazie en een glunderende smile en gunt me met haar donkere ogen een steelse blik. Daar kikkert een eenzame gast nog eens van op, zie. Ik maak een lekkere wandeling op de betegelde promenade onder de palmbomen en een fonkelende sterrenhemel. Even verderop laat ik het strand en de zee achter me en trek ik het stadje in, voorbij volle volksrestaurants en feestzalen. Kerken zijn er hier genoeg, maar eeuwenoud zijn ze niet. Alle gebouwen in Bagnara werden met de grond gelijk gemaakt bij de hevige aardbeving van 1783, die gepaard ging met een tsunami. Ik wandel zo’n uurtje rond. Dit is de laatste avond op het vasteland van de laars, morgen maak ik de oversteek naar Sicilië. Aangekomen op mijn kamer dol ik nog even met mijn vriendin op facetime. We vermaken elkaar met zotte fratsen. Dat kan, niemand kijkt mee.
Bagnara Calabra