Donderdag 23 september: Pattada-Olbia
‘s Anderendaags voel ik me niet zo lekker. Ik wijt het aan de Peroni, maar achteraf beschouwd vrees ik, waren het symptomen van een lichte uitputting na de twee zware ritten van dinsdag en woensdag: 190 km en bijna 2000 hoogtemeters op twee dagen tijd.
De laatste rit naar Olbia is allesbehalve de langgerekte afdaling naar de zee die ik mij had voorgesteld. Het gaat eerst op het plateau golvend bergop en bergaf door een rotsachtig landschap vol kurkeiken. Hier en daar duikt een herder op met zijn kudde. Pas na dertig kilometer zet de afdaling in, voorbij het Forresta di Soliris. Het eerste uitzicht op de Tyrrheense zee is adembenemend panoramisch.
Ik neem een selfie bij het bord van Olbia als aandenken en plaats ze op mijn facebookpagina. Komend uit het ongerepte, bergachtige binnenland, kom je in Olbia in een andere wereld terecht. Het stadje bulkt van de toeristen, die voor het merendeel van de Maddalena-eilanden en de toeristische Costa Smeralda komen.
De toeristendrukte in de stad heeft naast de ferryhaven, nog een verklaring. Er is ook een luchthaven, de Aeroporto Olbia Costa Smeralda, 5 kilometer ten zuidoosten van het stadje.
Veerboten varen uit naar het Italiaanse vasteland vanuit het Stazione maritima Isola Bianca, een kilometer buiten het centrum. Bestemmingen zijn de grote havens langs de Tyrrheense kust: Genua, Livorno, Civitavecchia en naar het kleinere Piombino. Mijn bestemming is Civitavecchia.
Olbia, geschiedenis
Oorspronkelijk was Olbia een Fenicische haven, later werd hij een versterkte haven van de Romeinen, die daarna geplunderd werd door de Vandalen. In de vroege middeleeuwen was hij in handen van de Byzantijnen en daarna van de Sarden zelf, toen hij de hoofdstad werd van het Giudicata di Gallura. Het stadje heette toen Civita. Maar in het begin van de twaalfde eeuw veroverde de republiek Pisa de stad tot hij werd ingelijfd door de Spaanse Aragonezen in 1324, die er vierhonderd jaar de plak zwaaiden. In 1720 kwam hij in handen van het huis van Savoie.
--------
Het is moeilijk wennen aan de drukte, het lawaai, het hypernerveuze gedrag van de toeristen. Neen dit is voor mij Sardinië niet meer, meer een buitenpost van de drukte op het Europese vasteland. Dat het stadje nog een klein charmant historisch centrum heeft rond de piazza Matteotti en de piazza Regina Margherita is een magere troost. De winkelstraten, de horeca, het overdadige licht en lawaai, de uitgelaten feestelijke stemming van de toeristen storen me. Ik eet een pizza in een pizzeria en raak aan de praat met een Franse fietsreiziger, die de omgekeerde reis wil maken, die ik achter de rug heb, namelijk Olbia-Cagliari. Ik geef hem wat tips, maar hij is van plan de kustroute te volgen. Dat doe ik een andere keer, denk ik erbij. We nemen afscheid en ik zoek mijn studiootje op dat ik na x registraties, codetjes en een paar lockertjes eindelijk betreden kan en breng er ongestoord mijn laatste avond door met spijt in het hart dat het allemaal voorbij is.
Olbia by night
Vrijdag 24 september: Olbia-Civitavecchia-Fonteblanda (Toscane)
De overzet met de ferry naar Civitavecchia verloopt behoorlijk rustig en is niet al te lang. De brommende ferryboot laat in zijn kielzog een vaarspoor van wit schuim achter. Het silhouet van de bergachtige kustlijn vervaagt tot het een streep wordt tussen lucht en zee. Acht uur varen is niet zo'n uitputtingsslag tegen de verveling als de twaalf uren bootreis tussen Palermo en Cagliari. Het is bovendien zonnig, genoeg om op het dek, op een plekje waar de koele zeebries niet te fel huishoudt, nog een laatste keer te genieten van de zon. Op het dek knoop ik een gesprek aan met een koppel fietsers uit Berlijn die Sardinië hebben verkend met de app van Komoot, die fietsroutes uitstippelt op basis van ervaringen van andere fietsers en die aanpast aan het niveau van de gebruiker. Ze leken erg tevreden over de navigatie. Ik heb ook al minder gunstige commentaren gelezen over Komoot. Maar mijn bottom line is dat ik liever zelf mijn routes plan aan de hand van wat ik wil zien, de afstand die ik wil overbruggen en de onverharde paden die ik liever vermijd. Aangekomen in Civitavecchia nemen we afscheid van elkaar en fiets ik naar het station in het schemerdonker. Voor nog eens een fietsrit van 100 km met een onvermijdelijke strook langs de levensgevaarlijke Via Aurelia, bedank ik feestelijk en de omweg door de Toscaanse heuvels vergt twee dagen. Die tijd heb ik niet en de energie, vrees ik, evenmin. Het is even wachten voor ik een aansluiting heb naar de Toscaanse Maremma. Uiteindelijk verschijnt de boemeltrein naar Talamone, waar ik een kamer in een hotelletje heb gereserveerd. Ik zet mijn fiets op de trein en na vele tussenstops arriveer ik in het kuststadje.
Talamone
Een stijlvolle Toscaanse dame fronste de wenkbrauwen als ik anderhalf uur later dan aangekondigd (ik heb mijn aansluiting met de trein gemist in Civitavecchia) in fietsplunje mijn opwachting maak aan de balie van mijn hotel. Maar vriendelijk blijft ze. Haar onberispelijk Italiaans klinkt na weken Zuid-Italië als muziek in de oren. Mijn Italiaans vindt ze, ondanks de grammaticale fouten, OK. Ik bedank haar beleefd voor het compliment.
Talamone, Toscane
Fonteblanda
De volgende dag regent het als ik bij zio in Fonteblanda mijn auto ga ophalen. Het is een hartelijk weerzien. Hij nodigt mij uit voor een sobere lunch en geniet van mijn verhalen en vooral van mijn indrukken over Sardinië. Als ik daarna in de gietende regen mijn fiets wringend de auto in duw, voel ik een pijnscheut in mijn rug. Het is vijf jaar geleden dat mij nog zoiets is overkomen. De pijn blijft nazeuren tijdens mijn mijn bezoek aan Frauke in Castel del Piano en mijn autorit naar België. Pas na een behandeling van een osteopaat in Gent verdwijnt hij weer. Ik ben een bofkont. Stel je voor dat dit me was overkomen in een dorp in de Abruzzen, Calabrië of Sardinië. Je mag er niet aan denken. Een oponthoud van enkele dagen ter plaatse en hopen dat de pijn wegebt of, nog erger, fiets de trein op en einde reis. Maar neen dus, de goden zijn me gunstig gezind gebleven en de engelbewaarders bleven postgevat op mijn schouders over me waken, ten minste zolang ik fietste. Toen ik ermee ophield, verloren ze me uit het oog. Maar dat neem ik ze niet kwalijk.