Woensdag 15 september: Palermo, de erfenis van de Normandiërs
De absolute bloeiperiode van Palermo was in de elfde en twaalfde eeuw. Palermo was toen een metropool met een uitstraling die nauwelijks zijn gelijke niet kende in de christelijke wereld. Kronieken van Arabische reizigers vermelden dat alleen Constantinopel groter was en dat in de Europese moslimwereld alleen Cordoba in Andalusië met de rijkdom van Palermo kon wedijveren.
Roger II koning van Sicilië
Roger I van Hauteville was de twaalfde zoon van Tancred van Hauteville. Om de lezer makkelijker wegwijs te maken in de namenbrij heb ik hieronder een stamboom van de Hautevilles toegevoegd. Samen met zijn oudere broer, de hertog van Apulië en Calabrië, Robert Guiscard, begon hij aan de verovering van het emiraat Sicilië. In 1091 was ze voltooid en Roger werd vazal van zijn broer als graaf van Sicilië en vazal van de paus. Na zijn dood werd hij opgevolgd door zijn oudste zoon, de minderjarige Simon in 1101 die vier jaar later zelf ook stierf op twaalfjarige leeftijd, waardoor zijn jongste zoon, de tienjarige Roger II als troonopvolger aan de beurt was, weliswaar onder het voogdijschap van zijn derde vrouw Adelheid del Vasto die regentes bleef tot in 1113. In 1127 werd Roger II ook nog eens hertog van Apulië en Calabrië, nadat zijn neef, de voormalige hertog Willem II, kinderloos was gestorven. Toen na het grote schisma van 1053 tussen de Orthodoxe en Katholieke kerk ook nog eens binnen de katholieke kerk zelf een schisma ontstond in 1130, werden er twee pauzen verkozen, Innocentius II en Anacletus II. Roger koos de kant van deze laatste, terwijl Innocentius de steun kreeg van de keizer van het Heilig Roomse Rijk, Lotharius III. In ruil voor zijn steun liet Roger II zich door Anacletus tot koning van Sicilië kronen. Er volgden twee veldslagen waarbij Roger II het onderspit delfde tegen een coalitie van de keizer met Rainulf II van Alife en Robert II van Capua. Rainulf II werd hertog van Puglia en Calabria. Maar hij stierf in 1139, waardoor Roger II opnieuw hertog werd van Zuid-Italië. Nadat Roger II de pauselijke troepen van Innocentius bij Gallucio in een hinderlaag had gelokt en de paus gevangen had genomen, erkende deze in 1139 in het Verdrag van Mignano het koningschap van Roger II over Sicilië, zijn hertogschap over Puglia en Calabrië en werd hij ook prins van Capua. Het probleem met tegenpaus Anacletus II was inmiddels ook van de baan, want deze laatste stierf in 1138. Roger II liet net als zijn vader Roger I de bestaande inrichting grotendeels ongemoeid zoals die onder de Arabieren bestond. Militair steunden ze op de vaardigheid van de Grieken om een vloot uit te bouwen. Maar de eigendomsverhoudingen bleven Normandisch en feodaal. De landadel kreeg haar gronden in leen van de koning, die centralistisch bestuurde vanuit Palermo.
Ook na de vrede met de paus Innocentius bleef de ambitieuze Roger niet stilzitten. Naast Byzantium en het Heilig Roomse Rijk, moest het Koninkrijk Sicilië een derde grootmacht worden. Gaandeweg veroverde zijn Syrische admiraal en niet onbesproken veldheer Georgios van Antiochië nederzetting na nederzetting op de Noord-Afrikaanse kust in het huidige Tunesië en Libië. Hij waagde zich ook aan invallen op de Griekse kust van Byzantium. Zo verwoestte hij Korinthe, plunderde hij Athene en nam Thebe in en voerde de befaamde zijdewevers uit die stad als slaven naar Palermo mee waar ze aan het hof een atelier begonnen voor de koninklijke gewaden. Georgios liet op de Piazza Bellini een kerk bouwen, die hij bekostigde met een deel van de opbrengst van zijn vele plundertochten. Hijzelf staat er afgebeeld in mozaïeken, terwijl hij knielt voor de Heilige Maria.
De volgende dag trek ik meteen weer de Via Maqueda in, ditmaal met mijn fiets tot ik aankom bij een historisch gebouw met getande kantelen en drie moorse koepels op het dak. Ik waan me even in Noord-Afrika of het Midden-Oosten. Een bordje vertelt me dat dit de Chiesa di San Cataldo is. Nooit gedacht dat dit een kerk was.
De Piazza Bellini
San Cataldo
De Chiesa di San Cataldo werd gebouwd in de twaalfde eeuw in opdracht van Maio di Bari, een admiraal van Willem I, de Normandische opvolger van Roger II. De inwijding gebeurde in 1160 en Maio gebruikte de kerk als zijn privé-kapel. Na zijn dood kwam ze in handen van het aartsbisdom van Monreale en in de jaren 1930 werd ze overgedragen aan de ridderorde van het Heilig Graf.
Chiesa di San Cataldo op Piazza Bellini
De Ridderorde van het Heilig Graf, de Milites Sancti Sepulcri, werd opgericht tijdens één van de kruistochten door niemand minder dan onze Godfried van Bouillon. De oorspronkelijke Kerk van het Heilig Graf in het Christelijke gedeelte van Jeruzalem werd gebouwd door de christelijke Romeinse keizer Constantijn op de site van de Calvarieberg, waar Christus werd gekruisigd en de plaats van het graf waaruit hij is verrezen. Sinds de vierde eeuw is het een belangrijk pelgrimsoord voor zowel katholieken als Grieks-orthodoxe christenen. Toen de site in handen viel van de eerste moslimheersers, behandelden ze de kerk met respect, maar onder de Fatimidische kaliefs werd ze in 1009 dan toch vernietigd in een anti-christelijke campagne. De reactie in de Christelijke wereld was furieus en was een belangrijke drijfveer voor de kruistochten om het Heilige Land te heroveren, maar ook om in voormalige christelijke territoria als Egypte, Syrië en het Turkse Anatolië een eind te maken aan de moslimexpansie. De directe aanleiding was de vraag van de Byzantijnse keizer Alexius I Commenus in 1095 om hulp tegen de raids van de Turkse Seltsjoeken, die een bedreiging vormden voor Constantinopel en in 1073 Jeruzalem hadden veroverd op het Egyptische kalifaat van de Fatimiden. Bovendien hadden ook Byzantijnse patriarchen in Alexandrië (Egypte), Antiochië (Syrië) en Jeruzalem te lijden onder het repressieve beleid van de Seltsjoeken. Op een synode in Clermont-Ferrand in 1095 riep paus Urbanus II toen op tot een kruistocht voor de bevrijding van het heilig land en de christenen in het Midden-Oosten en beloofde een aflaat voor alle zonden aan de deelnemers. In 1099 veroverde het christelijke leger onder leiding van Godried van Bouillon, Raymond van Toulouse, Robert II van Normandië en een Italiaans-Normandisch leger onder leiding van Bohemond van Taranto, zoon van Robert Guiscard de Hauteville, Jeruzalem, dat inmiddels weer in handen was gevallen van de Fatimiden. De verovering ging gepaard met massale moordpartijen door de christenen onder de moslim- en Joodse bevolking van de stad. De Joden, zo bleek, hadden aan de zijde van de moslims gevochten tijdens de belegering van de stad en dat kwam hen duur te staan. De christelijke bewoners van Jeruzalem kregen het bevel van de Fatimidische gouverneur Iftikhar Al-Daulah om de stad te verlaten vooraleer de kruisvaarders hun aanval zouden inzetten. Eenmaal veroverd werden een aantal steden een tijdlang christelijke bolwerken. Bohemond van Taranto lijfde Antiochië in, Boudewijn van Boulogne bleef in Edessa en Godfried van Bouillon regeerde een tijdlang in Jeruzalem.
In de negentiende eeuw werd de San Cataldokerk heel even als postkantoor ingericht, maar werd in 1882 in zijn oorspronkelijke staat hersteld door Giuseppe Patricolo. Het is toen dat de koepels hun donkerroze kleur kregen, omdat Patricolo vaststelde dat die kleur frequent voorkwam in de Arabisch-Normandische bouwstijl uit de 12de eeuw. Binnenin maakt de driebeukige kerk in blote steen een sobere indruk. De beuken zijn gescheiden door Byzantijnse arcaden die rusten op Korinthische zuilen. De buitenmuren zijn grotendeels blind en hebben alleen bovenaan onder het dak kleine vensters. Als een voorbeeld van de unieke Arabisch-Normandische stijl maakt de kerk deel uit van het Unesco World Heritage
Santa Maria dell'Ammiraglio, San Nicola dei Greci, La Martorana
Santa Maria dell’Ammiraglio
Gescheiden door enkele palmbomen en een prachtige klokkentoren staat pal naast de Cataldo een tweede kerk die ook al werd gebouwd in opdracht van een admiraal: de Santa Maria dell’Ammiraglio. De Ammiraglio (de admiraal) in kwestie was de hierboven vermelde Syriër Georgios van Antiochië, die diende onder Roger II, een gebied langs de Noord-Afrikaanse veroverde en rijkdom wegsleurde uit geplunderde Griekse steden, waarmee hij onder meer de bouw van deze kerk bekostigde. In 1221 ging de kerk over in Byzantijns beheer en sindsdien is haar officiële derde naam San Nicolo dei Greci en wordt de mis opgedragen volgens de Grieks-orthodoxe ritus in het oud Grieks of het Albanees. Vandaag is ze de parochiekerk van de 15.000 leden tellende Albanese gemeenschap van Palermo, die net als die in Calabrië in de vijftiende eeuw vluchtte uit haar thuisland voor de invasie van de Islamitische Ottomanen. Later in de vijftiende eeuw werd ze onder het Spaanse Bewind van koning Alfonso gebruikt als kapel voor het klooster van de Benedictijner nonnen dat door Eloisa Martorana werd gesticht, die de opdracht voor het barokke gedeelte voor hun rekening namen. Vandaar dat ze ook wel eens La Martorana werd genoemd. In 1866 hield het klooster op te bestaan en in 1937 wordt de mis er weer volgens de Byzantijnse ritus opgedragen. De linkerkant van de kerk is nog steeds in Arabisch-Normandische stijl, maar de rechterkant van de gevel die op de piazza uitkijkt, is in barokstijl uitgevoerd en is de voorkant van twee traveeën die tussen de twaalfde-eeuwse kerk en de losstaande klokkentoren in werd gebouwd.
Binnenin is het twaalfde eeuws gedeelte van de kerk in tegenstelling tot de sobere San Cataldo een orgie van schitterende twaalfde-eeuwse Byzantijnse mozaïeken met op de muren afbeeldingen van Sint-Joris en Roger II die door Christus wordt gekroond op de muren en in de koepel een Christus Pantocrator met de vier aartsengelen met daaronder de profeten, de evangelisten en Maria bij de geboorte van Christus op de gewelven naast de koepel. Goud en hemelsblauw domineren dit harmonieuze geestelijke universum . De achtergrond van de hemel is goudkleurig, de sterrenhemel en de gewaden van Christus en Maria en de vleugels van de engelen zijn blauw.
Santa Maria dell'Ammiraglio, 12de eeuwse mozaîeken en 18de eeuwse fresco's in de achtergrond
In het recentere barokke gedeelte zijn de muren beschilderd met 18de eeuwse fresco’s en met heiligenportretten in cartouches die aansluiten op de ikonen van heiligen in een vrij geslaagde poging om de barokke fresco’s te laten aansluiten op het twaalfde-eeuwse byzantijnse universum. Een van de fresco-schilders was de in Antwerpen geboren Guglielmo Borremans, die eerst naar Rome en daarna naar Zuid-Italië trok. Naast het fresco in deze kerk schilderde hij ook werken in opdracht van de Calabrische Franciscanen in Cosenza en voor de Santa Catarina a Formiello-kerk in Napels. Maar de meeste fresco’s schilderde hij voor barokke kerken in Palermo en elders op Sicilië zoals de Basilica di Santa Maria Assunta in Alcamo, de Chiesa delle Anime Sante in Enna, de Chiesa dell'Assunta di San Giuseppe dei Teatini en deze Santa Maria dell’Ammiraglio in Palermo.
Santa Maria dell'Ammiraglio, barokke deel
Santa Caterina d’Alessandria
Aan de overkant van San Cataldo en de Santa Maria dell’Ammiraglio werd in de tweede helft van de zestiende eeuw de Santa Caterina d’Alessandria d’Egitto opgetrokken. De gevel is renaissancistisch met een dubbele trappenpartij die naar de ingang leidt, een gevel met een kroonlijst die op Korintische pilasters rust en een gebogen fronton erbovenop. Katerina van Alexandrië beschermde tegen de pest en was een model van kuisheid. Ze beloofde Jezus maagd te blijven en weigerde onder druk van keizer Maxentius, die verliefd op haar was, om haar geloof af te zweren. Onder bescherming van de Heer hadden ongeveer alle pogingen om haar op andere gedachten te brengen een averechts effect. De filosofen die haar moesten overtuigen haar geloof af te zweren, bekeerden zich tot het christendom, het rad dat haar moest verpletteren, werd getroffen door de bliksem, het vuur van de brandstapel sloeg over op de beulen. Toen ze dan toch werd onthoofd, genas de melk die uit haar wonde stroomde de stad van de pest. Engelen brachten haar lichaam naar de Sinaiberg, waar Mozes de tien geboden van God had ontvangen. In de de zesde eeuw werd aan de voet van de berg het versterkte orthodoxe Katharinaklooster gebouwd, beroemd om zijn Griekse, Arabische en Koptische handschriften uit de eerste eeuwen van het Christendom.
Het interieur van de Santa Caterina d’Alessandria is barok en overweldigend met zijn zes kapellen met altaar en geschilderde altaarstukken en met zijn vele ornamenten zoals bas-reliëfs in stucwerk en marmer, beelden in nissen, medaillons en veelkleurig marmeren inlegwerk. 18de eeuwse fresco’s domineren het plafond en de koepel, die pas in 1750 werd voltooid. Het gewelf van het schip toont een fresco met de triomf van de heilige Catharina en in de koepel wordt de triomf van de Dominicanen gevierd. De eerste indruk is even overweldigend als in de Moterana, maar zoals in veel barokke kerken moet het odium van overdaad en de opdringerigheid van het ornamentele vooral imponeren, zodat het gevoel van sereniteit, die oudere kerken hun charme geven, achterwege blijft. Naast de kerk staat het klooster van de vrouwelijke Dominicanen die de kerk lieten bouwen.
Santa Caterina d'Alessandria
Teatro Bellini
Samen met het achttiende eeuwse Teatro Bellini, genoemd naar de negentiende-eeuwse Siciliaanse belcanto- en operacomponist Vincenzo Bellini - waarvan enkele aria’s tot de favoriete van Maria Callas behoorden - en de achterkant van het Palazzo Pretorio geven de fraaie kerkfaçades samen met de palmbomen de Piazza Bellini een multicultuurhistorisch patina dat haar uniek maakt in Europa.
Een intermezzo uit de renaissance: de Piazza Pretoria
Nauwelijks van mijn fascinatie bekomen op de Piazza Bellini fiets ik noordwaarts de Maqueda op en kom bij de Piazza Pretoria, waar een enorme fontein zo uit een decadent Romeins lusthof lijkt te zijn weggeplukt. Het is de enorme Fontana Pretoria vol beelden van naakte goden en nimfen, 48 in totaal. Vanwege al dat naakt in het oerkatholieke, puriteinse Sicilië van de zestiende eeuw en vlakbij twee kloosters werd de fontein de ‘Fontana della Vergogna’ (de fontein van de schande) gedoopt.
Ingevoerd uit Toscane: de 'Fontana della Vergogna'
De Fontana Pretoria werd in 1574 door de toenmalige stedelijke senaat aangekocht om op het plein voor het veertiende-eeuwse senaatsgebouw te plaatsen. Het is een pronkstuk uit de renaissance van de hand van de Florentijnse beeldhouwer Francesco Camilliani. Hij creëerde de fontein op bestelling voor de Spaanse vicekoning van Napels Don Pedro Alvarez de Toledo en eigenlijk was hij bestemd voor het Palazzo San Clemente in Firenze, maar vanwege diepe schulden verkocht zijn zoon Luigi na diens overlijden de fontein aan de stad Palermo. Met de koepel van de Catarinakerk op de achtergrond waant men zich even op de Piazza Navonna in Rome, want onvermijdelijk doet de fontein denken aan de Romeinse Fontana dei Quattro Fiumi van Bernini met de Chiesa di Sant’Agnese in Agone op de achtergrond. Naar verluidt zou Bernini zich voor het thema van de vier rivieren hebben laten inspireren door de Fontana Pretoria, die de vier rivieren van Palermo als thema heeft.
De fontein is trapsgewijs en concentrisch op drie ronde plateaus gebouwd met beelden van de naakte goden en halfgoden Apollo, Hercules, Bacchus, Diana, Venus, Adonis en vele anderen die de toegangen en de ballustrades langs de trappen flankeren. Op het volgende niveau bevinden zich de allegorische beelden van de vier rivieren die indertijd nog door Palermo vloeiden: de Oreto, de Papireto, de Kemonia en de Pannaria geflankeerd door telkens een mannelijke en vrouwelijke god. Stroomopwaarts volgt een groot waterbekken met waterspuwende dierenkoppen, die de ark van Noah moeten voorstellen. Boven de ark symboliseert het volgende plateau het hemelse Jeruzalem waar in het midden de fontein zijn concentrische opbouw verderzet in een zuil, gedragen door schildpadden met drie schalen die steunen op hemelse figuren, waar het water van druipt en helemaal bovenaan een putto van de wijn, de overvloed en het feest, waarschijnlijk Bacchus. In de eeuwen die volgden werden de beelden het mikpunt van overijverige puriteinen en boze burgers die de aankoop in tijden van armoede en honger een schande vonden. Er werd daarom lange tijd een ijzeren hek rond geplaatst tot het hele bouwwerk tussen 1998 en 2003 volledig werd gerestaureerd. Met zijn wat frivole voorstelling van de antieke mythologie vormt de fontein met de renaissancefaçade van het Palazzo Pretorio ernaast, het huidige stadhuis, stilistisch een eenheid. Aanvankelijk gebouwd in de vijftiende eeuw kreeg de gevel verschillende renovaties, maar met respect voor de oorspronkelijke renaissancestijl.
Palazzo Pretorio met Fontana Pretoria
Wie op het stadsplan van Palermo een middelpunt zoekt als vertrekpunt om zich te oriënteren kan het best op zoek gaan naar de Quattro Canti, de piazza waar ik nu voorbij kom en waar de via Maqueda en de Corso Vittorio Emmanuele elkaar kruisen. Over de cultuurhistorische betekenis van de piazza wil ik het later hebben omdat ze 17de-eeuws is en ik mij voorlopig wil houden aan de bloeiende twaalfde eeuw.
Hier aan de Quattro Canti, sla ik linksaf de Via Vittorio Emmanuele op naar mijn eindbestemming, het Palazzo dei Normani. Op mijn linkerkant hou ik even halt bij de piazza Bologni. Het plein heeft enkele gezellige terrassen een beetje weg van de drukte op de Vittorio Emmanuele en nodigt uit om hier mijn lunch te nemen. Ik vind nog net een vrij tafeltje naast een lange tafel die wordt ingenomen door een groep luidruchtige Amerikanen. Siciliaanse Amerikanen die het thuisland van hun voorvaderen zijn komen bezoeken, zo meen ik op te maken uit hun gesprekken. Een van hen vertelt luidop over zijn grootvader die migreerde naar New York en ginder met een andere Siciliaanse huwde. Opvallend veel Amerikaans Engels valt hier te horen in het toeristisch deel van de stad.
Verhalen van grootouders en ouders in de VS hebben ongetwijfeld de aantrekkingskracht van de eigen roots verhevigd bij heel wat Siciliaanse Amerikanen. Ze ontdekken hier de tradities die van generatie op generatie zijn doorgegeven en maken op het platteland kennis met de charmante kant van het wat tragere levensritme, dat zo contrasteert met het jachtige leven en schaarse vakantie in hun stedelijke biotoop in de States. Daarnaast zal het einde van de coronapandemie en de goedkope euro ook wel een invloed hebben op de stroom toeristen naar het eiland. Na enkele arancini (risottoballetjes) met een vulling van gesmolten mozzarella en erwten en de onvermijdelijke ristretto erna trek ik naar de majestueuze kathedraal even verderop.
Santa Rosalia, patroonheilige van Palermo
Op het plein voor de kathedraal staat centraal het beeld van Santa Rosalia, de patroonheilige van de stad. In de twaalfde eeuw maakte ze als adellijke jonkvrouw deel uit van het hof van de Normandische koning Ruggero (Roger) II. Aan graaf Baldovino, die het leven van de koning had gered, was ze uitgehuwelijkt, maar daar weigerde ze op in te gaan. In een visioen besefte ze dat haar liefde voor Jezus groter was en een maagdelijk heremietenleven in een grot middenin een bosrijk en bergachtig gebied in Quisquina in Zuid-Sicilië leek haar gepaster. Later verhuisde ze naar een grot op de Monte Pellegrino, de iconische berg die over Palermo uitkijkt ten noordwesten van de baai, waarlangs de stad zich uitstrekt en stierf daar. Haar heiligenstatus heeft ze te danken aan een pestepidemie die Palermo teisterde in het begin van de zeventiende eeuw. De legende wil dat een vrome, met de pest besmette vrouw in een grot op de berg van het water dronk dat uit een rots sijpelde en haar stante pede genas, waarna Rosalia in een vizioen aan haar verscheen en haar een plek aanwees op de bodem van de grot. De volgende dag keerde ze met enkele mannen terug die op de aangewezen plaats onder een marmeren plaat het gebeente van de heilige aantroffen.
Santa Rosalia in haar grot op de Monte Pellegrino
Een andere versie vertelt wat de wanhopige jager, Vincenzo Bonello, overkwam die zijn vrouw had verloren in de pestepidemie. Hij wilde zich terugtrekken op de Monte Pellegrino om er zelfmoord te plegen, maar naar zijn zeggen verscheen toen Santa Rosalia aan hem en toonde in welke grot hij haar beenderen kon vinden. Ze gedroeg hem die beenderen in de stad rond te voeren om de pest te verdrijven. De kardinaal van Palermo, Giovanni Doria, liet de beenderen op hun authenticiteit controleren - hoe hij dat deed houden we in het midden - en gaf opdracht de processie te organiseren. En zie, als bij wonder hield de pestepidemie op en genazen de besmette zieken. Sindsdien wordt er in juli elk jaar een zevendaags festino di Santa Rosalia georganiseerd in de stad, dat steevast begint op dit plein voor de kathedraal, terwijl in een processie het beeld van Rosalia op een wagen wordt rondgereden. Rosalia wordt meestal afgebeeld met een rozenkrans als aureool. Naar het schijnt geurde haar gebeente naar rozen, toen het werd ontdekt, vandaar. Haar relikwieën bevinden zich in een kapel in het presbyterium (het priesterkoor) van de kathedraal.
In het bos van Quisquina staat nu een indrukwekkende hermitage die een rijke Genovese zakenman er liet bouwen vlakbij de grot waar Rosalia leefde. Later nam een religieuze orde er haar intrek, waarvan de laatste monnik stierf in 1986.
Ook op de Monte Pellegrino is er een heiligdom voor Santa Rosalia dat een heus bedevaartsoord is geworden. Vanuit de stad is er een verharde en bewegwijzerde pelgrimsroute te voet van 7,8 km en 450 hoogtemeters naar het Santuario. Langs de via Pietro Bonnano kan je ook naar boven fietsen, maar de meeste bezoekers komen er met de wagen of een bus en het kan er in het weekend en op vrije dagen best wel druk zijn. Souvenirsstalletjes en winkeltjes zijn er alvast voldoende. In de kapel van het heiligdom wordt de relikwie van de heilige bewaard en en kan de bezoeker drinken van het helende water dat de vrouw genas. Rosalia zelf ligt gebeeldhouwd in de houding waarin ze sterft in een schrijn en in verguld ornaat met haar rozenkrans op haar hoofd. Wie verder naar het Belvedere di Monte Pellegrino op 600 meter hoogte wil, waar nog eens een beeld van Rosalia op een hoge sokkel prijkt, moet er een helling van 13% bijnemen.
De kathedraal Santa Vergine Maria Assunta, Palermo
De kathedraal Santa Vergine Maria Assunta
De kathedraal voor de Santa Vergine Maria Assunta imponeert door haar omvang en verrast door het amalgaam van stijlen waarin ze is gebouwd. Begrijpelijk, door de eeuwen heen werd ze voortdurend verbouwd. Van de oorspronkelijke Byzantijnse basiliek uit de vijfde eeuw is behalve de crypte niets overgebleven. Ook van de reusachtige moskee met koranschool, bibliotheek en badhuis die er door de Moren in het negende-eeuwse Balharm (de Arabische naam voor Palermo) is overheen gebouwd, zijn alleen enkele muren overgebleven na een aardbeving die de stad trof in 1169, samen met een inscriptie met een passage uit de Koran die zegt dat God de dag na de nacht schiep. Ze werd aangebracht op de rechterzuil van het ingangsportaal. Toch verraadt het hedendaagse aanzicht Arabische stijlkenmerken, zoals de ornamentele kantelen op de muren van het schip, voorheen de moskeemuren, en de prachtige Arabische geometrische motieven op de klokkentorens en in het inlegwerk op de buitenkant van de apsis. Ook de spitsbogen van de arcaden die de kathedraal met het aartsbisschoppelijk paleis verbinden zijn typisch moors.
Onder de Normandiërs die hier na de aardbeving eind de twaalfde eeuw een kathedraal optrokken voor de Santa Vergine Maria Assunta, was er een typisch Normandisch-Arabische stijl ontwikkeld die heel wat twaalfde-eeuwse gebouwen in Palermo kenmerkt. De opdrachtgever was de aartsbisschop Gualtiero (Walter) Offamilio. Aanvankelijk zetelde hij in de kroonraad die de minderjarige Willem II bijstond en bleef zijn hele leven lang de belangrijkste raadsheer van de koning. Hij ligt opgebaard in een sarcofaag in de crypte samen met andere Byzantijnse en Normandische bisschoppen.
de kathedraal: hoofdportaal
Verschillende bouwstijlen
De verschillende stijlen van de duomo verraden de verschillende bouwfases. De apsis die aan de buitenkant met normandisch-arabische motieven versierd is, dateert uit de twaalfde eeuw. De zuid-westelijke façade met zijn portaal is 14de- en 15de-eeuws en dateert uit de periode dat het huis van Aragon over Sicilië heerste. Ze is in Catalaanse gotiek opgetrokken en doet denken aan de Barrio Gotico in Barcelona en kijkt uit op het aartsbisschoppelijk paleis (het huidige Museo Diocesano). Het hoofdportaal met zijn drie arcaden op zuilen stamt uit de 16de eeuw en is ontworpen door Antonello Gagini, zoon van de bekende beeldhouwer Domenico Gagini. Domenico zelf beeldhouwde het houten koor. Tegen het einde van de 18de eeuw hertekende Ferdinando Fuga, de inrichting van het interieur en ontwierp de grote koepel. De uitvoering door Giuseppe Venanzio Marvuglia was echter veel ingrijpender dan Fuga had voorzien. In twee kapellen in de rechtse zijbeuk bevinden zich de graftombes van Roger II, zijn dochter Constance, haar echtgenoot Henry IV, en hun zoon Frederik II. In de schatkamer is de meest opvallende schat de kroon van Constance van Aragon, de vrouw van Frederik II, die gemodelleerd is op de Byzantijnse kronen. Wie meer werken uit de kathedraal wil bewonderen, begeeft zich best naar het Museo Diocesano naast de kathedraal.
De apsis van de kathedraal: Normandisch-Arabische stijl
Na het bezoek aan de kathedraal begeef ik me langs een mooi park, de Villa Bonanno, naar het absolute hoogtepunt van de Arabisch-Normandische cultuur: het Palazzo dei Normanni of het Palazzo Reale en zijn Capella Palatina.
Het Palazzo dei Normanni
Het Palazzo is gebouwd op oudere nederzettingen en vestingen die hier boven elkaar werden gebouwd en die opgravingen hebben blootgelegd. Tegenwoordig kun je diep onder de fundamenten van het palazzo afdalen om de restanten van de verschillende bouwlagen te ontdekken. De oudste bouwlaag dateert uit de zevende en vijfde eeuw voor Christus toen hier een Fenicische nederzetting stond die rechtstreeks verbonden was met de zee. Op de Fenicische nederzetting bouwden de Romeinen in de derde eeuw voor Christus een vesting en in de 9de eeuw AD werd dat het fundament voor het paleis van de Moorse emir. In 938 verliet de emir het Palazzo dei Emiri en ging dichter bij de zee wonen in La Kalsa. Nadat de Normandiërs het hele eiland hadden veroverd op de Moren, maakte Roger II van Palermo zijn hoofdstad en nam in 1130 zijn intrek in het voormalige paleis van de emir, liet het verbouwen en onder zijn opvolgers Willem I en II en de Hohenstauf Frederick II werd het verder uitgebreid met verschillende gebouwen, waarin de kanselarij en administratie werden ondergebracht. Oorspronkelijk telde het paleis vier torens: een Griekse, een Arabische (de zogenaamde Joaria), een Pisaanse (Torre Pisana), die later werd omgebouwd tot een sterrenwacht en werd uitgerust met een koepel en de Kirimbi. De karakteristieke blinde arkades die aan de buitenkant nog te zien zijn, geven een idee van het oorspronkelijk uitzicht van het twaalfde-eeuwse paleis. Vandaag is van het Palazzo dei Normanni maar een klein deel overgebleven. In de 16de eeuw namen de Spaanse onderkoningen het paleis onder handen, braken drie van de vier torens en de militaire structuren af en vervingen ze door twee elegante binnenhoven met zuilengangen op het gelijkvloers en de twee verdiepingen en bouwden er een aan de oostkant een brede renaissancegevel tegenaan, waar zich nu de officiële ingang van de site bevindt. Alleen de Torre Pisana bleef bewaard samen met het deel van het paleis waarin de kapel zich bevindt.
De Cappella Palatina, de hofkapel van Roger II
In 1132 startte Roger II na zijn kroning door de tegenpaus Anacletus II in de kathedraal van Palermo in 1130 de bouw van zijn hofkapel, de Cappella Palatina, een basilica in drie verdiepingen ter ere van Sint-Paulus. Het is het absolute meesterwerk van Arabisch-Normandisch-Byzantijnse bouwkunst en een exponent van de culturele bloei die Palermo en dan vooral het hof van Roger II kende. Met haar apsis naar het oosten gericht, zoals in de Byzantijnse traditie, ligt de kapel tussen de twee prachtige renaissancistische patio’s van het Palazzo dei Normanni in.
De toegang tot de Capella bevindt zich op de eerste verdieping. Zoals in de kathedraal van Cefalù is Christus Pantocrator (de heerser over de wereld) de centrale figuur. Omringd door 8 aartsengelen en daaronder de vier evangelisten staat hij in prachtige Byzantijnse mozaïeken afgebeeld in de koepel, maar ook in de halfkoepelvormige nis aan de binnenkant van de apsis, boven het priesterkoor. Onder en rondom hem een scène van de visitatie met de heilige maagd op haar troon. Hij wordt in het linker dwarsschip geflankeerd door Sint-Andreas en in het rechterdwarsschip door Sint-Paulus. Bij Sint-Andreas staat de Madonna met kind afgebeeld en Johannes de Doper die predikt in de woestijn en in de dwarsbeuk rond Sint-Paulus staan taferelen uit het leven van Christus afgebeeld. De zijbeuken tonen scenes uit het leven van Paulus en Petrus en de muren van de centrale beuk, boven de bogen tonen scènes uit het Oud Testament, met name het scheppingsverhaal, de erfzonde, de moord van Kaïn op Abel, de ark van Noah, de bouw van Babel, de verwoesting van Sodoma, God die beveelt zijn zoon Abraham te offeren, het vertrek naar Kanaän, het gevecht van Jacob met de engel enz.
email en bladgoud
Voor het email van de verfijnde mozaïeken werd een pasta van glaspoeder vermengd met kleurstof gebakken, voor de gouden mozaïekplaatjes werd bladgoud op steentjes geplakt met een laag glazuur erbovenop, die de muren een extra glans bezorgt. In de bogen staan heiligen, profeten in medaillons afgebeeld, op de rechte stukken boven de zuilen staan ze volledig afgebeeld.
Het houten plafond van de middenbeuk is een hoogstandje van Moorse muqarnas, een honingraatgewelf, waar bovendien taferelen uit het dagelijkse leven zoals dieren, jagers en feestende dansers op geschilderd werden.
Tegen de achtermuur staat de koninklijke troon met een mozaïek van de Pantocrator erboven geflankeerd door Petrus en Paulus. In de troon en de marmeren vloer met hun prachtig inlegwerk kreeg het paarse Egyptische porfier een centrale plaats als symbool voor de koninklijke macht. De twee leeuwen boven de troon staan in het wapenschild van de Hautevilles. Het goud rond de Pantocrator geeft aan dat hij zich in hemelse sferen bevindt, de troon eronder in marmer symboliseert dat de koning zijn wereldse macht rechtstreeks van de Pantocrator ontvangt. De troon en de afbeeldingen op de achtermuur zijn later toegevoegd door Rogers opvolgers.
Zoals de Sixtijnse Kapel een hoogtepunt was van de bloeiende renaissance in Rome, zo is deze Capella Palatina met zijn 1800 m² mozaïeken, 314 afbeeldingen, zijn muqarnas en zijn marmeren inlegwerk het summum van een cultuur die op verbluffende wijze de Byzantijnse, Romaanse en Moorse kunst wist te integreren. Ze was niet alleen een dankbetuiging aan God, maar ook een uiting van een jonge koning, die na de verovering van Sicilië met zijn Normandische hofhouding en krijgsheren op verzoening uit was met de bestaande bevolking van Moren, Grieken en Joden. De godsdiensttolerantie werd de basisattitude van Rogers regeerperiode en hij vaardigde er zelfs een decreet over uit dat in het Latijn, het Grieks en het Arabisch is gesteld. Die verdraagzaamheid straalt ook deze schitterende kapel uit met de inbreng van Arabische wereld in het plafond van muqarnas, de Arabische inscripties en de moorse spitsbogen, het geometrische inlegwerk in de marmeren vloer en van de Grieks-Byzantijnse wereld in de mozaïeken en het Grieks-orthodoxe priesterkoor en de drieledige structuur van de schepen als inbreng van de katholieke Normandiërs. De inscripties in de mozaïeken van het voorste gedeelte van de kapel, het priesterkoor en de dwarsbeuk zijn vaker in het Grieks gesteld, die op de zijbeuken en middenbeuk achterin zijn vaker in het Latijn.
Appartamenti Reali
Naast de Cappella zijn in het Palazzo ook de Appartamenti Reali een bezoekje waard. In de Sala d’Ercole vergaderen sinds 1947 de 90 gedeputeerden van de Regionale Assemblee van de autonome regio Sicilië. Dit parlement zou het oudste van Europa zijn want het kwam voor het eerst samen in 1130, onder het bewind van Roger II. De zaal dateert uit de zestiende eeuw, maar de monochrome muurschilderingen met taferelen die de twaalf werken van Hercules voorstellen zijn negentiende-eeuws. Het fresco op het plafond stelt het leven van de Griekse mythologische held voor. De zaal is verder versierd met zogenaamde Grottesca versieringen zoals guirlandes, Griekse saters en helden in medaillons in neoklassieke stijl naar het voorbeeld van het decoratieve werk op de muren van de woningen die in Pompeï werden opgegraven.
Maar de meest indrukwekkende is de Sala di Re Ruggero, zoals de Capella een meesterwerk van mozaïekkunst uit de twaalfde eeuw, maar hier met wereldlijke taferelen. Jachtscènes en afbeeldingen van herten, leeuwen, luipaarden en pauwen met een palmboom of een citrusboom ertussenin sieren de muurvlakken onder de bogen. De dieren staan twee aan twee en naar elkaar toegekeerd zoals vaak in de oosterse iconografie. De bogen zijn bezet met mozaïeken van prachtige oriëntaalse of Perzische bloemmotieven. De pauwen zijn vroegchristelijke symbolen van de onvergankelijkheid, het eeuwige leven. Het gewelf van het plafond bevat medaillons van gevleugelde griffioenen en leeuwen met centraal de Zwabische arend met een haas in zijn bek in een achthoek, het keizerlijke embleem. De hele iconografie doet erg Perzisch aan en geeft soms de indruk te verwijzen naar het paradijs.
Roger II geeft Arabische geleerden een plaats aan zijn hof
Roger II had een grondige scholing genoten en dat wakkerde zijn streven aan om in zijn hofhouding wetenschap en letteren een ruime plaats toe te bedelen. Beroemde Arabische en Griekse wetenschappers, filosofen en schrijvers waren er actief en nodigden andere geleerden van de toen bekende wereld uit. De Arabische cultuur had enkele eeuwen van culturele en wetenschappelijke bloei achter de rug. In de metropool Bagdad waren eeuwenlang werken uit het Grieks en het Perzisch vertaald en Europese Arabische centra als Palermo en Cordoba konden hiervan mee de vruchten plukken.
Misschien wel de bekendste Arabische geleerde die een tijd aan het hof van Roger II verbleef, was de uit Ceuta afkomstige Mohammed Al Idrissi, bekend van zijn Kitab Rudjar (het boek van Roger of de Tabula Rogeriana), een atlas van de toen bekende wereld in zijn tijd met 70 kaarten met een ondersteboven oriëntatie, waarbij het zuiden bovenaan ligt, het noorden onderaan. Elke kaart beslaat een regio en wordt gevolgd door een in het Arabisch gestelde commentaar met getuigenissen van reizigers die ter plaatse waren geweest. Daarbij put hij uitvoerig uit de kennis van de Balkhi School of Geography in Bagdad en gaat hij coördinaten gebruiken om kaarten te tekenen, wat ze veel accurater maakte dan de bestaande christelijke, op de bijbel gebaseerde kaarten. Er zijn een tiental gekopieerde manuscripten van dit boek bewaard gebleven, waarvan het oudste zich in de Bibliothèque National de France bevindt en uit 1325 dateert. In Istanbul bevindt zich het meest volledige manuscript met de volledige wereldkaart en de 70 detailmappen van regio’s. Mekka bevindt zich daarop in het middelpunt van de bekende wereld. Het boek was eeuwenlang een referentiewerk voor geografen. Al Idrissi noemt het Sicilië van zijn tijd een culturele parel en laat niet na daarin de bijdrage van de Arabische cultuur en wetenschap te loven.
Volkswijken Albergheria en Monte Pieta
Na mijn bezoek aan de Piazza Bellini, de kathedraal, het Palazzo dei Normanni en de Capella Palatina fiets ik op een slakkengang wat doelloos door straatjes en steegjes terug naar mijn hotel in de stationswijk en laat de unieke beschaving met zijn mix van Normandisch-romaans, Arabisch en Byzantijns in mij bezinken. Zoveel Unesco-monumenten op één dag, zelden meegemaakt. In de Via Mura di Porta Carini beland ik opeens in een heel ander universum: dit zijn de steegjes van de Mercato di Capo van de volkswijken Albergheria en Monte Pieta. De straten worden er nat gespoten. Het is half zeven en karkassen worden van de vleeshaken gehaald, de glinsterende tonijn, zwaardvis en ansjovisjes worden in bakken ijs weggeborgen in koelruimtes. Appelsienen, citroenen, watermeloenen, courgetten, aubergines en olijven worden weggevoerd en eetstalletjes worden schoongemaakt. De markt is duidelijk aan het aflopen. Hier hangt de sfeer van de Arabische soukh. Ik neem me voor hier morgen terug te komen. De stalletjes en winkeltjes zijn bevolkt door Afrikanen, Oost-Aziaten, Indiërs, Arabieren en locals. De enorme diversiteit van de volkswijken is kleurrijk en fascinerend.
Maar wanneer ik een steegje uit rijd, hoor ik een opgewonden Afrikaan in duidelijk Italiaans luidkeels zijn ongenoegen uiten over hoe racistisch hij is behandeld. Waarover hij het heeft weet ik niet, maar twee locals die een zijstraat zijn ingelopen slingeren hem vanalles naar het hoofd, scheldwoorden die ik niet begrijp. Het beeld van de tolerante diversiteit en multiculturaliteit dat ik even aan het koesteren was, krijgt al meteen een deuk. Ik waag me in enkele vicoli waar de was te drogen hangt op de balkonnetjes. Tussen twee wasdraden met lakens staan enkele getatoeëerde mannen met gedempte stemmen wat geheimzinnig te doen, een of ander handeltje te bespreken vermoed ik. Ze slaan geen acht op mij, maar dat zullen ze misschien straks wel doen, wanneer ik noodgedwongen weer langs hen passeer, want dit steegje loopt dood. Geen man overboord, ik ben met de fiets. Hier zou ik me ‘s nachts te voet niet wagen, maak ik me de bedenking. In een zijstraatje is een man vanuit zijn deurgat een opzichtig gemaquilleerde vrouw aan het jennen die voorbijloopt in een topje en stretch leggings die haar goed zichtbare vetlagen extra in de verf zetten. Hij steekt zijn bovenlijf door de bovenkant van een tweedelige voordeur zoals een paard uit een staldeur kijkt.
Tribunale
Na nog enkele steegjes kom ik in de Via Volturno bij de Porta Carini en kom op een moderne kale betonnen vlakte terecht, een absurd contrast met de doolhof van de volkswijken. Dit is de Piazza Vittorio Emmanuele Orlando bij het Tribunale, het Gerechtshof, dat veel weg heeft van een versterkte vesting. Alles lijkt hier in functie van de veiligheid te zijn bedacht. Ongetwijfeld niet overbodig in een stad die ooit het epicentrum van de Mafia was, maar gezellig of charmant is anders en zonder enig lommerrijk groen ongetwijfeld een bakoven in hartje zomer.
Aangekomen op mijn hotel, verneem ik dat ik de volgende dag maar beter een ander hotel zoek, want het weekend staat voor de deur en de prijs voor mijn kamer verdubbelt, als ik wil verlengen. Dat heb je met die last minute promoties waarmee ze in extremis nog proberen hun laatste lege kamers te slijten. Ze gelden precies een dag, daarna wordt de kamer elke dag duurder. Maar geen nood, tot mijn verbazing kan ik meteen een veel goedkoper hotel boeken, centraler gelegen in het oude centrum. Na mijn douche begeef ik me te voet weer naar de Maqueda. Daar zitten toeristen en locals naast elkaar te sippen van een bont allegaartje aperitieven: negroni’s, aperols, margherita’s, daiquiri’s…
Teatro Massimo en Verdi
Ditmaal loop ik de Maqueda uit tot aan de Piazza Giuseppe Verdi waar het imposante Teatro Massimo staat, het grootste operagebouw van ItalIë. De bouw ervan duurde van de eerstesteenlegging in 1874 tot de voltooiing in 1897. De eerste opvoering was een opera van Verdi, Falstaff. Het honderdjarig bestaan van de opera werd in 1997 opnieuw gevierd met een opera van Verdi: Nabucco. De opera, bekend voor zijn slavenkoor, componeerde Verdi tijdens het risorgimento, toen de nationalistische gevoelens bij de burgerij hoog opwelden. De Italianen die hunkerden naar onafhankelijkheid en zelfbestuur konden zich in de opera identificeren met het leed van de Joden die door de Babylonische koning Nabucodonosor II naar Babylon waren gedeporteerd. In het bekende slavenkoor ‘Va pensiero sull’ali dorate, Va, ti posa sui clivi, sui colli, ove olezzano tepide e molli l’aure dolci del suolo natal’ (vrij vertaald: Ga uw gang gedachten op gouden vleugels en strijk neer op hellingen en heuvels, waar de zoete geuren van ons geboorteland zacht en mild gedijen. ) bezingen de tot dwangarbeid veroordeelde Joden vol heimwee hun prachtige land op de oevers van de Jordaan ‘Oh mia patria si bella e perduta’ en roepen hun god aan om hulp. Het slavenkoor was een tijd in de running voor het nationale volkslied in plaats van het “Fratelli d’Italia”, maar heeft het uiteindelijk niet gehaald.
Tatoo City
Op de terugweg hou ik halt bij een restaurantje waar naast het terras een jazzcombo met zangeressen enkele classics vertolkt. Ik bestel er een pasta con le sarde: pasta met sardines, ansjovis, venkel, pijnboompitten en rozijnen en een karaf witte wijn. Terwijl ik de Sicilianen gadesla die hun avondlijke passeggiata hebben ingezet. Van het kuise, katholieke Sicilië geen spoor, wel een processie van naakte getatoeëerde armen, schouders, nekken, buiken, dijen en kuiten in de zwoele nazomeravond. Het houdt niet op. Vroeger het attribuut van zeelui, gangleden of bajesklanten, nu zo mainstream als maar mogelijk is. Voetballers, mode-iconen, kantoorklerken, IT-ers, huisvrouwen, verpleegsters. De selfies van instagram, de roep om facebook likes, maar dan op de huid? Schreeuwerige visuele uitdrukking van een geconstrueerde identiteit of een would-be identiteit, een mythische montage van ‘hiervan hou ik’, ‘zo ben ik’, ‘dit is mijn verhaal’. Of moeten die tatoes bevestigen hoe uniek we zijn, hoe we ons onderscheiden van de rest, ons persoonlijk levensverhaal vertellen of gewoon de kunstenaar in elk van ons zich laten uiten in een hoogst persoonlijke creatie, maar dan wel uitgevoerd door de inktprikker.